Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2021:2229

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
10-03-2021
Datum publicatie
29-03-2021
Zaaknummer
8755536 \ CV EXPL 20-7811
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Verstek
Inhoudsindicatie

Verstekzaak. Ambtshalve toetsing. 25% korting over abonnements- en verbruikskosten. Afwijzing afsluitkosten en restwaarde Mediabox, afwijzing subsidiair gevorderde schadevergoeding op grond van de wet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Insolventie

locatie Haarlem

Zaaknr./rolnr.: 8755536 \ CV EXPL 20-7811

Uitspraakdatum: 10 maart 2021

Verstekvonnis in de zaak van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Ziggo B.V.

gevestigd te Utrecht

de eisende partij

gemachtigde: Landelijke Associatie van Gerechtsdeurwaarders B.V.

tegen

[gedaagde]

wonende te [woonplaats]

de gedaagde partij

niet verschenen

1 De procedure

1.1.

De eisende partij heeft de gedaagde partij gedagvaard. Tegen de gedaagde partij is verstek verleend.

2 De beoordeling

2.1.

De eisende partij heeft gesteld dat zij met de gedaagde partij per 15 mei 2017 een overeenkomst heeft gesloten. De eisende partij heeft een e-mail aan de gedaagde partij overgelegd van 15 mei 2017 waarin een bestelling is bevestigd van een Connect Complete en Play Complete pakket, bestaande uit Kabel TV, Internet Complete, Vast Bellen en TV Standard. De naam van dit pakket is gewijzigd naar Internet Complete en TV Complete. De eisende partij heeft op 9 oktober 2019 de overeenkomst beëindigd wegens wanbetaling. De eisende partij heeft verder gesteld dat de overeenkomst online is gesloten. De eisende partij heeft algemene voorwaarden overgelegd van 1 juli 2018.

2.2.

De eisende partij vordert betaling van € 76,68 aan abonnementstermijnen over de periode 1 september 2019 tot 10 oktober 2019, alsmede € 20,00 aan afsluitkosten, en € 98,95 aan restwaarde van een niet-geretourneerde Mediabox XL.

De wettelijke informatieverplichtingen van artikelen 6:230m en 6:230v BW

2.3.

Op grond van artikelen 6:230m en 6:230v BW dient de eisende partij - kort gezegd - voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst op afstand op passende, duidelijke en begrijpelijke wijze de in artikel 6:230m lid 1 BW opgesomde informatie aan de consument te verstrekken. Voor wat betreft de kenmerken van de zaak of dienst, de prijs en kosten, de duur van de overeenkomst en voorwaarden voor opzegging en de minimumduur dient zij daarbij onmiddellijk voorafgaand aan het plaatsen van de bestelling tevens op een in het oog springende wijze op deze informatie te wijzen. Het doel van artikel 6:230m lid 1 BW is om de consument de mogelijkheid te geven een weloverwogen besluit te nemen over zijn aankoop. Een verwijzing achteraf naar waar de informatie als bedoeld in artikel 6:230m lid 1 BW op de website dan wel in de algemene voorwaarden kan worden gevonden, is, gelet op voornoemd doel, niet in alle gevallen afdoende.

Daarnaast moet de eisende partij binnen een redelijke termijn na het sluiten van de overeenkomst een bevestiging van de overeenkomst verstrekken op een duurzame gegevensdrager, met daarin alle in artikel 6:230m lid 1 BW bedoelde informatie.

2.4.

Wat betreft de precontractuele informatieverplichtingen licht de eisende partij in productie 3 toe waar (maar overigens niet sinds wanneer) de in artikel 6:230m lid 1 BW bedoelde en op de overeenkomst toepasselijke wettelijke informatie op haar website te vinden is. De eisende partij verwijst hiervoor ook naar de algemene voorwaarden.

Uit de stellingen en toelichting daarop in de dagvaarding en de overgelegde producties, blijkt naar het oordeel van de kantonrechter echter niet, althans onvoldoende, dat de eisende partij voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst, bijvoorbeeld gedurende het online bestelproces, alle van toepassing zijnde informatie van artikel 6:230m lid 1 BW op duidelijke en begrijpelijke wijze aan de gedaagde partij heeft verstrekt. Verwijzingen naar bepalingen in haar algemene voorwaarden en naar de optie ‘veelgestelde vragen’ op de website volstaan niet. Daarom kan niet worden vastgesteld dat de eisende partij op juiste wijze aan haar precontractuele informatieverplichtingen heeft voldaan.

2.5.

Wat betreft de contractuele informatieverplichtingen heeft de eisende partij een e-mail overgelegd waarin zij de overeenkomst met de gedaagde partij heeft bevestigd. In deze e-mail, die als duurzame gegevensdrager kan worden aangemerkt, wordt op een aantal van de contractuele informatieverplichtingen expliciet gewezen. Dat geldt echter niet voor de ingangsdatum van de overeenkomst, zodat onduidelijk is binnen welke termijn de eisende partij zich verbindt de diensten te verlenen en per wanneer voor de gedaagde partij een betalingsverplichting ontstaat.

2.6.

Gelet op het voorgaande is de kantonrechter van oordeel dat niet (volledig) aan de verplichtingen van artikelen 6:230m lid 1 en 6:230v BW is voldaan.

2.7.

Gelet op de jurisprudentie van het HvJ EU moet de kantonrechter aan de schending van de informatieverplichtingen gevolgen verbinden door passende maatregelen te nemen die de consument effectieve rechtsbescherming bieden. Die maatregelen moeten doeltreffend, afschrikwekkend en evenredig zijn. Met het oog op deze Europeesrechtelijke beginselen ziet de kantonrechter aanleiding om de overeenkomst gedeeltelijk te vernietigen, te weten voor 25% van de door de gedaagde partij verschuldigde prijs. Daarbij wordt (mede) toepassing gegeven aan de artikelen 3:40 en 3:41 BW, en/of aan de artikelen 6:193d en 6:193f BW, omdat de schending van de informatieverplichtingen ook een oneerlijke handelspraktijk is. Dit betekent dat van de gevorderde hoofdsom van € 76,68 aan abonnementskosten, een bedrag van € 57,51 toewijsbaar is.

Het beroep op de algemene voorwaarden

2.8.

De gedaagde partij is een consument. Volgens vaste Europese rechtspraak is de Nederlandse rechter ambtshalve gehouden te toetsen of een beding in een consumentenovereenkomst waarover tussen partijen niet afzonderlijk is onderhandeld, zoals een beding in algemene voorwaarden, als een oneerlijk beding moet worden aangemerkt in de zin van Richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (hierna: de richtlijn) (zie onder andere HvJEU 30 mei 2013, ECLI:EU:C:2013:341).

2.9.

Op grond van artikel 3 van de richtlijn wordt een beding als oneerlijk beschouwd indien het, in strijd met de goede trouw, het evenwicht tussen de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van de partijen ten nadele van de consument aanzienlijk verstoort. De Nederlandse rechter dient deze toets (onder andere) te verrichten via de open norm van artikel 6:233 sub a BW en, meer in het bijzonder, de artikelen 6:236 en 6:237 BW. Op grond van de open norm is een beding in algemene voorwaarden vernietigbaar indien het onredelijk bezwarend is, gelet op de aard en overige inhoud van de overeenkomst, de wijze waarop de voorwaarden tot stand zijn gekomen, de wederzijds kenbare belangen en de overige omstandigheden van het geval.

2.10.

De eisende partij vordert op grond van artikel 10.1, in samenhang met artikel 10.5, van de algemene voorwaarden afsluitkosten à € 20,-. Bij vonnis van 27 mei 2020 (ECLI:NL:RBNHO:2020:3915, te vinden op rechtspraak.nl) heeft de kantonrechter de betreffende bedingen als oneerlijk aangemerkt. Het gedeelte van de vordering dat ziet op de afsluitkosten, zal dan ook worden afgewezen.

2.11.

De eisende partij vordert voorts op grond van artikel 22.6 van de algemene voorwaarden de restwaarde van de niet-geretourneerde Mediabox XL. De kantonrechter heeft bij vonnis van 13 mei 2020 (ECLI:NL:RBNHO:2020:3507, te vinden op rechtspraak.nl) artikel 12.6 van de algemene voorwaarden van de eisende partij (dat gelijkluidend is aan artikel 22.6 van de onderhavige algemene voorwaarden) als een oneerlijk beding aangemerkt. Gelet hierop wordt ook het gedeelte van de vordering dat ziet op de restwaarde van de Mediabox XL afgewezen. De subsidiair gevorderde schadevergoeding wordt afgewezen, omdat uit het arrest van het HvJ EU van 27 januari 2021 (ECLI:EU:C:2021:68) volgt dat de eisende partij, na vernietiging van een oneerlijk beding, geen aanspraak kan maken op de in een bepaling van aanvullend nationaal recht vastgestelde wettelijke schadevergoeding die zonder dat beding van toepassing zou zijn geweest.

Conclusie

2.12.

Een hoofdsom van € 57,51 is toewijsbaar. De buitengerechtelijke kosten zijn toewijsbaar over deze hoofdsom, tot een bedrag van € 40,00.

2.13.

De gevorderde wettelijke rente wordt toegewezen zoals onder de beslissing is opgenomen.

2.14.

De gedaagde partij wordt als de meest in het ongelijk gestelde partij met de proceskosten belast.

3 De beslissing

De kantonrechter:

3.1.

veroordeelt de gedaagde partij tot betaling aan de eisende partij van € 97,51, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 57,51 vanaf de vervaldata van de verschillende facturen tot aan de dag van de gehele betaling;

3.2.

veroordeelt de gedaagde partij tot betaling van de proceskosten, die de kantonrechter aan de kant van de eisende partij tot en met vandaag vaststelt op:

€ 86,85 wegens dagvaardingskosten,

€ 124,00 wegens griffierecht en

€ 37,00 wegens salaris gemachtigde;

3.3.

verklaart de veroordeling(en) in dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

3.4.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. I. de Greef en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.

De griffier De kantonrechter