Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2021:2170

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
18-03-2021
Datum publicatie
18-03-2021
Zaaknummer
15/870995-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Openlijke geweldpleging. Twee slachtoffers met zeer ernstig hersenletsel. Overwegingen over de redelijke termijn: maatstaf is in casu tweeënhalf jaar.

Strafmaatoverwegingen uitmondend in oplegging van een gevangenisstraf die aanzienlijk zwaarder is dan geëist door de officier van justitie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Team Straf, zittingsplaats Haarlem

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/870995-17 (P)

Uitspraakdatum: 18 maart 2021

Tegenspraak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 25 februari 2021 en 4 maart 2021 in de zaak tegen:

[de verdachte] ,

geboren op [geboortedatum en -plaats] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres

[adres] .

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie

mr. E. Visser en van hetgeen de verdachte en zijn raadsman, mr. R. Polderman, advocaat te Alkmaar, naar voren hebben gebracht.

1 Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 6 mei 2017 te Egmond aan Zee, gemeente Bergen (NH), openlijk, te weten op de Boulevard en/of het Vuurtorenplein, in elk geval op of aan de openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats, in vereniging, geweld heeft gepleegd tegen (een) perso(o)n(en), te weten [de aangever 1] en/of [de aangever 2] en/of [de aangever 3] , door (één van) hen (meermalen) tegen het gezicht/hoofd en/of (boven)lichaam te duwen, slaan en/of schoppen, terwijl dit door hem gepleegde geweld zwaar lichamelijk letsel, althans enig lichamelijk letsel, te weten een hersenbloeding en/of een hersenkneuzing en/of een kaakbreuk en/of een schedelbreuk, voor [de aangever 2] en [de aangever 3] ten gevolge heeft gehad.

2 Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3 Beoordeling van het bewijs

3.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het impliciet primair ten laste gelegde feit, te weten openlijke geweldpleging, waarbij het door de verdachte gepleegde geweld zwaar lichamelijk letsel tot gevolg heeft gehad bij in ieder geval één slachtoffer, waarschijnlijk aangever [de aangever 3] . Aldus de officier van justitie.

3.2.

Standpunt van de verdediging

De raadsman van de verdachte heeft zich ter terechtzitting op het standpunt gesteld dat alleen bewezen kan worden verklaard dat de verdachte openlijk geweld heeft gepleegd ten aanzien van [de aangever 1] . De verdachte dient partieel te worden vrijgesproken van de openlijke geweldpleging tegen de aangevers [de aangever 3] en [de aangever 2] , omdat de verdachte het door hem gepleegde geweld tegen aangever [de aangever 2] niet in vereniging heeft gepleegd en de verdachte geen significante bijdrage heeft geleverd aan het geweld van [de medeverdachte 1] tegen aangever [de aangever 3] .

3.3.

Oordeel van de rechtbank

3.3.1.

Vrijspraak impliciet primair ten laste gelegde feit

Naar het oordeel van de rechtbank is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte impliciet primair ten laste is gelegd, zodat hij daarvan moet worden vrijgesproken. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

Om de strafverzwarende omstandigheid van zwaar lichamelijk letsel of enig lichamelijk letsel te bewijzen, moet duidelijk zijn dat de verdachte het concreet in de tenlastelegging aangeduide letsel heeft veroorzaakt. Nu uit de stukken van het dossier echter niet met zekerheid kan worden afgeleid dat het door de verdachte gepleegde geweld het in de tenlastelegging omschreven zwaar lichamelijk letsel bij de aangevers [de aangever 2] en [de aangever 3] ten gevolge heeft gehad, spreekt de rechtbank de verdachte hiervan vrij.

3.3.2.

Redengevende feiten en omstandigheden

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het impliciet subsidiair ten laste gelegde feit op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen die in de bijlage bij dit vonnis zijn opgenomen.

3.3.3.

Bewijsmotivering impliciet subsidiair ten last gelegde feit

Ten aanzien van het door de raadsman van de verdachte gevoerde verweer dat de verdachte partieel moet worden vrijgesproken van de openlijke geweldpleging tegen de aangevers [de aangever 3] en [de aangever 2] overweegt de rechtbank als volgt.

Bij openlijk geweld kunnen zich verschillende vormen van handelen ‘in vereniging’ voordoen. Er kan sprake zijn van evident nauw en bewust samenwerken, maar artikel 141 van het Wetboek van Strafrecht ziet mede op openlijk geweld dat bestaat uit een meer diffuus samenstel van uiteenlopende geweldshandelingen en dat plaatsvindt binnen een ongestructureerd, mogelijk spontaan samenwerkingsverband met een eigen – soms moeilijk doorzichtige – dynamiek. Bij geweldshandelingen binnen een ongestructureerd, mogelijk spontaan ontstaan samenwerkingsverband kan uit de omstandigheid dat de verdachte zich ervan bewust was dat ook anderen deelnamen aan de openlijke geweldpleging worden afgeleid dat de verdachte opzet had op het in vereniging plegen van geweld.

Uit de bewijsmiddelen blijkt dat de verdachte onderdeel is geweest van een groep die een andere groep heeft aangevallen en dat hij zich hiervan bewust was. De verdachte heeft tevens met zijn handelen een significante en wezenlijke bijdrage geleverd aan het geweld tegen de slachtoffers. De rechtbank is daarom van oordeel dat is voldaan aan de hiervoor bedoelde maatstaf en komt dan ook tot een bewezenverklaring van het in vereniging plegen van de geweldshandelingen. Dat de verdachte niet op voorhand wist hoe de medeverdachten zich zouden gaan mengen in het geweld doet aan dit oordeel niet af.

3.4.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het impliciet subsidiair ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat

hij op 6 mei 2017 te Egmond aan Zee, gemeente Bergen (NH), openlijk, te weten op het Vuurtorenplein, in vereniging, geweld heeft gepleegd tegen personen, te weten [de aangever 1] en [de aangever 2] en [de aangever 3] , door hen meermalen tegen het hoofd te slaan en te schoppen.

Hetgeen aan de verdachte impliciet subsidiair meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4 Kwalificatie en strafbaarheid van het feit

Het impliciet subsidiair bewezenverklaarde levert op:

openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is derhalve strafbaar.

5 Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is derhalve strafbaar.

6 Motivering van de sanctie

6.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte, gezien de ernst van het feit enerzijds, en de overschrijding van de redelijke termijn van berechting anderzijds, zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van acht maanden, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.

6.2.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit dat rekening moet worden gehouden met de omstandigheid dat de verdachte zijn aandeel erkent, zich verantwoordelijk voelt en spijt heeft betuigd. Dit blijkt ook uit het betalen van een schadevergoeding aan de slachtoffers. De verdachte heeft zijn leven op de rit en de kans op herhaling is laag. Verder moet volgens de raadsman rekening worden gehouden met de jeugdige leeftijd van de verdachte, de lange duur van de procedure en het advies van de reclassering. Deze acht gevangenisstraf niet wenselijk, gelet op de positieve ontwikkeling die de verdachte heeft doorgemaakt. Gelet hierop heeft de raadsman verzocht een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen, die in duur gelijk is aan de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, en daarnaast een taakstraf.

6.3.

Oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de sanctie die aan de verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, de gevolgen daarvan voor de slachtoffers, alsmede de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.

De ernst van het feit

De verdachte heeft zich samen met zijn twee medeverdachten schuldig gemaakt aan openlijke geweldpleging tegen drie nietsvermoedende slachtoffers. Twee van deze slachtoffers hebben daaraan zwaar hoofd- en hersenletsel overgehouden. De verdachte is samen met de medeverdachten achter de drie slachtoffers aangelopen, toen deze na een avond uit terug naar hun hotel liepen. Ze hebben de slachtoffers van achter neergeslagen, waardoor deze op de grond vielen. Gezien de verklaringen van zowel de slachtoffers als de verdachten over de korte duur van de aanval en het overwegend zeer zware letsel dat de slachtoffers daarbij hebben opgelopen, is het voor de rechtbank volstrekt duidelijk dat dit een explosie van ongecontroleerd en uitzinnig geweld moet zijn geweest. Er zijn voldoende aanknopingspunten om aan te nemen dat het niet is gebleven bij de relatief beperkte geweldshandelingen waarover de verdachte zelf heeft verklaard. Dit kan worden afgeleid uit de aangiftes, de aard van het geconstateerde letsel en de wijze waarop twee slachtoffers liggend op hun buik door opsporingsambtenaren werden aangetroffen, bezien tegen de achtergrond van de zeer korte duur van de geweldpleging. Het geweld is bovendien in overwegende mate gericht geweest op de hoofden van de slachtoffers. De verklaringen van de verdachte en een medeverdachte dat er een confrontatie is geweest tussen de twee groepen, dat er duw- en trekwerk heeft plaatsgevonden en dat de Duitse mannen geprobeerd hebben zich te verdedigen, vinden geen enkele steun in de gebezigde bewijsmiddelen. De aanval is zonder enige aanleiding gepleegd en de slachtoffers hebben geen enkele kans gehad om zichzelf tegen het zeer hevige geweld te verdedigen. De verdachten hebben de slachtoffers vervolgens voor dood achtergelaten op een donkere plek. Geen van de verdachten heeft hulp geboden of het alarmnummer gebeld. Zelfs niet nadat zij moeten hebben gezien dat twee van de drie slachtoffers bewegingloos op de grond bleven liggen. De verdachten zijn weggerend en hebben zich vervolgens stilgehouden.

Het letsel van de slachtoffers

De slachtoffers zijn door de politie gevonden nadat het slachtoffer [de aangever 1] gelukt is het alarmnummer te bellen. Ze zijn met spoed naar het ziekenhuis vervoerd. Uit medische informatie blijkt dat het slachtoffer [de aangever 1] het minste letsel heeft opgelopen. Hij had een hersenschudding, een snee in zijn lip en blauwe plekken in zijn gezicht, op zijn achterhoofd en schouder. Uit zijn eigen verklaring blijkt dat hij nog een tijdlang hoofdpijn heeft gehad en een week arbeidsongeschikt is geweest.

De andere twee slachtoffers zijn er zeer slecht aan toe geweest. Uit de medische informatie van slachtoffer [de aangever 3] blijkt dat hij naast een dikke lip en wonden en bloeduitstortingen aan zijn hoofd, een slagaderlijke bloeding in de hersenen heeft gehad, waarbij zich bloed ophoopte tussen het schedelbot en het buitenste hersenvlies. Ter hoogte van de hersenbloeding had hij een breuk in de schedel aan de rechterkant. Daarnaast waren zijn linker bovenkaak en jukbeen gebroken en had hij een hersenkneuzing. Vanwege de hersenbloeding verkeerde hij in levensgevaar en moest hij direct worden geopereerd. Uit zijn schriftelijke slachtofferverklaring blijkt dat hem is gezegd dat, als hij een uur later zou zijn geopereerd, hij het niet zou hebben overleefd. Toen hij nog in het ziekenhuis lag, merkte [de aangever 3] dat hij doof werd. Hij heeft nog steeds last van tinnitus en een doof gevoel op zijn hoofd. Hij heeft iets meer dan twee weken in het ziekenhuis gelegen. Hij heeft na ontslag uit het ziekenhuis nog maanden fysiotherapie gehad. Later heeft hij ook psychische klachten ontwikkeld en werd een post traumatische stress stoornis vastgesteld. Hiervoor is hij al door verschillende psychologen behandeld. Hij heeft nog steeds moeite met multitasken en het heeft meer dan een jaar geduurd voordat hij zijn werk weer kon doen zoals voor het incident. Onlangs is vastgesteld dat hij nog steeds een hersenkneuzing heeft. Als gevolg hiervan heeft hij epileptische aanvallen, waarvoor hij medicijnen moet slikken.

Het derde slachtoffer, [de aangever 2] , had volgens de medische informatie een wond aan zijn bovenlip die gehecht moest worden, een bloeduitstorting op het achterhoofd en een snijwond die gelijmd is. Daarnaast had hij een gebroken nekwervel, een gebroken schedel, een kneuzing van zijn hersenen, een bloeding rond of in de hersenen onder het spinnenwebvlies, een bloeding tussen het spinnenwebvlies en het harde hersenvlies en kneuzingen van de voorste hersenkwab. Het gedeelte van de hersenen waar de hersenkneuzing werd geconstateerd, regelt het aansturen van het gedrag, waardoor het zeer goed mogelijk is dat [de aangever 2] gedragsproblemen zal ondervinden in de toekomst. Daarnaast heeft hij moeite met het onthouden van informatie. Uit de schriftelijke slachtofferverklaring van [de aangever 2] blijkt dat hij geen herinneringen meer heeft aan de eerste dagen na het incident. Hij heeft geen reukzin meer en dit zal ook niet meer herstellen. Hij heeft twee weken in het ziekenhuis gelegen en daarna nog drie weken verbleven in een revalidatiecentrum. Vervolgens heeft hij nog acht maanden fysiotherapie gehad. Hij is geruime tijd arbeidsongeschikt geweest. Over de eindsituatie is niets bekend.

Als vaststaand moet worden aangenomen dat de verdachte een groot aandeel had in het veroorzaken van dit letsel bij de slachtoffers.

Overige relevante aspecten

Uit het dossier is op te maken dat de gebeurtenis enorme beroering en onrust heeft veroorzaakt in Egmond. Zelfs zodanig dat de lokale ondernemersvereniging een beloning van € 5.000,- heeft uitgeloofd voor de tip die zou leiden tot aanhouding en veroordeling van de daders. Deze oproep leverde echter geen informatie op. De verdachte en zijn mededaders hebben zich niet bij de politie gemeld, maar hebben zich in onderlinge afstemming onttrokken aan de opsporing. Ze hebben, in de wetenschap dat de gevolgen van het gepleegde geweld buitengewoon ernstig waren, afgewacht totdat ze na 2,5 maanden door de politie werden aangehouden. Uit de verklaringen van betrokkenen, onder wie enkele verdachten, wordt duidelijk dat het melden bij de politie onderwerp van gesprek is geweest en dat zij er bewust voor hebben gekozen hiervan af te zien.

Dit alles laat geen andere conclusie toe dan dat er sprake is geweest van openlijk geweld van de buitencategorie waarvoor de verdachte aanvankelijk geen enkele, en later beperkte, verantwoordelijkheid heeft willen nemen.

Conclusie

Ter zitting heeft de verdachte gesproken over zijn persoonlijke omstandigheden. Het gaat goed met hem, hij heeft de training alcohol en geweld voltooid, hij is aan het werk en heeft zijn leven op orde. De reclassering acht het vanwege de positieve ontwikkeling die de verdachte heeft doorgemaakt niet wenselijk dat hem een onvoorwaardelijke gevangenisstraf wordt opgelegd. Hoewel de rechtbank oog heeft voor deze omstandigheden, vallen deze in het niet bij de ernst van het bewezenverklaarde en de blijvende schade die is aangericht bij de slachtoffers. Daar komt in het geval van de verdachte nog in zijn nadeel bij dat hij blijkens het op zijn naam staand Uittreksel Justitiële Documentatie, gedateerd 9 februari 2021, eerder een transactie heeft aanvaard wegens mishandeling.

De slotsom luidt dat de strafeis van de officier van justitie volstrekt geen recht doet aan de ernst van de feiten en de overige in aanmerking te nemen omstandigheden. Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat bij wijze van uitgangspunt een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden passend en geboden is.

Redelijke termijn

Met de officier van justitie en de raadsman van de verdachte ziet de rechtbank in het tijdsverloop in deze zaak aanleiding om ten voordele van de verdachte hiervan af te wijken.

In artikel 6, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) is het recht van iedere verdachte gewaarborgd om binnen een redelijke termijn te worden berecht. Als uitgangspunt heeft hierbij te gelden dat de behandeling van een zaak ter terechtzitting moet zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaren nadat de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden, zoals de ingewikkeldheid van de zaak, de invloed van de verdachte op het procesverloop en de wijze waarop de zaak door de bevoegde autoriteiten is behandeld (vgl. ECLI:NL:HR:2008:BD2578).

De rechtbank stelt vast dat de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn is aangevangen op 17 juli 2017, omdat de verdachte op die dag in verzekering is gesteld. De verdachte kon daaraan in redelijkheid de verwachting ontlenen dat tegen hem strafvervolging zou worden ingesteld. Het eindvonnis wordt heden, op 18 maart 2021, gewezen. Bij de berekening van de maatstaf voor de redelijke termijn heeft de rechtbank rekening gehouden met de complexiteit van de zaak. Door tussentijdse ontwikkelingen (in het bijzonder nieuwe of gewijzigde verklaringen en aanvullende informatie over rol en aandeel van elk van de geweldplegers) heeft de officier van justitie drie maal een vordering bij de rechter-commissaris gedaan voor nader onderzoek. Daarop is telkens toewijzend beslist en hebben vervolgens vele getuigenverhoren plaatsgevonden. Tussen de eerste vordering van de officier van justitie aan de rechter-commissaris op 17 juli 2018 en het laatste getuigenverhoor op 28 januari 2020 is sprake geweest van tijdverloop van ongeveer anderhalf jaar. Daaraan voorafgaand is sprake geweest van intensief opsporingsonderzoek waarbij één van de slachtoffers pas op 8 november 2017 kon worden gehoord. Ervan uitgaand dat daarnaast met het aanbrengen en berechten van de zaak enige tijd is gemoeid, acht de rechtbank het passend om uit te gaan van een termijn van tweeënhalf jaar waarbinnen tot een eindvonnis had moeten worden gekomen. De rechtbank stelt, anders dan de raadsman en de officier van justitie, de duur van de overschrijding van de redelijke termijn daarom vast op één jaar en twee maanden. Regel is dat overschrijding van de redelijke termijn wordt gecompenseerd door vermindering van de straf die zou zijn opgelegd als de redelijke termijn niet zou zijn overschreden. De overschrijding van de redelijke termijn resulteert in deze zaak erin dat de rechtbank de duur van de op te leggen gevangenisstraf zal verminderen met drie maanden.

7 Toepasselijke wettelijke voorschriften

Artikel 141 van het Wetboek van Strafrecht is van toepassing.

8 Beslissing

De rechtbank:

Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte impliciet primair is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat de verdachte het impliciet subsidiair ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4. weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte impliciet subsidiair meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.

Bepaalt dat het impliciet subsidiair bewezen verklaarde feit het hierboven onder 4. vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart de verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 21 (eenentwintig) maanden.

Bepaalt dat de tijd die de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Heft op het reeds geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. R.M. Steinhaus, voorzitter,

mr. K.I. de Jong en mr. N.M.L. Rogmans, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier mr. A.D. Renshof,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 18 maart 2021.

mr. K.I. de Jong en de griffier zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.