Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2021:2270

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
11-03-2021
Datum publicatie
20-04-2021
Zaaknummer
C/15/310826 / HA RK 20-218
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Deelgeschil. Verkeersongeval. Causaal verband tussen ongeval en beperkingen zoals genoemd in deskundigenrapport (niet m.b.t. whiplashklachten). Geen zwaarwegende bezwaren tegen rapport. Inschakeling arbeidsdeskundige en toekenning aanvullend voorschot.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2021-0357
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Bewind

Zittingsplaats Alkmaar

zaaknummer / rekestnummer: C/15/310826 / HA RK 20-218

Beschikking van 11 maart 2021 (bij vervroeging)

in de zaak van

[verzoeker] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoeker,

advocaat mr. J.R. Wildeboer te Hoofddorp,

tegen

de vennootschap naar buitenlands recht

AIG EUROPE S.A.,

kantoorhoudende te Capelle aan den IJssel,

verweerster,

advocaat mr. H.A. Kragt te Arnhem.

Partijen worden hierna [verzoeker] en AIG genoemd.

1 De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het verzoekschrift met producties,

  • -

    het verweerschrift met producties,

  • -

    de mondelinge behandeling van 11 februari 2021 en de daarbij overgelegde spreekaantekeningen van mr. Wildeboer.

2 De feiten

2.1.

Op 27 mei 2018 is [verzoeker] betrokken geraakt bij een verkeersongeval doordat een bij AIG verzekerde automobilist zijn voertuig niet tijdig tot stilstand bracht. Daardoor is de automobilist van achteren op de stilstaande driewielige motor (trike) van [verzoeker] gebotst.

2.2.

AIG heeft de aansprakelijkheid voor het ontstaan van het ongeval erkend.

2.3.

Voorafgaand aan het ongeval was [verzoeker] werkzaam als personal (kickboks)trainer. Hij voerde deze werkzaamheden uit als zelfstandig ondernemer en had geen arbeidsongeschiktheidsverzekering afgesloten. Daarnaast stond [verzoeker] bekend als professioneel wedstrijdvechter/kickbokser en heeft hij tot oktober 2013 meerdere wedstrijden gevochten.

2.4.

Bij beschikking van 21 januari 2020 heeft deze rechtbank op verzoek van [verzoeker] een deskundigenonderzoek door neuroloog J.J.A. Hagemans (hierna: Hagemans) bevolen. Hagemans heeft zijn rapport uitgebracht op 16 september 2020.

2.5.

AIG heeft tot de datum van het verzoekschrift een bedrag van € 91.380,- aan voorschotten betaald aan [verzoeker] .

3 Het geschil

3.1.

[verzoeker] verzoekt de rechtbank om bij beschikking:

I. te bepalen dat sprake is van een causaal verband tussen het ongeval van 27 mei 2018 en de onder paragraaf 4.39 van het verzoekschrift vermelde klachten van [verzoeker] ,

II. te bepalen dat AIG in het minnelijk traject medewerking dient te verlenen aan de inschakeling van arbeidsdeskundige Eshuis (Heling & Partners) ter begeleiding van [verzoeker] conform de zijdens [verzoeker] opgestelde aanbiedingsbrief (productie 25),

III. te bepalen dat AIG aan [verzoeker] , bij wege van een voorschot op een vast te stellen schadevergoeding, een bedrag van € 50.965,- dient te voldoen, althans een door de rechtbank te bepalen bedrag, dan wel een periodiek voorschot over een door de rechtbank te bepalen periode,

IV. de kosten van onderhavige deelgeschilprocedure te begroten op een bedrag van € 7.707,70 en om AIG te veroordelen om dit bedrag, vermeerderd met het door [verzoeker] betaalde griffierecht, aan [verzoeker] te voldoen.

3.2.

[verzoeker] legt – kort gezegd – het volgende aan zijn verzoek ten grondslag. Bij het ongeval heeft [verzoeker] letsel opgelopen. Dat letsel bestaat uit nek-, schouder- en rugklachten (met uitstraling naar billen en benen), hoofdpijnklachten en cognitieve klachten. Deze klachten had [verzoeker] niet voor het ongeval. Uit het rapport van Hagemans blijkt dat sprake is van een causaal verband tussen het ongeval en de klachten. Als gevolg van zijn klachten kan [verzoeker] zijn werkzaamheden als personal kickbokstrainer en professioneel kickbokser niet uitoefenen. Er is, ondanks verzoeken daartoe van [verzoeker] , geen sprake (geweest) van arbeidsdeskundige begeleiding. AIG weigert mee te werken aan de inschakeling van een arbeidsdeskundige om de re-integratie van [verzoeker] naar passend werk te begeleiden. Ook weigert AIG om adequaat te bevoorschotten op de door [verzoeker] geleden schade. Daardoor bevindt [verzoeker] zich in grote financiële problemen (waaronder een huurachterstand).

3.3.

AIG concludeert tot afwijzing van het verzoek en voert hiertoe – kort gezegd – het volgende aan. Deze zaak leent zich niet voor de behandeling in een deelgeschilprocedure, omdat er sprake is van diverse geschilpunten tussen partijen. Daardoor is feitelijk sprake van een compleet geschil. AIG betwist de aanwezigheid van een causaal verband tussen de door [verzoeker] gestelde klachten en het ongeval. Uit het rapport van Hagemans volgt dat de cognitieve klachten niet verklaard kunnen worden vanuit neurologisch oogpunt, dat het wat betreft de diagnose Syndroom van Verbiest gaat om pre-existente niet traumatisch veroorzaakte, degeneratieve afwijkingen en dat traumatische afwijkingen niet zijn aangetoond. Het ongeval heeft de (rug en been)klachten geluxeerd, maar de bijdrage van het ongeval met betrekking tot het klinische beeld kan niet vastgesteld worden. Omdat de bevindingen van Hagemens sterke twijfel doen rijzen over de vraag of de klachten voortvloeiende uit het Syndroom van Verbiest wel door het ongeval zijn ontstaan, is [verzoeker] niet geslaagd in het bewijzen van het causaal verband.

Daar komt bij dat AIG zich niet gebonden acht aan het oordeel van Hagemans. Hagemans heeft namelijk de door hem aangenomen beperkingen ten aanzien van de rugbelasting niet onderbouwd. Hagemans heeft geen afwijkende bevindingen vermeld bij het onderdeel van rug/onderste extremiteiten die het aannemen van dergelijke beperkingen zouden kunnen legitimeren. Voor onderbouwing van dit standpunt verwijst AIG naar de bevindingen van haar eigen medisch adviseur.

Het verzoek met betrekking tot arbeidsdeskundige begeleiding is prematuur. Ook is onduidelijk waarom [verzoeker] zijn eigen re-integratie niet zelfstandig ter hand kan nemen.

Op basis van de voorhanden zijnde (medische en financiële) informatie heeft AIG ruimschoots aan haar betalingsverplichtingen (bevoorschotting) tegenover [verzoeker] voldaan.

4 De beoordeling

Deelgeschil

4.1.

[verzoeker] heeft aangevoerd dat het in deze procedure alleen gaat om de vaststelling van het juridisch oorzakelijk verband en in het verlengde hiervan twee herstelgerichte verzoeken. De verzoeken betreffen volgens [verzoeker] dus geen compleet geschil. De rechtbank volgt [verzoeker] in dit standpunt. In het verzoek wordt namelijk alleen een oordeel wordt gevraagd over het causaal verband tussen de klachten en het ongeval, en bijvoorbeeld niet over de omvang en de looptijd van de schade. Er is dan ook geen sprake van de complete beoordeling van de aansprakelijkheidskwestie in deze zaak. De rechtbank acht de zaak dan ook geschikt voor behandeling in een deelgeschilprocedure. Het verweer van AIG faalt dus op dit punt.

Causaal verband

4.2.

Aan de orde is in de eerste plaats de vraag of er een causaal verband bestaat tussen de huidige gezondheidsklachten van [verzoeker] en het ongeval. Over dit onderwerp heeft Hagemans in zijn rapport verklaard. Partijen verschillen van mening over de juistheid van dit rapport.

4.3.

Volgens vaste jurisprudentie kan, als tussen partijen overeenstemming bestond over de persoon van de deskundige en de vraagstelling, het rapport van de deskundige op de voorgeschreven wijze tot stand is gekomen en de partijen voorafgaand aan en tijdens het deskundigenonderzoek door deskundige raadslieden werden bijgestaan, de rechterlijke beoordeling worden gebaseerd op de bevindingen van de door partijen gezamenlijk aangezochte deskundige. Dat is anders wanneer er zwaarwegende bezwaren bestaan tegen de inhoud of de wijze van totstandkoming van het deskundigenrapport. Is aan voornoemde eisen voldaan en zijn zwaarwegende bezwaren niet aan de orde, dan hebben partijen de bevindingen van de deskundige te aanvaarden.

4.4.

Uit de eerdere beschikking van de rechtbank (21 januari 2020) volgt dat partijen gezamenlijk een expertise door Hagemans zijn overeengekomen, waarbij beide partijen aanzienlijke invloed hebben gehad op de vraagstelling en de inhoud van het aan deze expert voorgelegde dossier. Er is ruimschoots gelegenheid geweest tot het leveren van commentaar op de rapportage, waarna Hagemans zijn definitieve rapport heeft opgesteld. Onder die omstandigheden moet sprake zijn van zwaarwegende en steekhoudende bezwaren tegen het aldus tot stand gekomen rapport van Hagemans wil dat rapport terzijde worden geschoven. Van dergelijke bezwaren is evenwel niet gebleken, gelet op het volgende.

4.5.

Het bezwaar van AIG tegen het rapport van Hagemans komt er kort gezegd op neer dat volgens de medisch adviseur van AIG de beperkingen met betrekking tot de rugbelasting onvoldoende zijn onderbouwd door Hagemans. Dat is echter onvoldoende, enkel al omdat de medisch adviseur van AIG in deze niet als onpartijdig kan worden beschouwd en hij voorts in de onderhavige problematiek niet als specialist kan worden aangemerkt, wat wel geldt voor Hagemans. Daar komt bij dat, zoals uit door beide partijen overgelegde stukken blijkt, de zienswijze van de medisch adviseur van AIG niet wordt ondersteund door verzekeringsgeneeskundige Van Waart (productie 28) en de medisch adviseur van AIG zich zelf kennelijk ook kan vinden in de vastgestelde beperkingen: “In het beschikbaar gekomen definitieve expertiserapport vermelde conclusies ten aanzien van het aannemen van beperkingen ten aanzien van de rugbelasting acht ondergetekende thans wel wat meer inzichtelijk gemaakt door de expertiserend neuroloog. De vermelde beperkingen acht ondergetekende redelijk, en in overeenstemming met de vermelde diagnostische overweging” (productie 9 van AIG, pagina 4, eerste alinea, laatste twee zinnen).

4.6.

De rechtbank volgt AIG dan ook niet in haar stelling dat sprake is van zwaarwegende bezwaren bestaan tegen de inhoud of de wijze van totstandkoming van het deskundigenrapport. Gelet hierop worden de bevindingen en conclusies van Hagemans door de rechtbank overgenomen en tot de hare gemaakt. Hagemans rapporteert wat betreft de klachten en beperkingen van [verzoeker] in relatie tot het ongeval onder meer het volgende:

“(…)

Op grond van de beschrijving van het ongevalsgebeuren, gecombineerd met de ontwikkelingen van klachten in de tijd, valt niet aan te nemen, dat het bewuste trauma enig letsel van organisch-cerebrale aard heeft veroorzaakt. Op grond hiervan kunnen cognitieve klachten niet worden verklaard vanuit neurologisch oogpunt.

Op grond van diezelfde beschrijving is het zeer wel voorstelbaar dat er niet allen sprake is geweest van met name een whiplashmechanisme, maar ook van een mechanische geweldsinwerking in lagere delen van de wervelkolom en rug.

(…)

Via beeldvormend onderzoek van de wervelkolom komen meerdere, duidelijk degeneratieve afwijkingen aan het licht en met name geen (primair) traumatische afwijkingen.

(…)

Op grond van de anamnestische informatie kunnen pijnklachten van de benen wel ingepast worden in het syndroom van Verbiest (…) dat kan optreden bij vernauwing van het lumbale kanaal, (spinaal)kanaalstenose.

(…)

De klacht hoofdpijn past op grond van de aard der klachten en de bevindingen het beste bij spanningshoofdpijn en daarmee valt deze klacht formeel buiten het terrein van de neurologie wegens het ontbreken van een gekend neurologisch substraat.

De nek- en schouderklachten zijn wegens het ontbreken van anamnestische zowel als somatische kernmerken, eveneens niet van neurologische origine (zie ook eerder).

(…)

Veel van de pijnklachten zijn vanuit neurologisch perspectief niet verklaarbaar.

(…)

Op grond van de klachten op neurologisch terrein zijn er beperkingen met betrekking tot het gebruik van de lage rug en de loopafstand. Semikwantitatief zijn deze beperkingen als matig aan te geven.

Onder het gebruik van de rug vallen gebogen werken, bukken en torderen.

Onder het lopen valt ook traplopen.

(…)

Er zijn geen aanwijzingen dat onderzochte vóór het bewuste ongeval klachten op neurologisch terrein had.

(…)

Aangezien er op grond van anamnestische informatie pre-existent geen klachten waren, waren er ook geen beperkingen vóór het ongeval.

(…)

Beperkingen op grond van de gevolgen van een stenose van het spinale kanaal betreffen beperkingen van het gebruik van de rug en van het lopen (zie eerder).

(…)”

4.7.

De volgende vraag is of op grond van het rapport van Hagemans een causaal verband kan worden vastgesteld tussen de klachten van [verzoeker] en het ongeval.

I. Rug-, bil- en beenklachten

4.8.

AIG heeft – kort gezegd – aangevoerd dat bij [verzoeker] sprake was van pre-existente afwijkingen die zich ook zonder het ongeval zouden hebben kunnen ontwikkelen tot klachten. Naar het oordeel van de rechtbank staat het causaal verband vast tussen het ongeval en de lichamelijke klachten van [verzoeker] zoals genoemd in het verzoekschrift onder 4.39 sub d., e. en f., namelijk de klachten van rugpijn en klachten aan de heup/bil en benen. Het juridisch causaal verband is gegeven, omdat Hagemans van oordeel is dat de klachten zich voor het eerst hebben voorgedaan na het ongeval, Hagemans de klachten geobjectiveerd heeft en de klachten niet anders verklaard kunnen worden (alternatieve verklaring). AIG heeft dit onvoldoende gemotiveerd betwist. Weliswaar was voor het ongeval van een pre-existente afwijking in de rug (kanaalstenose), maar deze gaf geen klachten (was ‘asymptomatisch’). Het ongeval is de reden geweest dat het syndroom van Verbiest manifest is geworden en tot klachten heeft geleid.

Ook de stelling van AIG dat de conclusies van Hagemans niet zijn gebaseerd op lichamelijk onderzoek is een onvoldoende gemotiveerd betwisting van door de deskundige vastgestelde beperkingen (zie ook 4.5 hiervoor). Zeker omdat de medisch adviseur van AIG “de vermelde beperkingen redelijk acht”.

II. Whiplashklachten

4.9.

Volgens [verzoeker] is sprake van een plausibel, consistent en samenhangend patroon van klachten (Hoge Raad 8 juni 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB2054). Volgens AIG dient deze maatstaf niet gehanteerd te worden, omdat de Hoge Raad in voornoemd arrest geen criterium verschaft voor de vaststelling van causaal verband in geval van whiplashklachten. Bovendien kan uit het arrest niet worden afgeleid dat niet al te hoge eisen aan het bewijs van het causaal verband kunnen worden gesteld, aldus AIG.

4.10.

De rechtbank overweegt als volgt. Bewijs van een causaal verband zal veelal geleverd zijn als komt vast te staan dat verzoeker voorafgaand aan het ongeval de gezondheidsklachten niet had, de gezondheidsklachten op zich door het ongeval veroorzaakt kunnen worden en een alternatieve verklaring voor de gezondheidsklachten ontbreekt. Het ontbreken van een specifieke, medisch aantoonbare verklaring voor de klachten staat hieraan niet in de weg1. Dat de Hoge Raad zich over deze uitgangspunten nog niet heeft uitgelaten en in voornoemd arrest2 niet (expliciet) zelf als regel van geldend recht heeft aanvaard dat in een whiplashcasus geen al te hoge eisen aan het bewijs van het oorzakelijke verband tussen het ongeval en de gezondheidsklachten kunnen worden gesteld, doet aan het voorgaande niet af. De uitgangspunten zijn in bestendige (appel)rechtspraak breed gehanteerd. Zij komen de rechtbank ook niet onjuist voor, omdat op deze manier een billijke en praktisch toepasbare balans is gevonden tussen bewijsnood van het slachtoffer en overcompensatie door de schuldenaar. Ook in geval van medisch niet-objectiveerbare klachten anders dan whiplash zijn dezelfde omstandigheden relevant voor het aannemen van de juridische causaliteit.3 De hierboven weergegeven uitgangspunten zullen daarom door de rechtbank worden gevolgd.

4.11.

De rechtbank zal geen causaal verband vaststellen tussen het ongeval en de gestelde whiplashklachten (hoofdpijn, nek-, schouder- en concentratieklachten, vergeetachtigheid). In het kader van de aansprakelijkheid gaat het namelijk om de beperkingen die voortvloeien uit de klachten en niet alleen om de klachten op zichzelf. Alleen die beperkingen kunnen namelijk tot schade leiden. Alleen de klachten rugpijn en klachten aan de heup/bil en benen leiden in deze zaak tot beperkingen, namelijk bij de belasting van de rug en bij lopen. Hagemans heeft geen andere beperkingen vastgesteld.

4.12.

De conclusie is dan ook dat er alleen een causaal verband vastgesteld kan worden tussen het ongeval en de beperkingen die voorvloeien uit de pijn aan de rug; de heup/bil en benen. Dat er (nog) geen beperkingenprofiel is, maakt dit overigens niet anders. Het beperkingenprofiel gaat over wat [verzoeker] wel en niet kan als gevolg van de klachten en is van belang voor de schade en het verlies verdienvermogen, maar niet voor het causaal verband (waar het in deze procedure om gaat). Voor deze fase is dan ook voldoende dat Hagemans voormelde beperking (rugbelasting en lopen) heeft vastgesteld. De conclusie is dat de rechtbank het eerste verzoek zal toewijzen zoals onder de beslissing vermeld.

Inschakeling arbeidsdeskundige

4.13.

De rechtbank volgt AIG niet in haar standpunt dat begeleiding door een arbeidsdeskundige prematuur is, omdat de beperkingen van [verzoeker] nog niet vast staan. Hiervoor is namelijk al overwogen dat de beperkingen van [verzoeker] op het gebied van rugbelasting en lopen volgen uit het rapport van Hagemans en daarmee vaststaan. Daarvoor is op dit moment geen nader onderzoek nodig. De rechtbank acht het redelijk om 6 uur aan re-integratiebegeleiding toe te wijzen. De kosten daarvan zal AIG moeten vergoeden. Meer uren acht de rechtbank niet nodig. De rechtbank volgt hierin namelijk het standpunt van AIG dat [verzoeker] zich deels ook zelfstandig zal kunnen oriënteren op werkzaamheden die hij zou kunnen verrichten. Tegen de persoon van Eshuis is door AIG geen gemotiveerd verweer gevoerd, waardoor Eshuis [verzoeker] zal kunnen gaan begeleiden. De rechtbank zal dit verzoek dan ook toewijzen voor zover dit ziet op re-integratiebegeleiding door Eshuis voor de duur van maximaal 6 uur.

Voorschot

4.14.

De rechtbank ziet zich op dit punt gesteld voor een dilemma. Aan de ene kant heeft [verzoeker] namelijk niet onderbouwd op welke termijn het denkbaar is dat hij weer zelfstandig inkomsten zal genieten en aan de andere kant heeft AIG zich onterecht (zie hiervoor) op het standpunt gesteld dat er geen causaal verband bestaat tussen de lichamelijke klachten van [verzoeker] en het ongeval.

4.14.1.

Naar het oordeel van de rechtbank en (eerder) de voorlopige voorzieningenrechter is het duidelijk dat [verzoeker] inkomstenverlies heeft geleden als gevolg van het ongeval. De rechtbank heeft in een eerdere procedure geoordeeld dat Hagemans als deskundige een rapport moest uitbrengen en sprak daarbij de verwachting uit dat dit onderzoek door Hagemans zou worden uitgevoerd in de periode tot aan juli 2020. Aan die verwachting heeft de voorlopige voorzieningenrechter de termijn voor het te betalen maandelijkse voorschot gekoppeld, namelijk tot en met juni 2020. Uiteindelijk verscheen het rapport pas in september 2020. Dat Hagemans zijn rapport later heeft uitgebracht dan verwacht, komt niet voor rekening en risico van [verzoeker] . In dat kader moet AIG moet dan ook voor de periode juli tot en met september 2020 alsnog een maandelijks bedrag aan voorschot betalen.

4.14.2.

De houding van AIG heeft ertoe geleid dat het schaderegelingstraject langer duurt dan gewenst. Eerst bij het verschijnen van het rapport van Hagemens bleek dat AIG zich namelijk (ten onrechte) op standpunt stelde dat dat de beperkingen van [verzoeker] geen gevolg van het ongeval zijn. Naar het oordeel van de rechtbank had van AIG naar aanleiding van het rapport een meer constructieve bijdrage aan het schaderegelingstraject mogen worden verwacht. Ter zitting is gebleken dat – zoals de gemachtigde van [verzoeker] uitdrukkelijk heeft aangegeven – de gestelde whiplashklachten voor [verzoeker] niet “voorliggend” zijn in het kader van een regeling. Aangezien de andere (lichamelijke) beperkingen in causaal verband staan met het ongeval (zie hiervoor onder 4.8), heeft AIG zich ten onrechte op het standpunt gesteld dat deze geen gevolg zijn van het ongeval. De tijd die – kort gezegd -verloren is gegaan door de afwijzende houding van AIG moet voor haar rekening blijven. Dit betekent dat AIG alsnog een maandelijks bedrag aan voorschot moet betalen over de periode oktober 2020 (de maand nadat het rapport van Hagemans verscheen) tot en met februari 2021 (de maand waarin de zitting in deze procedure plaatsvond).

4.14.3.

[verzoeker] heeft verzocht een voorschot toe te kennen voor de periode tot en met 1 januari 2022. De rechtbank zal een bedrag toewijzen tot en met juni 2021, omdat zij niet inziet waarom in vier maanden (vanaf datum zitting) niet bereikt kan worden, wat in een jaar wel zou kunnen. Het toewijzen van voorschot tot eind 2021 zou naar het oordeel van de rechtbank bovendien afdoen aan het voorschotkarakter. Partijen moeten de komende maanden dan ook serieus gaan onderhandelen over de schade van [verzoeker] als gevolg van de beperkingen als hierboven benoemd.

4.14.4.

Concluderend acht de rechtbank een aanvullend voorschot voor een periode van twaalf maanden (juli 2020 tot en met juni 2021) redelijk. De rechtbank ziet aanleiding om bij de hoogte van het voorschot per maand aan te sluiten bij het bedrag zoals dat eerder in kort geding is toegewezen, namelijk € 3.235,- per maand. Concreet komt het er op neer dat AIG aan [verzoeker] een aanvullend voorschot van € 28.320,- moet betalen (€ 3.235,- x 12 maanden = € 38.820,- minus het betaalde bedrag van € 10.500,-).

Begroting kosten

4.15.

De rechtbank zal de kostenbegroting toewijzen als verzocht. AIG heeft zich op dit punt gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. De rechtbank acht zowel het in rekening gebrachte tarief als het aantal uren redelijk. Dit verzoek zal dan ook worden toegewezen.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

bepaalt dat sprake is van een causaal verband tussen het ongeval op 27 mei 2018 en de volgende klachten van [verzoeker] :

  1. rugpijn,

  2. klachten aan de heup/bil rechts meer dan links,

  3. klachten in het rechterbeen meer dan in het linkerbeen,

5.2.

bepaalt dat AIG in het minnelijk traject medewerking dient te verlenen aan de inschakeling van arbeidsdeskundige Eshuis (Heling & Partners) ter begeleiding van [verzoeker] bij zijn re-integratie voor de duur van maximaal 6 uur,

5.3.

bepaalt dat AIG aan [verzoeker] , bij wege van een voorschot op een vast te stellen schadevergoeding, een bedrag van € 28.320,- dient te voldoen,

5.4.

begroot de kosten van deze deelgeschilprocedure op een bedrag van € 7.707,70 en veroordeelt AIG om dit bedrag, vermeerder met het door [verzoeker] betaalde griffierecht van € 304,- te voldoen aan [verzoeker] ,

5.5.

wijst het anders of meer verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. J.S. Reid en bij vervroeging in het openbaar uitgesproken op 11 maart 2021.4

1 Vgl. gerechtshof Amsterdam 14 april 2020, ECLI:NL:GHAMS:2020:1310, gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 21 juli 2020, ECLI:NL:GHARL:2020:5749, 20 februari 2018, ECLI:NL:GHARL:2018:1661 en 24 mei 2016, ECLI:NL:GHARL:2016:3988 en gerechtshof Leeuwarden 9 oktober 2012, ECLI:NL:GHLEE:2012:BX9658.

2 Hoge Raad 8 juni 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB2054

3 AV&S 2019/38, mr. L.M.A. van Es, Causaliteitsproblemen bij medisch niet-objectiveerbare klachten anders dan whiplash

4 type: IV coll: JR