Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2021:2286

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
03-03-2021
Datum publicatie
29-03-2021
Zaaknummer
8251912 \ CV EXPL 20-118
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Luchtvaartzaak. Een boekingsbevestiging voor een pakketreisovereenkomst is geen bevestigde boeking in de zin van de Verordening (EG) nr. 261/2004.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Insolventie

locatie Haarlem

Zaaknr./rolnr.: 8251912 \ CV EXPL 20-118

Uitspraakdatum: 3 maart 2021

Vonnis van de kantonrechter in de zaak van:

1 [passagier sub 1]

2. [passagier sub 2],

beiden wonende te [woonplaats]

hierna te noemen de passagiers

3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Claimingo B.V. gevestigd te Bussum

hierna te noemen Claimingo

hierna gezamenlijk te noemen: eisers

gemachtigde Van Schendel & Partners

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

TUI Airlines Nederland B.V.

statutair gevestigd te Schiphol-Rijk, gemeente Haarlemmermeer

gedaagde

hierna te noemen de vervoerder

gemachtigde mr. M. Lustenhouwer

1 Het procesverloop

1.1.

Eisers hebben bij dagvaarding van 29 november 2019 een vordering tegen de vervoerder ingesteld. De vervoerder heeft schriftelijk geantwoord.

1.2.

Eisers hebben hierop schriftelijk gereageerd, waarna de vervoerder een schriftelijke reactie heeft gegeven.

2 De feiten

2.1.

De passagiers hebben op 15 maart 2019 een pakketreisovereenkomst gesloten met D-Reizen Vakantiewinkel te [woonplaats] (hierna: D-Reizen). In de boekingsbevestiging/factuur van D-Reizen is vermeld dat de heenvlucht van 7 juli 2019 om 08:10 uur wordt uitgevoerd door een vlucht van de vervoerder met vluchtnummer OR 543. Tevens is vermeld: “(…) Het vluchtschema, de luchtvaartmaatschappij en de luchthaven die op de boekingsbevestiging zijn vermeld, zijn onder voorbehoud van wijzigingen. (…)

2.2.

Op 15 juni 2019 heeft de vervoerder vliegtickets uitgegeven op naam van de passagiers voor een vlucht op 7 juli 2019 om 13:45 uur met vluchtnummer OR611.

2.3.

De passagiers zijn op 7 juli 2019 met vlucht OR 611 van Amsterdam-Schiphol Airport naar Gran Canaria (Spanje) gevlogen.

2.4.

De passagiers hebben compensatie van de vervoerder gevorderd in verband met annulering.

2.5.

De vervoerder heeft geweigerd tot betaling over te gaan.

3 De vordering

3.1.

Eisers vorderen dat de vervoerder bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis veroordeeld zal worden tot betaling van:
- € 1.600,00, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 5 september 2019, althans 5 oktober 2019, althans vanaf de datum van de dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening;
- € 290,40 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met wettelijke rente;
- de proceskosten, te vermeerderen met wettelijke rente.

3.2.

Eisers hebben aan de vordering ten grondslag gelegd de Verordening (EG) nr. 261/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels inzake compensatie en bijstand aan luchtreizigers bij instapweigering en annulering of langdurige vertraging van vluchten en tot intrekking van de verordening (EEG) nr. 295/91 (hierna: de Verordening) en de daarop betrekking hebbende rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof). Eisers stellen dat zij vliegtickets hebben geboekt bij de vervoerder voor een vlucht op 7 juli 2019 met vluchtnummer OR 543. Toen de passagiers op 3 juli 2019 in de gelegenheid waren om hun boekingsbescheiden op te halen hebben zij vernomen dat de vlucht is geannuleerd en dat zij op een andere (latere) vlucht, met vluchtnummer OR 611 zijn geboekt. Met deze vlucht zijn de passagiers meer dan twee uur later, dan oorspronkelijk gepland, op de eindbestemming aangekomen. Op grond van artikel 5 lid 1 onder iii in samenhang met artikel 7 van de Verordening dient de vervoerder dan ook compensatie te voldoen. Conform het Krijgsman arrest is de vervoerder immers ook compensatie plichtig in geval zij de annulering wel heeft doorgegeven aan de reisagent, maar de passagiers niet door de reisagent op de hoogte zijn gesteld.

4 Het verweer

4.1.

De vervoerder betwist de vordering. Zij voert aan dat dat vlucht OR 543 niet is geannuleerd. Op 14 mei 2019 heeft de vervoerder besloten om een andere luchtvaartmaatschappij in te huren om de vlucht uit te voeren. Om administratieve redenen is het vluchtnummer gewijzigd in OR 611. Uit de dagvaarding volgt dat de passagiers op 15 maart 2019 bij het reisbureau D-Reizen een pakketreis hebben geboekt. D-Reizen heeft de vliegtickets echter pas omstreeks 15 juni 2019, na wijziging van het vluchtnummer, geboekt. De passagiers beschikten dan ook alleen over een bevestigde boeking voor vlucht OR 611 en niet voor vlucht OR 543. De tickets zijn drie weken voor vertrek opgemaakt en aan de passagiers verstrekt.

4.2.

Voorts voert de vervoerder aan dat vlucht OR 611 de route Amsterdam-Tenerife-Las Palmas zou vliegen. De vlucht is om 15:55 uur UTC, met een vertraging van 4 uur en 10 minuten aangevangen. Het toestel is echter rechtstreeks doorgevlogen naar Las Palmas waar het toestel met een vertraging van 2 uur en 18 minuten is gearriveerd. De vlucht is dan ook met een vertraging van minder dan drie uur op de eindbestemming aangekomen, zodat de passagiers geen recht hebben op compensatie.

5 De beoordeling

5.1.

De kantonrechter stelt ambtshalve vast dat de Nederlandse rechter in deze zaak bevoegd is om van de vordering kennis te nemen.

5.2.

Anders dan de vervoerder meent, is Claimingo ontvankelijk voor het deel van de vordering dat betrekking heeft op de minderjarigen. Beoordeeld moet worden of de ouders ten aanzien van hun kinderen een machtiging van de kantonrechter nodig hadden voor de hiervoor reeds omschreven lastgeving aan Claimingo. De kantonrechter is van oordeel dat dit niet het geval is, nu als onbetwist vast staat dat de ouders voor hun kinderen de pakketreis hebben geboekt en de verleende lastgeving valt binnen het kader van de verzorging en de opvoeding van hun minderjarige kinderen. Claimingo is dan ook ontvankelijk in haar vordering.

5.3.

In de Verordening wordt een annulering gedefinieerd als het niet uitvoeren van een geplande vlucht waarop ten minste één plaats was geboekt. De passagiers stellen dat zij een bevestigde boeking hadden voor vlucht OR 543 en hebben hiertoe de ‘Boekingsbevestiging/Factuur’ van D-Reizen overgelegd. De vervoerder heeft dit gemotiveerd weersproken en voert daartoe aan dat D-Reizen niet op 15 maart 2019, maar pas op 15 juni 2019 namens de passagiers vliegtickets heeft geboekt bij de vervoerder. Tijdens het sluiten van de pakketreisovereenkomst tussen de passagiers en D-Reizen waren de vliegtickets nog niet geboekt. De passagiers hebben dan ook nooit een bevestigde boeking gehad voor vlucht OR 543, aldus de vervoerder. Ter onderbouwing heeft de vervoerder de vliegtickets van vlucht OR 611 die op 15 juni 2019 zijn opgemaakt overgelegd. De vervoerder heeft verder toegelicht dat het gebruikelijk is bij het sluiten van een pakketreisovereenkomst dat een agent of reisorganisator pas op een later moment de vliegtickets boekt.

5.4.

De kantonrechter overweegt dat een boekingsbevestiging voor een pakketreisovereenkomst niet hetzelfde is als een boekingsbevestiging voor een vliegreis. Gelet op de gemotiveerde betwisting van de vervoerder, had het op de weg van de passagiers gelegen om hun stelling nader te onderbouwen. De overgelegde boekingsbevestiging voor de pakketreisovereenkomst met D-Reizen is hiervoor onvoldoende, zodat niet is komen vast te staan dat passagiers een bevestigde boeking hadden voor vlucht OR 543. Dit nog daargelaten de vraag of sprake is van een annulering of slechts van een administratieve wijziging van het vluchtnummer. Tussen partijen is niet in geschil dat vlucht OR 611 met een vertraging van minder dan drie uur op de eindbestemming is aangekomen. De vordering tot compensatie op grond van artikel 7 van de Verordening wordt dan ook afgewezen.

5.5.

De proceskosten komen voor rekening van eisers, omdat deze ongelijk krijgen. Ook de nakosten komen voor rekening van eisers, voor zover deze kosten daadwerkelijk door de vervoerder worden gemaakt.

6 De beslissing

De kantonrechter:

6.1.

wijst de vordering af;

6.2.

veroordeelt eisers tot betaling van de proceskosten, die tot en met vandaag voor de vervoerder worden vastgesteld op een bedrag van € 374,00 aan salaris van de gemachtigde van de vervoerder en veroordeelt eisers tot betaling van € 93,50 aan nakosten voor zover deze kosten daadwerkelijk door de vervoerder worden gemaakt;

6.3.

verklaart dit vonnis, voor wat betreft de proceskostenveroordeling, uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.N. Schipper, kantonrechter, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van bovengenoemde datum in aanwezigheid van de griffier.

De griffier De kantonrechter