Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2021:2186

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
23-03-2021
Datum publicatie
23-03-2021
Zaaknummer
C/15/313336 / KG ZA 21-80
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Vorderingen gebaseerd op Wet bescherming bedrijfsgeheimen afgewezen. Niet voldoende aannemelijk gemaakt dat sprake is van een bedrijfsgeheim als bedoeld in de wet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Insolventie

Zittingsplaats Haarlem

zaaknummer / rolnummer: C/15/313336 / KG ZA 21-80

Vonnis in kort geding van 23 maart 2021

in de zaak van

de vennootschap naar vreemd recht

HET BALJUWSCHAP GUERNSEY [A.] INTERNATIONAL AGENCIES LIMITED, handelend onder de naam International Philatelic Agencies,

gevestigd en kantoor houdende te Guernsey,(Groot-Brittannië),

eiseres,

advocaat mr. S.X.J. Zuidema te Heerlen,

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

KONINKLIJKE JOH. ENSCHEDÉ B.V.,

gevestigd en kantoor houdende te Haarlem,

2. de stichting STICHTING MUSEUM ENSCHEDÉ,

gevestigd en kantoor houdende te Haarlem,

3. de publiekrechtelijke rechtspersoon het openbaar lichaam op basis van gemeenschappelijke regeling NOORD-HOLLANDS ARCHIEF,

gevestigd en kantoor houdende te Haarlem,

gedaagden,

advocaat mr. V.C. Audiffred te Hoofddorp.

Partijen zullen hierna ook genoemd worden: eiseres IPA en gedaagden gezamenlijk Joh. Enschedé c.s. en ieder afzonderlijk Joh. Enschedé, het Museum en het Archief.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding met producties

  • -

    de brief met producties van de zijde van Joh. Enschedé c.s.

  • -

    de e-mail met een aanvullende productie van de zijde van IPA

  • -

    de mondelinge behandeling

  • -

    de pleitnota van IPA

  • -

    de pleitnota van Joh. Enschedé c.s.

1.2.

Bij gelegenheid van de mondelinge behandeling op 9 maart 2021 zijn verschenen namens IPA mr. Zuidema voornoemd en mr. F. de Vries.

Voorts is verschenen de heer [A.], bestuurder van IPA, die op afstand aanwezig is door middel van een beeld- en geluidverbinding omdat hij als gevolg van de geldende Corona maatregelen niet naar de rechtbank kon komen.

Namens Joh. Enschedé en het Museum zijn verschenen mevrouw [B.] en namens het Archief is de heer [C.] (directeur) verschenen, allen bijgestaan door mr. Audiffred voornoemd.

1.3.

De dagvaarding was mede uitgebracht namens de heer [A.] in privé, maar tijdens de mondelinge behandeling op 9 maart 2021 heeft mr. Zuidema meegedeeld dat de vorderingen met betrekking tot [A.] in privé worden ingetrokken.

1.4.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

IPA is een handelsagent in postzegels. Zij bemiddelt sinds 1975 wereldwijd voor Diensten der Posterijen bij het bestellen en drukken van postzegels.

2.2.

Joh. Enschedé is sinds circa 1703 een drukkerij. Tussen Joh. Enschedé en IPA heeft in ieder geval in de jaren ’70 en ’80 van de vorige eeuw een zakenrelatie bestaan. De zakenrelatie is uiteindelijk in 2010 geëindigd.

2.3.

Het Museum is het bedrijfsmuseum van Joh. Enschedé en heeft tot doel de geschiedenis van Joh. Enschedé te conserveren en uit te dragen.

2.4.

Joh. Enschedé heeft in 1992 een overeenkomst gesloten met het Museum waarbij zij haar oude bedrijfsarchief in eigendom heeft overgedragen aan het Museum.

2.5.

Het Archief is een historisch informatiecentrum voor de provincie Noord-Holland.

2.6.

Het Museum heeft bij overeenkomst van 2 december 2015 de volgende onderdelen van het bedrijfsarchief van Joh. Enschedé in bruikleen overgedragen aan het Archief:

het bedrijfsarchief, bankbiljetten, postzegels, Oprechte Haarlemsche Courant, aandelen en overig waardedrukwerk, letterproeven, bijbels, drukkerijarchief, foto’s, prenten en tekeningen, familiearchief, stempels, drukvormen en de bibliotheek.

Met een deel van deze collectie heeft het Archief een tentoonstelling samengesteld die normaal gesproken voor publiek toegankelijk is, maar nu als gevolg van de Covid-19 maatregelen gesloten is.

Van die tentoonstelling maakt de bedrijfsadministratie die ziet op de toenmalige zakenrelatie tussen Joh. Enschedé en IPA geen onderdeel uit. Deze informatie is uitsluitend op schriftelijke aanvraag en na het verkrijgen van een ontheffing van de directeur van het Archief in te zien.

2.7.

IPA hebben onlangs kennis genomen van de voorpublicatie van een boek getiteld ‘Postzegels van de Republiek Suriname’ (hierna: het boek), geschreven door [D.] (hierna: [D.]).

2.8.

[D.] heeft op 5 november 2019 aan het Archief inzage verzocht voor onderzoek in verband met een boekje waaraan hij bezig was over automaatboekjes gedrukt door Joh. Enschedé in opdracht van de Surinaamse Postereijen in de periode 1975-1990. In zijn aanvraag heeft hij verklaard dat hij uit die periode eerder de gegevens van twee jaar had mogen inzien. Op 7 februari 2020 is aan [D.] schriftelijk ontheffing verleend voor inzage van het historisch bedrijfsarchief van Joh. Enschedé, correspondentie en stukken betreffende het drukken van postzegels voor Suriname 1976-1990, de zegel collectie, modellenboekjes 1972-1992 en de collectie frankeerzegels 1976-1995. [D.] heeft in zijn boek IPA genoemd als de toenmalige handelsagent in Nederland van de Postereijen van Suriname in die tijd en heeft bij het schrijven onder meer gebruik gemaakt van correspondentie die indertijd gewisseld is tussen IPA en Joh. Enschedé over het drukken van bepaalde postzegelboekjes.

Een van de voorwaarden die verbonden was aan de aan [D.] verleende ontheffing was dat hij niet tot publicatie van gegevens uit archiefbescheiden zou overgaan dan na schriftelijke toestemming van de directeur van het Noord-Hollands Archief of zijn gemachtigde. [D.] heeft voor zijn publicatie geen toestemming gevraagd of gekregen.

3 Het geschil

3.1.

IPA vordert na vermindering van eis – samengevat - dat de voorzieningenrechter bij vonnis, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, (1) Joh. Enschedé c.s. ieder zal veroordelen binnen drie dagen na de datum van dit vonnis een schriftelijke, waarheidsgetrouwe en volledige opgave te doen van alle documenten, waaronder maar niet beperkt tot brieven, faxberichten, e-mails, contracten, offertes memo’s, etc., waarin IPA direct of indirect wordt genoemd en/of betreffende transacties waarbij IPA direct of indirect betrokken is geweest, alsmede schriftelijke, waarheidsgetrouwe en volledige opgave te doen van alle partijen aan wie Joh. Enschedé c.s. deze ter beschikking hebben gesteld, op straffe van een dwangsom,

(2) Joh. Enschedé c.s. ieder zal verbieden alle documenten, waaronder maar niet beperkt tot brieven, faxberichten, e-mails, contracten, offertes memo’s etc., waarin IPA direct of indirect wordt genoemd en/of betreffende transacties waarbij IPA direct of indirect betrokken is geweest, te gebruiken, delen en/of openbaar te maken, direct dan wel indirect, op straffe van een dwangsom, (3) Joh. Enschedé zal bevelen om binnen drie dagen na de datum van dit vonnis alle documenten, waaronder maar niet beperkt tot brieven, faxberichten, e-mails, contracten, offertes memo’s etc., waarin IPA direct of indirect wordt genoemd en/of betreffende transacties waarbij IPA direct of indirect betrokken is geweest, van het Museum en het Archief terug te nemen, op straffe van een dwangsom en onder gelijktijdig bevel aan het Museum en het Archief om deze stukken terug te geven aan Joh. Enschedé, eveneens op straffe van een dwangsom, (4) Joh. Enschedé c.s. zal veroordelen tot betaling van € 1.000,- ex btw, te vermeerderen met wettelijke rente ter zake van de buitengerechtelijke incassokosten en (5) Joh. Enschedé c.s. zal veroordelen in de proceskosten, de nakosten daaronder begrepen.

3.2.

IPA legt aan haar vordering ten grondslag dat Joh. Enschedé c.s. in strijd gehandeld hebben met de Wet bescherming bedrijfsgeheimen (WBB). Zij stelt dat Joh. Enschedé c.s. vertrouwelijke en waardevolle bedrijfsgeheimen van IPA openbaar gemaakt hebben zonder haar toestemming en dat dit onrechtmatig is jegens haar. IPA wijst er op dat zij recent aan de hand van een voorpublicatie van het boekje ‘Postzegelboekjes van de Republiek Suriname, Het filatelistische Walhalla voor de plaatfoutverzamelaar’ van [D.] ermee bekend geworden is dat bedrijfsgeheimen van haar, zonder haar toestemming, door Joh. Enschedé c.s. zijn gedeeld met [D.]. Zij voert aan dat [D.] de mogelijkheid heeft gekregen geheime bedrijfsinformatie van haar in te zien en deze in zijn publicatie heeft verwerkt. Zij voert aan dat de postzegelmarkt een kleine markt is waar iedereen op elkaar let en stelt dat door de openbaarmaking van deze informatie de wijze waarop zij zaken doet ‑ die in de loop der jaren niet is gewijzigd - duidelijk wordt voor concurrente postzegelhandelaren, waardoor zij een onmiddellijk risico loopt op onherstelbare schade. IPA verklaart dat zij recent met de publicatie van [D.] bekend geworden is en dat haar uit navraag bij [D.] is gebleken dat hij inzage heeft gehad in de volledige correspondentie van Joh. Enschedé over de periode van 1975 tot 2000 en benadrukt dat zij geen toestemming heeft gegeven om deze informatie inzichtelijk te maken. Zij benadrukt dat Joh. Enschedé deze informatie nooit aan het Museum had mogen overdragen en dat het Museum de informatie niet aan het Archief ter beschikking had mogen stellen, die die informatie thans openbaar maakt. In dat verband wijst zij op de aankondiging van de tentoonstelling over Joh. Enschedé in de Janskerk en voert zij aan dat deze aankondiging haar ertoe gebracht heeft om de onderhavige procedure aanhangig te maken en zo te voorkomen dat haar geheime bedrijfsinformatie verder publiekelijk inzichtelijk gemaakt wordt. Zij stelt dat het Archief, door het openbaar maken van de informatie, ook gehandeld heeft in strijd met artikel 15 lid 1 aanhef en onder c van de Archiefwet 1995. Deze bepaling houdt in ‘het anderszins voorkomen van onevenredige bevoordeling of benadeling van betrokken natuurlijke personen of rechtspersonen dan wel derden’ en deze verplichting is ook expliciet opgenomen in artikel 7 van de overeenkomst van bruikleen tussen het Museum en het Archief.

3.3.

Joh. Enschedé c.s. voeren verweer.

Joh. Enschedé verklaart dat zij niet langer de eigendom heeft van en/of de beschikking heeft over het oude bedrijfsarchief, omdat zij de eigendom daarvan al in 1992 heeft overgedragen aan het Museum. Zij stelt dat zij om die reden niet aan het gevorderde zou kunnen voldoen.

Het Museum voert aan dat zij niet de beschikking heeft over het bedrijfsarchief, omdat zij het in 2015 in bruikleen heeft gegeven aan het Archief en dat zij de stukken niet kan terughalen bij het Archief zolang het Archief zich houdt aan de inhoud van de overeenkomst. Zij voert aan dat zij om die reden niet aan het gevorderde zou kunnen voldoen.

Het Archief betwist dat zij onrechtmatig gehandeld heeft tegen IPA. Zij stelt dat zij op rechtmatige wijze de beschikking heeft gekregen over het bedrijfsarchief van Joh. Enschedé en dat de meest recente stukken die zij daaruit in haar bezit heeft dateren uit 2003. Zij betwist nadrukkelijk dat de informatie waar het in deze procedure om gaat onderdeel uitmaakt van de permanente tentoonstelling over Joh. Enschedé in de Janskerk en heeft benadrukt dat dergelijke informatie ook niet publiekelijk kan worden ingezien, maar uitsluitend na een gemotiveerd verzoek daartoe voor onderzoeksdoeleinden en na het verkrijgen van een ontheffing daarvoor van haar directeur. Zij erkent dat [D.] zich niet aan de voorwaarde uit die ontheffing heeft gehouden om geen informatie te publiceren dan na schriftelijke toestemming van haar directeur, maar voert aan dat haar geen middelen ter beschikking staan om hiertegen op te treden. Zij benadrukt dat een publicist zelf wel schadeplichtig kan worden.

Zij verklaart verder dat zij oude bedrijfsinformatie altijd ook uitsluitend opneemt met het doel daarin eventueel inzage te verlenen voor bepaalde onderzoeksdoeleinden, omdat zij er anders geen belang bij heeft de informatie op te nemen.

Joh. Enschedé c.s. hebben daarnaast betwist dat de correspondentie tussen IPA en Joh. Enschedé kwalificeert als bedrijfsgeheim in de zin van de WWB.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

IPR

4.1.

IPA heeft haar vestigingsplaats buiten Nederland. Daarom draagt de zaak een internationaal karakter en moeten eerst de vragen over de bevoegdheid van de voorzieningenrechter en het toepasselijke recht worden beantwoord. Nederland is lidstaat bij de in deze zaak toepasselijke Verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (herschikking)

(Vo Brussel I bis). Op grond van artikel 4 van deze verordening zijn internationaal bevoegd de gerechten van de lidstaat op het grondgebied waarvan verweerder woonplaats heeft. Joh. Enschedé c.s. zijn allen gevestigd in Nederland, zodat de Nederlandse rechter rechtsmacht toekomt. Zij zijn allen gevestigd in Haarlem zodat deze rechtbank relatief bevoegd is.

4.2.

Ten aanzien van het toepasselijk recht wordt het volgende overwogen. De vorderingen van IPA betreffen feitelijk een vordering uit hoofde van onrechtmatige daad. De Verordening (EG) nr. 864/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 11 juli 2007 betreffende het recht dat van toepassing is op niet-contractuele verbintenissen (Rome II) PbEG L 199/40 (hierna: de verordening Rome II) is van toepassing. Op grond van het bepaalde in artikel 4 van de verordening Rome II is in beginsel (1) op een onrechtmatige daad het recht van toepassing van het land waar de schade zich voordoet, ongeacht in welk land de schadeveroorzakende gebeurtenis zich heeft voorgedaan en ongeacht in welke landen de indirecte gevolgen van die gebeurtenis zich voordoen of (2) als degene wiens aansprakelijkheid in het geding is, en degene die schade lijdt, beiden hun gewone verblijfplaats in hetzelfde land hebben op het tijdstip waarop de schade zich voordoet, het recht van dat land. In artikel 4 lid 3 is echter bepaald dat als uit het geheel der omstandigheden blijkt dat de onrechtmatige daad een kennelijk nauwere band heeft met een ander dan het in de leden 1 en 2 bedoelde land, het recht van dat andere land van toepassing is en dat een kennelijk nauwere band met een ander land bijvoorbeeld zou kunnen berusten op een reeds eerder bestaande, nauw met de onrechtmatige daad samenhangende betrekking tussen de partijen, zoals een overeenkomst.

De door IPA gestelde onrechtmatige daad komt voort uit de omstandigheid dat tussen IPA en Joh. Enschedé in het verleden een zakenrelatie heeft bestaan, waaraan in Nederland uitvoering is gegeven. Om die reden bestaat er een kennelijk nauwere band met Nederland en is Nederlands recht van toepassing. Bovendien betreft de vordering het verkrijgen van een voorlopige maatregel die in Nederland moet worden uitgevoerd. Ook om die reden is Nederlands recht van toepassing.

Inhoudelijk

4.3.

De vorderingen van IPA strekken tot veroordeling van Joh. Enschedé c.s. tot het doen van opgave, een verbod tot (verder) delen, gebruiken of openbaar maken van de informatie en ten aanzien van Joh. Enschedé ook tot een verplichting om de informatie terug te nemen, met bevel aan het Museum en het Archief tot afgifte van de informatie. Joh. Enschedé heeft de informatie waar IPA op doelt niet meer in bezit omdat zij de eigendom daarvan in 1992 heeft overgedragen aan het Museum en het Museum heeft de informatie waarop wordt gedoeld momenteel ook niet in bezit omdat deze onderdeel is van de collectie zoals het Museum deze in 2015 bruikleen heeft overgedragen aan het Archief.

Toewijzing van de vordering tot het terugnemen van stukken door Joh. Enschedé zou dus betekenen dat het Museum dat deel van de bedrijfsinformatie terug zou moeten vragen van het Archief en daarna terug zou moeten leveren aan Joh. Enschedé. Toewijzing hiervan heeft dan ook een dusdanig verstrekkend gevolg dat dit in kort geding alleen mogelijk is als met voldoende mate van zekerheid kan worden aangenomen dat de bodemrechter, geconfronteerd met hetzelfde feitencomplex, de vordering eveneens zal toewijzen. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter doet die situatie zich hier niet voor. Daarbij wordt het volgende in overweging genomen.

4.4.

IPA heeft haar vorderingen gebaseerd op de Wet bescherming bedrijfsgeheimen (hierna: de WBB). Deze wet is op 23 oktober 2018 in werking getreden, zodat de gedragingen die IPA aan Joh. Enschedé en aan het Museum verwijt, uit respectievelijk 1992 en 2015, dateren van vóór de inwerkingtreding van de WBB. Noch de EU-richtlijn 2016/943, waarvan deze wet de codificatie is, noch de WBB heeft terugwerkende kracht, zodat de vorderingen van IPA niet rechtstreeks getoetst kunnen worden aan de richtlijn of aan de WBB. Omdat de richtlijn en de WBB een codificatie zijn van het leerstuk omtrent onrechtmatige verwerving van bedrijfsgeheimen, zal de voorzieningenrechter aan de hand van het beoordelingskader van het commune aansprakelijkheidsrecht de vorderingen toetsen maar daarbij de normen die tot uitdrukking gebracht zijn in de richtlijn en de WBB in zijn beoordeling betrekken.

4.5.

Joh. Enschedé c.s. hebben weersproken dat sprake is van een bedrijfsgeheim in de zin van de WBB. Daarom moet - uitgaande van de normen in de WBB - in de eerste plaats worden beoordeeld of sprake is van een bedrijfsgeheim in de zin van die wet. Een bedrijfsgeheim in zin van de WBB is informatie die geheim is in die zin dat zij, in de juiste samenstelling en ordening van de bestanddelen, niet algemeen bekend is bij of gemakkelijk toegankelijk is voor degenen die zich gewoonlijk bezig houden met dergelijke informatie; de informatie moet ook handelswaarde bezitten omdat zij geheim is en verder moet dit geheim ook zijn onderworpen aan redelijke maatregelen tot geheimhouding van de informatie.

4.6.

De informatie waar IPA op doelt is informatie die onderdeel uitmaakt van het oude bedrijfsarchief van Joh. Enschedé uit de jaren tot 1992. Dit bedrijfsarchief is op dit moment in bruikleen gegeven aan het Archief. De inhoud van de informatie die [D.] in zijn boek gebruikt heeft, betreft informatie over opdrachten van IPA aan Joh. Enschedé om een bepaalde hoeveelheid postzegelboekjes te drukken en dateert uit de jaren ‘70 en ‘80 van de vorige eeuw, derhalve van meer dan dertig jaar geleden.
IPA heeft gesteld dat deze informatie nog altijd handelswaarde heeft omdat deze informatie inzage geeft in haar handelswijze en daardoor als bedrijfsgeheim moet worden aangemerkt, maar zij heeft deze stelling niet nader onderbouwd en/of geconcretiseerd. In het licht van de betwisting door Joh. Enschedé en gelet op de omstandigheid dat de informatie al meer dan dertig jaar oud is, had zij dit wel moeten doen. Daarbij is ook van belang dat IPA zelf de geheime informatie niet heeft onderworpen aan redelijke maatregelen tot geheimhouding van die informatie. In de Memorie van Toelichting bij de WBB staat hierover het volgende: De richtlijn expliciteert niet wat onder dergelijke maatregelen moet worden verstaan. Een aantal technische en contractuele maatregelen met deze strekking ligt voor de hand: het opnemen van geheimhoudingsclausules in handelscontracten, het opnemen van geheimhoudingsbepalingen in arbeidsovereenkomsten en arbeidsreglementen, het expliciet benoemen of registreren van bedrijfsgeheimen (dat wil zeggen een organisatorische maatregel ter beveiliging, zoals een bepaling dat alleen sleutelfiguren in een bedrijf toegang hebben tot de geheimen of het verrichten van een i-depot) en het bewaken van het bedrijfsterrein of de betrokken installatie (Tweede Kamer, vergaderjaar 2017–2018, 34 821, nr. 3). IPA heeft niet aangevoerd dat zij indertijd in haar contacten met Joh. Enschedé een geheimhouding van de informatie bedongen heeft of dat zij op andere wijze maatregelen tot geheimhouding van die informatie heeft getroffen. Bij die stand van zaken wordt geoordeeld dat IPA onvoldoende aannemelijk gemaakt heeft dat sprake is van geheime bedrijfsinformatie, laat staan van een bedrijfsgeheim als bedoeld in de WBB.

4.7.

Alleen al daarom worden de vorderingen van IPA voor zover deze hun grondslag vinden in de WBB afgewezen. Dit betekent dat de vorderingen ingesteld tegen Joh. Enschedé en tegen het Museum al niet kunnen worden toegewezen.

4.8.

Ook de vorderingen ingesteld tegen het Archief worden afgewezen. Uit het voorgaande volgt al dat het Archief niet in strijd heeft gehandeld met de WBB, omdat niet aannemelijk is geworden dat sprake is van het openbaar maken van bedrijfsgeheimen als bedoeld in de WBB. IPA heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat het Archief anderszins onrechtmatig heeft gehandeld tegen haar. Het Archief heeft de bewuste informatie (in bruikleen) gekregen van het Museum, de eigenaar van de informatie. Het Archief heeft ook voldoende gemotiveerd aangevoerd dat de oude bedrijfsinformatie niet openbaar is in die zin dat deze voor een ieder valt in te zien, maar dat deze informatie alleen kan worden ingezien na een schriftelijk verzoek daartoe en ontheffing daarvoor van de directeur van het Archief. Door IPA is nog aangevoerd dat [D.] zich niet aan de voorwaarde van de ontheffing heeft gehouden en niet voorafgaande aan publicatie toestemming heeft gevraagd voor die publicatie bij het Archief, maar dat maakt de wijze waarop het Archief met de informatie is omgegaan nog niet onrechtmatig jegens IPA. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft het Archief op deze wijze ook voldaan aan de op haar rustende verplichting op grond van de Archiefwet 1995. Er was met betrekking tot deze informatie indertijd geen geheimhouding overeengekomen en IPA heeft op geen enkele wijze aannemelijk gemaakt dat het hier ging om informatie waarvan het Archief had moeten begrijpen dat deze na 30 jaar nog vertrouwelijk zou moeten blijven. De enkele stelling van IPA dat deze informatie voor postzegelhandelaren nog steeds belangrijk zou kunnen zijn treft geen doel, omdat hieruit niet volgt dat het Archief daarom had moeten begrijpen dat voor deze informatie geen ontheffing van de openbaarheidsbeperking had mogen worden gegeven.

4.9.

Uit hetgeen hiervoor is overwogen en beslist volgt dat de vorderingen van IPA worden afgewezen. IPA zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van dit geding.
Joh. Enschedé heeft nog gevorderd dat er bij de proceskostenveroordeling rekening mee wordt gehouden dat de vordering ingesteld door [A.] in privé pas tijdens de mondelinge behandeling is ingetrokken en dat zij hiertegen wel verweer heeft moeten voeren. In een kort geding als het onderhavige wordt over het algemeen in de proceskostenveroordeling 1 punt salaris van de advocaat toegekend. Daarbij maakt het, behoudens zeer bijzondere uitzonderingen die zich hier niet voordoen, geen verschil of het verweer gevoerd moet worden tegen één of meerdere eisende partijen. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding van die algemene lijn af te wijken. De kosten worden tot op heden aan de zijde van Joh. Enschedé c.s. begroot op:

vastrecht € 667,00

salaris advocaat € 1.016,00

Totaal € 1.683,00

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

wijst het gevorderde af;

5.2.

veroordeelt IPA tot betaling aan Joh. Enschedé c.s., hoofdelijk in die zin dat zij aan de een betalende zij jegens de anderen zal zijn gekweten, van een bedrag van € 1.683,00;

5.3.

verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. W.S.J. Thijs en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier C. Vis-van Zanden op 23 maart 2021.1

1 type: 1155 coll: