Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2021:2288

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
10-03-2021
Datum publicatie
29-03-2021
Zaaknummer
8659906 \ CV EXPL 20-6146
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Luchtvaartzaak. Incident tot onbevoegdheid. Nederlandse rechter is bevoegd op grond van artikel 6, aanhef en onder a, Rv.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Insolventie

locatie Haarlem

Zaaknr./rolnr.: 8659906 \ CV EXPL 20-6146

Uitspraakdatum: 10 maart 2021

Vonnis in het incident van de kantonrechter in de zaak van:

1 [passagier sub 1]

2. [passagier sub 2], pro se en beiden in hoedanigheid van wettelijke vertegenwoordiger van hun minderjarige kinderen [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3]

allen wonende te [woonplaats]

3. [passagier sub 3]

4. [passagier sub 4]

beiden wonende te [woonplaats]

5. [passagier sub 5]

6. [passagier sub 6]

beiden wonende te [woonplaats]

7. [passagier sub 7]

8. [passagier sub 8]

beiden wonende te [woonplaats]

9. [passagier sub 9], wonende te [woonplaats]

10. [passagier sub 10], wonende te [woonplaats]

11. [passagier sub 11]

12. [passagier sub 12]

13. [passagier sub 13]

14. [passagier sub 14]

allen wonende te [woonplaats]

15. [passagier sub 15], wonende te [woonplaats]

eisers in de hoofdzaak

verweerders in het incident

hierna gezamenlijk te noemen de passagiers

gemachtigde Yource B.V.

tegen

de rechtspersoon naar buitenlands recht

Royal Air Maroc

gevestigd te Casablanca (Marokko)

gedaagde in de hoofdzaak

eiseres in het incident

hierna te noemen de vervoerder

gemachtigde mr. T. Teke

1 Het procesverloop

1.1.

De passagiers hebben bij dagvaarding van 3 juli 2020 een vordering tegen de vervoerder ingesteld. De vervoerder heeft een incidentele conclusie strekkende tot onbevoegdheid genomen. De passagiers hebben hierop schriftelijk gereageerd.

2 De vordering

2.1.

De passagiers vorderen dat de vervoerder wordt veroordeeld tot betaling van € 7.210,40. Zij leggen aan de vordering ten grondslag dat zij een vervoersovereenkomst hebben gesloten voor een vlucht op 9 juli 2018 van Amsterdam-Schiphol Airport naar Charif Al Idrissi Airport (Marokko), hierna de vlucht. De vlucht heeft vertraging opgelopen waardoor de passagiers met een vertraging van meer dan drie uur op de eindbestemming zijn aangekomen. Op grond van de Verordening (EG) nr. 261/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels inzake compensatie en bijstand aan luchtreizigers bij instapweigering en annulering of langdurige vertraging van vluchten en tot intrekking van de verordening (EEG) nr. 295/91 (hierna: de Verordening) stellen de passagiers dat de vervoerder gehouden is compensatie te betalen conform artikel 7 van de Verordening tot een bedrag van € 400,00 per passagier. Op grond van artikel 9 van de Verordening dan wel artikel 19 van het verdrag van Montreal is de vervoerder tevens gehouden de additionele kosten ter hoogte van € 10,40 te voldoen.

3 De vordering en het verweer in het incident

3.1.

De vervoerder heeft de kantonrechter verzocht bij vonnis in incident zich onbevoegd te verklaren tot kennisneming van de vorderingen van de passagiers, met veroordeling van de passagiers in de kosten in het incident en die in de hoofdzaak.

3.2.

De vervoerder legt aan haar vordering ten grondslag dat de Nederlandse rechter niet bevoegd is om van de vordering kennis te nemen aangezien de vervoerder niet in Nederland haar woonplaats of gewone verblijfplaats heeft als bedoeld in artikel 63 van de Verordening (EU) nr. 1215/2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (hierna: Brussel I bis). Evenmin kan worden gesteld dat het centrum van de voornaamste belangen van de vervoerder in Nederland zouden liggen. De omstandigheid dat de vervoerder kantoor houdt te Schiphol is daartoe onvoldoende. Op grond van artikel 4 lid 1 Brussel I bis is de Marokkaanse rechter als de rechter van de vestigingsplaats van de vervoerder bevoegd. Daarvan kan alleen worden afgeweken indien zich een uitzondering voordoet. Het Rehder arrest heeft alleen betrekking op de situatie waarin de luchtvaartmaatschappij haar zetel of woonplaats in een EU-lidstaat heeft en de vlucht het begin- en eindpunt had in een lidstaat. Daarvan is geen sprake aangezien het eindpunt in, Al Hoceima in Marroko buiten een lidstaat ligt. De bevoegdheid kan ook niet worden ontleend aan artikel 1:14 van het Burgerlijk Wetboek. De vervoerder heeft een kantoor ex artikel 1:14 BW in Schiphol, maar het betreft geen aangelegenheid in de zin van artikel 1:14 BW. De passagiers hebben hun vliegticket niet bij de vervoerder gekocht en het kantoor in Schiphol heeft geen enkele betrokkenheid gehad bij het vervoer van de passagiers en de uitvoering van de vluchten. Voorts kan de rechtsmacht van de Nederlandse rechter niet op artikel 6 onder d Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) worden gebaseerd. Uit artikel 17 lid 3 Brussel I bis volgt dat artikel 6 Rv niet geldt voor vervoersovereenkomsten.

3.3.

De passagiers verzetten zich tegen onbevoegdheid van de Nederlandse rechter.

4. De beoordeling

4.1.

In het incident staat de vraag centraal of de kantonrechter van de rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem, bevoegd is kennis te nemen van het geschil tussen partijen.

4.2.

Vast staat dat de vervoerder geen woonplaats heeft op het grondgebied van een lidstaat als bedoeld in artikel 63 van de Brussel I bis-verordening. Voor zover de passagiers hebben aangevoerd dat de bevoegdheid van de Nederlandse rechter kan worden ontleend aan artikel 7 van de Brussel I bis-verordening gaat dat betoog dan ook niet op. Dat artikel ziet immers op de situatie dat de gedaagde woonplaats heeft op het grondgebied van een lidstaat. Ingevolge artikel 6 van de Brussel I bis-Verordening dient de rechtsmacht van de Nederlandse rechter in dit geval te worden beoordeeld aan de hand van het Nederlandse procesrecht. Ingevolge artikel 2 Rv heeft de Nederlandse rechter rechtsmacht als de gedaagde in Nederland zijn woonplaats of gewone verblijfplaats heeft. De woonplaats van een rechtspersoon is ingevolge artikel 1:10 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek (BW) daar waar hij zijn statutaire zetel heeft. Vast staat dat de statutaire zetel van de vervoerder is gelegen in Casablanca, zodat zij op grond van artikel 1:10 lid 2 BW geen woonplaats heeft in Nederland als bedoeld in artikel 2 Rv. Vervolgens dient te worden beoordeeld of de vervoerder op grond van artikel 1:14 BW mede woonplaats heeft op haar kantoor te Schiphol. Het enkele feit dat een vennootschap een filiaal houdt in een arrondissement creëert echter nog geen bevoegdheid. Er moet sprake zijn van activiteiten die kenmerkend zijn voor de vlucht of de boeking van de passagier ten aanzien van de onderhavige vlucht. Anders dan de passagiers is de kantonrechter van oordeel dat het enkele feit dat uit het uittreksel van de Kamer van Koophandel volgt dat het kantoor te Schiphol zich bezig houdt met vervoer van personen door de lucht niet volgt dat er vanuit een kantoor van de vervoerder te Schiphol activiteiten met betrekking tot de onderhavige vlucht hebben plaatsgevonden, dan wel dat een kantoor van de vervoerder te Schiphol op enige wijze bij de onderhavige vlucht betrokken is geweest. Tussen partijen is immers niet in geschil dat de vliegtickets zijn geboekt via een reisagent. De kantonrechter kan dan ook geen bevoegdheid ontlenen aan voornoemde artikelen.

4.3.

Volgens de passagiers heeft de Nederlandse rechter (ook) rechtsmacht omdat Nederland dient te worden aangemerkt als plaats waar de verbintenis uit overeenkomst tussen de vervoerder en de passagiers is uitgevoerd. Dit betoog slaagt. Op grond van artikel 6, aanhef en sub a Rv heeft de Nederlandse rechter eveneens rechtsmacht in zaken betreffende verbintenissen uit overeenkomst, indien de verbintenis die aan de eis of het verzoek ten grondslag ligt, in Nederland is uitgevoerd of moet worden uitgevoerd. Ingevolge artikel 6a aanhef en sub b Rv is voor de toepassing van artikel 6, onderdeel a, tenzij anders is overeengekomen, de plaats van uitvoering in Nederland gelegen voor de verstrekking van diensten, indien de diensten volgens de overeenkomst in Nederland verstrekt werden of verstrekt hadden moeten worden. Indachtig hetgeen in het arrest van het Hof van 9 juli 2009 (C-204/08, Rehder) is geoordeeld over artikel 5, punt 1, onder b, tweede streepje van de EEX- Verordening (thans artikel 7 Brussel I bis-Verordening), is de kantonrechter van oordeel dat zowel de plaats van vertrek als de plaats van aankomst van het vliegtuig gelijkelijk moeten worden beschouwd als de plaatsen waar de diensten die het voorwerp van een luchtvervoerovereenkomst uitmaken, hoofdzakelijk worden verstrekt. Nu in dit geval de passagiers een vervoersovereenkomst hebben gesloten op grond waarvan de vervoerder hen vanaf Schiphol diende te vervoeren naar Marokko, is in dit geval sprake van diensten die volgens de onderhavige overeenkomst in Nederland verstrekt werden of verstrekt hadden moeten worden in de zin van artikel 6a, aanhef en onder b Rv. De gestelde plaats van vertrek is immers in Nederland gelegen. Hieruit volgt dat de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft op grond van artikel 6, aanhef en onder a, Rv.

4.4.

Voor zover de vervoerder zich nog beroept op artikel 17 lid 3 Brussel I bis in samenhang met artikel 6 sub d Rv kan dat betoog verder buiten beschouwing blijven. Hiervoor heeft de kantonrechter immers al vastgesteld dat zij op grond van artikel 6 aanhef en onder a, Rv bevoegd is om van de vordering kennis te nemen.

4.5.

Uit het voorgaande volgt dat de vordering van de vervoerder in het incident dient te worden afgewezen. De proceskosten komen voor rekening van de vervoerder, omdat deze ongelijk krijgt.

5 De beslissing

De kantonrechter:

In het incident

5.1.

wijst de vordering in het incident af;

5.2.

veroordeelt de vervoerder tot betaling van de proceskosten in het incident, die tot en met vandaag voor de passagiers worden vastgesteld op een bedrag van € 72,00;

In de hoofdzaak:

5.3.

verwijst de zaak naar de rolzitting van 7 april 2021 voor conclusie van antwoord aan de zijde van de vervoerder.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.M. Kruithof, kantonrechter en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van bovengenoemde datum in aanwezigheid van de griffier.

De griffier De kantonrechter