Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2021:2168

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
13-01-2021
Datum publicatie
20-04-2021
Zaaknummer
C/15/298175 / HA ZA 20-29
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

erfrechtzaak. Geschil tussen kinderen afwikkeling nalatenschappen beide ouders. Onttrekkingen, verdeling, salaire differé (4:36 BW).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ERF-Updates.nl 2021-0118
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Bewind

Zittingsplaats Alkmaar

zaaknummer / rolnummer: C/15/298175 / HA ZA 20-29

Vonnis van 13 januari 2021

in de zaak van

1 [eiser] ,

wonende te [woonplaats 1] ,

2. [eiser],

wonende te [woonplaats 2] ,

3. [eiser],

wonende te [woonplaats 2] ,

4. [eiser],

wonende te [woonplaats 3] ,

eisers in conventie,

verweerders in reconventie,

advocaat mr. Q.A.L.M. Gijsbers te Amsterdam,

tegen

1 [gedaagde] ,

wonende te [woonplaats 4] ,

gedaagde in conventie,

eiser in reconventie,

advocaat mr. L. Bosch te Hoorn NH,

2. [gedaagde],

wonende te [woonplaats 5] ,

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

advocaat mr. L. Bosch te Hoorn NH,

3. [gedaagde],

wonende te [woonplaats 6] ,

gedaagde in conventie,

niet verschenen,

4. [gedaagde],

wonende te [woonplaats 2] ,

gedaagde in conventie,

niet verschenen.

Partijen zullen hierna afzonderlijk bij hun voornaam aangeduid worden, achtereenvolgens als:

[sss] , [ttt] , [uuu] , [vvv] , [www] , [xxx] , [yyy] en [zzz] . Eisers in conventie worden hierna tezamen aangeduid als [eisers] Gedaagden in conventie zullen hierna tezamen aangeduid worden als [gedaagden]

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 30 december 2019 met producties;

  • -

    het tegen [yyy] en [zzz] verleende verstek;

  • -

    de conclusie van antwoord tevens eis in reconventie met producties van de zijde van

[www] en [xxx] ;

- het ambtshalve gewezen tussenvonnis van 11 maart 2020 waarbij een mondelinge

behandeling is gelast;

  • -

    het proces-verbaal van de op 1 september 2020 gehouden mondelinge behandeling en de daarin genoemde processtukken en proceshandelingen;

  • -

    de akte na comparitie met producties van de zijde van [www] en [xxx] ;

  • -

    de brief van 16 september 2020 van de zijde van [eisers] in reactie op het proces-verbaal;

  • -

    de instemmende reactie daarop van [www] en [xxx] bij rolbericht van

17 september 2020;

- de antwoordakte na comparitie van zijde van [eisers]

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Partijen zijn de kinderen van de op [sterfdatum] 2016 overleden [erflaatster] (hierna: erflaatster) en de op [sterfdatum] 2017 overleden [erflater] (hierna: erflater).

2.2.

Erflaatster heeft bij akte van 11 november 2014 een levenstestament opgemaakt en daarbij een volmacht verstrekt aan [www] en [xxx] . In de akte is onder meer het navolgende opgenomen:

“VOLMACHT VERMOGENSRECHTELIJKE ZAKEN

Ik geef, voor wat betreft alle vermogensrechtelijke zaken, volmacht aan:

mijn echtgenoot, (..)

Indien mijn echtgenoot niet (meer) als zodanig kan of wil fungeren, dan benoem ik

in zijn plaats tot gevolmachtigde(n):

- mijn zoon, de heer [gedaagde 1] , (..) en

- mijn dochter, mevrouw [gedaagde 2] ;

(..)

VERMOGENSRECHTELIJKE VOLMACHT

De rechtshandelingen betreffen:

Beheer en administratie

a. Bedragen, onverschillig of zij het karakter van inkomsten of van kapitaal dragen, te ontvangen en daarvoor kwijting te geven en om tegen betaling te bewilligen in het opheffen van elke zekerheid, welke dan ook.

b. Bankrekeningen te openen, te voeren en op te heffen, bedragen te storten en op te nemen, derhalve het volledig beschikken over bankrekeningen, inclusief het bestellen van contanten, cheques te trekken, te kwiteren en te endosseren, fondsen en waarden te deponeren en terug te nemen.

(..)

WENSEN VOOR WAT BETREFT HET DOEN VAN SCHENKINGEN

Schenkingen aan natuurlijke personen

Het is mijn wens dat de gevolmachtigde uit een oogpunt van nalatenschapsplanning giften doet aan mijn toekomstige erfgenamen ook wanneer er geen sprake is van een schenkingstraditie.

In dat verband meld ik dat op dit moment mijn toekomstige erfgenamen zijn:

mijn echtgenoot en mijn kinderen.

(..)

Het is daarbij de bedoeling dat, indien mijn genoemde kinderen de gevolmachtigden zijn, iedere staak gelijk behandeld wordt.

ONHERROEPELIJKHEID VAN DE VOLMACHT

Deze volmacht eindigt niet door mijn overlijden, doch eindigt wel op het moment dat de executeur in functie is.

(..)

REKENING EN VERANTWOORDING

1. De gevolmachtigde hoeft geen rekening en verantwoording af te leggen tijdens mijn leven. Wanneer mijn kinderen die tot gevolmachtigden zijn aangewezen, zonder mij, dan morgen zij op eigen initiatief wel rekening en verantwoording afleggen indien zij dit wensen. Dit dient wel te geschieden bij het einde van de volmacht. De volmacht loopt door na overlijden tot de executeur in functie is.

2. De gevolmachtigde heeft een administratieplicht van alle handelingen die hij als gevolmachtigde namens mij verricht of namens mij laat verrichten.

3. De gevolmachtigde is bevoegd met betrekking tot mijn zaken - mits dit naar zijn oordeel noodzakelijk is - openheid van zaken te geven aan derden. Onder derden versta ik in deze niet mijn erfgenamen.

4. De gevolmachtigde is niet verplicht om rekening en verantwoording af te leggen aan mij, tenzij ik om rekening en verantwoording verzoek. De gevolmachtigde is niet verplicht rekening en verantwoording af te leggen aan mijn erfgenamen, tenzij een van mijn erfgenamen, daar om verzoekt.”

2.3.

Zowel erflater als erflaatster hebben op 11 november 2014 bij testament over hun nalatenschap beschikt. Beiden hebben de wettelijke verdeling van toepassing verklaard en elkaar over en weer tot executeur benoemd, althans in plaats van de langstlevende [www] en [xxx] tezamen als executeur. In beide testamenten is ten aanzien van de executeursbenoeming onder meer het navolgende opgenomen:

“2. Taken

De executeur heeft tot de goederen van de nalatenschap te beheren, de vorderingen te innen en de schulden van de nalatenschap te voldoen die tijdens zijn beheer uit die goederen behoren te worden voldaan.(..)

3. Boedelbeschrijving

De executeur is verplicht met bekwame spoed, zo mogelijk binnen zes (6) maanden, na mijn overlijden ten behoeve van mijn erfgenamen een boedelbeschrijving met inbegrip van een voorlopige staat van schulden van de nalatenschap op te maken. (..)

4. Vertegenwoordiging

Gedurende zijn beheer vertegenwoordigt de executeur bij de vervulling van zijn taak de erfgenamen. De executeur kan ook als wederpartij van zichzelf optreden.(..)

6. Te gelde maken goederen

De executeur is bevoegd de door hem beheer goederen te gelde te maken, voor zover dit nodig is voor de tot zijn taak behorende voldoening van schulden van de nalatenschap. De executeur treedt omtrent de keuze van de te gelde te maken goederen en de wijze van tegeldemaking niet in overleg met de erfgenamen. De executeur heeft voor de tegeldemaking van een goed geen toestemming van de erfgenamen nodig. (..)

8. Loon

De executeur heeft voor zijn werkzaamheden geen recht op loon. De door de executeur in de uitoefening van zijn taak gemaakte kosten komen ten laste van de nalatenschap.(..)

10. Rekening en verantwoording

De executeur moet jaarlijks en bij het einde van zijn werkzaamheden aan de erfgenamen of zijn opvolger rekening en verantwoording afleggen van het beheer van de nalatenschap.”

2.4.

De bezittingen van erflaatster zijn na haar overlijden overgegaan naar erflater als

langstlevende.

2.5.

Partijen zijn erfgenamen voor gelijke delen in zowel de nalatenschap van erflaatster als die van erflater.

2.6.

[www] en [xxx] zijn executeur in de nalatenschap van erflaatster en erflater.

2.7.

Medio april 2016 is erflater in een verzorgingstehuis opgenomen.

3 Het geschil

in conventie

3.1.

[eisers] vorderen samengevat na vermeerdering en vermindering van eis– dat de rechtbank bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis:

I. voor recht verklaart dat [www] en [xxx] onrechtmatig hebben gehandeld jegens de erfgenamen (waaronder eisers) in de nalatenschap van erflater en uit dien hoofde [www] en [xxx] , ieder hoofdelijk, veroordeelt aan de nalatenschap een bedrag van € 3.883,95 te voldoen, des dat de een betalend de ander zal zijn bevrijd, althans een door de rechtbank in goede justitie vast te stellen bedrag, binnen 5 dagen na betekening van het ten deze te wijzen vonnis, middels overmaking op de ervenrekening in de nalatenschappen van erflater(s), vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag, vanaf het opeisbaar worden van dat bedrag tot aan de dag der algehele voldoening, te voldoen binnen 5 dagen na betekening van het vonnis;

II. [www] en [xxx] , ieder hoofdelijk, veroordeelt tot het overleggen van alle bankafschriften van alle (erven)rekeningen, inclusief de basisbankrekening, voor zover dit nog niet is gedaan, over de periode vanaf het overlijden van erflaatster tot aan de dag dat deze rekeningen zullen zijn opgeheven, zulks te voldoen binnen 5 dagen na betekening van het ten deze te wijzen vonnis, dan binnen 5 dagen na het beschikbaar komen van het betreffende bankafschrift, zulks op straffe van een dwangsom van € 100,-- per (gedeelte van een) dag dat gedaagden in gebreke blijven aan dit vonnis te voldoen;

III. voor recht verklaart dat [www] en [xxx] onrechtmatig hebben gehandeld jegens de erfgenamen (waaronder eisers) in de nalatenschap van erflaatster en uit dien hoofde [www] en [xxx] , ieder hoofdelijk, veroordeelt aan de nalatenschap een bedrag van € 9.270,-- te voldoen, des dat de een betalend de ander zal zijn bevrijd, althans een door de rechtbank in goede justitie vast te stellen bedrag, binnen 5 dagen na betekening van het ten deze te wijzen vonnis, middels overmaking op de ervenrekening in de nalatenschappen van erflater(s);

IV. voor recht verklaart dat [www] en [xxx] onrechtmatig hebben gehandeld jegens de erfgenamen (waaronder eisers) in de nalatenschap van erflater en uit dien hoofde [www] en [xxx] , ieder hoofdelijk, veroordeelt, aan de nalatenschap een bedrag van € 9.700,-- te voldoen, des dat de een betalend de ander zal zijn bevrijd, althans een door de rechtbank in goede justitie vast te stellen bedrag, binnen 5 dagen na betekening van het ten deze te wijzen vonnis, middels overmaking op de ervenrekening in de nalatenschappen van erflater(s);

V. voor recht verklaart dat [www] en [xxx] en [yyy] in al hun hoedanigheden

onrechtmatig hebben gehandeld jegens de erfgenamen (waaronder eisers) in de nalatenschap van erflater en uit dien hoofde [www] en [xxx] en [yyy] ieder hoofdelijk veroordeelt aan de nalatenschap een totaalbedrag van € 21.620,03 (€ 13,111,03 en € 8.509,--), te voldoen, des dat de een betalend de ander zal zijn bevrijd, althans een door de rechtbank in goede justitie vast te stellen bedrag, binnen 5 dagen na betekening van het ten deze te wijzen vonnis, middels overmaking op de ervenrekening in de nalatenschappen van erflater(s);

VI. voor recht verklaart dat [www] en [xxx] onrechtmatig hebben gehandeld jegens de erfgenamen (waaronder [eisers] ) in de nalatenschappen van erflaatster en erflater en uit dien hoofde [www] en [xxx] , ieder hoofdelijk, veroordeelt aan de nalatenschap een bedrag van
€ 1.220,-- te voldoen, des dat de een betalend de ander zal zijn bevrijd, althans een door de rechtbank in goede justitie vast te stellen bedrag, binnen 5 dagen na betekening van het ten deze te wijzen vonnis, middels overmaking op de ervenrekening in de nalatenschap van erflaters;

VII. [www] en [xxx] ieder hoofdelijk, des dat de een betalend de ander zal zijn bevrijd, veroordeelt tot betaling van de wettelijke rente over de onder III, IV en VI genoemde bedragen, vanaf het opeisbaar worden van die bedragen tot aan de dag der algehele voldoening, te voldoen binnen 5 dagen na betekening van het ten deze te wijzen vonnis;

VIII. voor recht verklaart dat [www] en [xxx] (en [yyy] ) onrechtmatig hebben gehandeld jegens de erfgenamen (waaronder eisers) in de nalatenschappen van erflaatster en erflater door het ten onrechte in rekening brengen van diverse kosten ten laste van de nalatenschap van erflater, voor in totaal een bedrag ad € 2.454,05 en [www] en [xxx] (en [yyy] ) veroordeelt, ieder hoofdelijk, des dat de een betalend de ander zal zijn bevrijd, voornoemd bedrag van € 2.454,05, althans een door de Rechtbank in goede

justitie vast te stellen bedrag, aan de nalatenschap te voldoen, binnen 5 dagen na betekening van het ten deze te wijzen vonnis, middels overmaking op de ervenrekening in de nalatenschap van erflater(s);

IX. gedaagden, ieder hoofdelijk, veroordeelt om de aanwezige inboedel (inclusief de sieraden) van erflaatster (punten 18 tot en met 23 dagvaarding), in te brengen in de nalatenschap van erflaatster, althans rekening te houden met de waarde daarvan bij de verdeling van de nalatenschap van erflaatster c.q. erflater, zulks op straffe van een dwangsom ad € 500,-- per dag dat gedaagden hier niet toe overgaan;

X. [www] en [xxx] veroordeelt in hun hoedanigheid van executeur, alsmede in hun hoedanigheid van gevolmachtigde, om (tussentijdse /eind) rekening en verantwoording af te leggen ten aanzien van de door hen verrichte werkzaamheden tijdens het door hen gevoerde beheer in de nalatenschappen erflaatster en erflater;

XI. gedaagden, in al hun genoemde hoedanigheden, te bevelen om over te gaan tot

verdeling van de nalatenschappen van erflaatster en erflater, met inachtneming van hetgeen bij dagvaarding door eisers, is gesteld;

SUBSIDIAIR:

XII. gedaagden, in al hun genoemde hoedanigheden, te bevelen met eisers, in al hun

genoemde hoedanigheden, over te gaan tot verdeling van de nalatenschap ten overstaan van een notaris, met benoeming van een notaris en benoeming van een onzijdig persoon volgens de wet;

PRIMAIR EN SUBSIDIAIR:

XIII. [www] en [xxx] en [yyy] , al naar gelang hun respectievelijke hoedanigheden,

ieder hoofdelijk, des dat de een betalend de ander zal zijn bevrijd, veroordeelt in de kosten van deze procedure, het na salaris van de advocaat daaronder begrepen.

3.2.

Sterk samengevat hebben [eisers] aan hun vorderingen ten grondslag gelegd dat [gedaagden] gelden aan het vermogen van erflaatster en erflater hebben onttrokken, zowel tijdens leven als in de periode ná overlijden. Deze onttrokken bedragen, hoofdzakelijk in de vorm van pintransacties, zijn niet ten goede gekomen aan (de ouders van) partijen en zijn uitsluitend ten eigen bate aangewend. Daar komt bij dat [www] en [xxx] in hun hoedanigheid van executeurs in beide nalatenschappen gehouden waren om rekening en verantwoording af te leggen over het door hen gevoerde beheer in beide nalatenschappen, hetgeen zij tot op heden onvoldoende hebben gedaan. [gedaagden] zijn daarom gehouden de gevorderde bedragen op de ervenrekening (terug) te storten. Daarnaast dient de (werkelijke) waarde van de door [xxx] en [yyy] gehouden sieraden van erflater en erflaatster in de verdeling van de nalatenschappen te worden betrokken, evenals de inboedel, aldus nog steeds [eisers]

3.3.

[www] en [xxx] voeren verweer.

3.4.

Op de (nadere) stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in reconventie

3.5.

[www] en [xxx] vorderen samengevat - dat de rechtbank bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis:

A. de verdeling van de nalatenschappen vaststelt op de door [www] en [xxx]

voorgestelde wijze onder punt 28 e.v. van de conclusie van antwoord tevens houdende eis in reconventie, dan wel in goede justitie de omvang van de nalatenschappen van erflater en erflaatster vaststelt en daarbij ieders respectievelijke erfdelen in de nalatenschap van erflater en erflaatster te bepalen, alsmede de wijze van verdeling bepaalt.

bepaalt dat aan [www] en [xxx] een salaire differé ex artikel 4:36 BW toekomt en

deze vaststelt op de helft van de waarde van de nalatenschap als bedoeld in artikel 4:37 lid 4 BW te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf heden, dan wel een in goede justitie te bepalen salaire differé ten behoeve van [www] en [xxx] vaststelt;

[www] en [xxx] veroordeelt in de kosten van het geding.

3.6.

[www] en [xxx] hebben aan hun vorderingen -kort gezegd- ten grondslag gelegd dat ná aftrek van de kosten van de executeurs, het saldo van de tot de nalatenschap behorende bankrekeningen in de verdeling dient te worden betrokken. Met dien verstande dat [www] en [xxx] recht hebben op de gevorderde som ineens in de zin van artikel 4:36 BW nu zij vanaf medio 2014 continue voor erflater en erflaatster gezorgd hebben, aldus nog steeds [www] en [xxx] .

3.7.

[eisers] voeren verweer.

3.8.

Op de (nadere) stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

in conventie en in reconventie

4.1.

vooraf

De rechtbank constateert dat partijen eensluidend de rechtbank hebben bericht dat in het proces-verbaal onderaan pagina 2 ten onrechte is opgenomen dat de betreffende verklaring is afgelegd door [sss] in plaats van [www] . De rechtbank volgt partijen daarin, zodat de rechtbank in de verdere beoordeling de betreffende verklaring beschouwd als te zijn afgelegd door [www] .

4.2.

Gelet op de samenhang tussen de vorderingen in conventie en in reconventie en het daaraan door partijen ten grondslag gelegde feitencomplex, zullen deze gezamenlijk in de beoordeling betrokken worden.

4.3.

positie van [yyy] en [zzz]

Van de gedaagden in conventie zijn alleen [www] en [xxx] verschenen. Tegen gedaagden sub 3 en 4 is verstek verleend. Op grond van het bepaalde in artikel 140 lid 3 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering zal het vonnis ten aanzien van alle partijen (dus ook voor [yyy] en [zzz] ) als een vonnis op tegenspraak worden beschouwd.

de verdere beoordeling in conventie

4.4.

vereffening?/positie van [www] en [xxx]

[eisers] hebben gesteld dat zij en [zzz] de nalatenschap van erflater beneficiair hebben aanvaard, dat [www] en [xxx] daarom niet langer executeur zijn in de nalatenschap van erflater en de nalatenschap eerst dient te worden vereffend. Daarin kunnen [eisers] niet worden gevolgd. [www] en [xxx] hebben betwist dat de nalatenschap van erflater beneficiair is aanvaard, en aangevoerd dat [eisers] zich pas bij dagvaarding 1,5 jaar na overlijden van erflater op het standpunt hebben gesteld dat daarvan sprake is. Een deel van de nalatenschap van erflater is bovendien al tussen partijen verdeeld, zodat aangenomen moet worden dat ook door [eisers] en [zzz] zuiver is aanvaard, aldus [www] en [xxx] .

4.5.

Gelet op de gemotiveerde betwisting door [www] en [xxx] hebben [eisers] niet kunnen volstaan met de niet nader onderbouwde stelling dat zij beneficiair hebben aanvaard. Mede gelet op de vormvoorschriften die aan een dergelijke vorm van aanvaarding zijn verbonden (artikel 4:191 BW) en de door hen daarmee beoogde rechtsgevolgen, had het op de weg van [eisers] gelegen om nader en gedocumenteerd te onderbouwen dat de nalatenschap door hen en [zzz] beneficiair is aanvaard, hetgeen zij hebben nagelaten. Zelfs als de rechtbank veronderstellende wijs aanneemt dat wel sprake is van beneficiaire aanvaarding, hebben [www] en [xxx] als executeurs met de in het geding gebrachte stukken, voldoende aannemelijk gemaakt dat ook de nalatenschap van erflater ruimschoots toereikend is om de schulden van de nalatenschap van erflater te voldoen. Gelet op de korte tussenliggende tijdspanne tussen het overlijden van beide ouders, betrekt de rechtbank bij dit oordeel ook de door [www] en [xxx] in het geding gebrachte boedelbeschrijving van de nalatenschap van erflaatster. Dat partijen van mening verschillen over de exacte omvang van de nalatenschap van erflater maakt het vorenstaande niet anders, omdat [eisers] niet hebben gesteld dat de schulden van de nalatenschap de baten overtreffen. Gelet op het bepaalde in artikel 4:202 lid 1 sub a BW wordt ook ingeval van beneficiaire aanvaarding niet aan vereffening van de nalatenschap toegekomen en is de taak van [www] en [xxx] als executeurs niet geëindigd (artikel 4:149, eerste lid, aanhef en onder d BW).

4.6.

onttrekkingen

Ter onderbouwing van de door [eisers] gestelde onrechtmatige onttrekkingen (3.2) hebben [eisers] verwezen naar een 6-tal door hen in het geding gebrachte overzichten, aangeduid als producties 6A tot en met F. De overzichten hebben betrekking op aparte tijdvakken. De rechtbank zal daarom de door [eisers] aangehaalde tijdvakken in de beoordeling tot uitgangspunt nemen.

4.7.

periode eind oktober 2014- tot aan het overlijden van erflaatster [sterfdatum] 2016

Onder verwijzing naar productie 6A hebben [eisers] betoogd dat [www] en [xxx] diverse pinopnames en bankoverschrijvingen hebben verricht tot een totaalbedrag van € 9.270,00. Deze gelden zijn, aldus [eisers] , door [www] en [xxx] behouden en niet ten goede aan de ouders van partijen gekomen.

4.8.

De rechtbank overweegt als volgt. In het midden kan blijven of een deel van de vordering, zoals door [www] en [xxx] aangevoerd, inmiddels is verjaard. Vaststaat dat [www] en [xxx] over een door erflaatster verleende volmacht beschikten om (ook) over haar bankrekeningen te kunnen beschikken. [www] en [xxx] hebben op hun beurt uitvoerig uiteengezet dat -met gebruikmaking van deze volmacht- pinopnames zijn verricht en dat de onttrokken bedragen zijn overgedragen aan de ouders van partijen ter bekostiging van hun levensonderhoud in algemene zin. Van de zijde van [eisers] is niet weersproken, althans onvoldoende gemotiveerd, dat de ouders van partijen gewoon waren om geld voorhanden te hebben om zelf de benodigde uitgaven voor levensonderhoud en zaken zoals verjaardagsgiften te kunnen bekostigen. Gesteld noch gebleken is dat de pinopnames en overboekingen sterk afwijkend zijn ten opzichte van de daaraan voorafgaande periode, noch wat betreft het totale geldelijk beloop noch wat betreft de frequentie van de opnames. Tegen die achtergrond had van [eisers] verlangd mogen worden om gemotiveerd voldoende feiten en omstandigheden te stellen die de verstrekkende conclusie rechtvaardigen dat de betreffende pinopnames en overboekingen niet (geheel) ten goede aan de ouders van partijen zijn gekomen. Bij gebreke daarvan hebben [eisers] onvoldoende invulling gegeven aan de op hen rustende stelplicht en ligt het gevorderde onder 3.1 sub III voor afwijzing gereed.

4.9.

periode eind april 2016 - tot aan het overlijden van erflater [sterfdatum] 2017

Onder verwijzing naar productie 6b hebben [eisers] betoogd dat [www] en [xxx] diverse pinopnames en bankoverschrijvingen hebben verricht tot een totaalbedrag van € 9.700,00 en € 13.111,03. Deze gelden zijn, aldus [eisers] , door [www] en [xxx] behouden en niet ten goede aan de ouders van partijen gekomen. Nu [eisers] verschillende stellingen hebben betrokken ten aanzien van deze twee bedragen, zal de rechtbank deze posten afzonderlijk in de beoordeling betrekken.

4.10.

Tussen partijen is niet in geschil dat het gevorderde bedrag van

€ 9.700,00 deels terug te leiden is tot een pinopname van € 1.000,= op 9 september 2016 met een destijds bij [www] in gebruik zijnde pinpas, en voor het overige tot herhaaldelijke opnamen van lagere bedragen. Uit het door de mediator aan [www] verzonden gespreksverslag van 10 september 2016, leidt de rechtbank af dat het opgenomen bedrag onderdeel is geweest van het door [www] met de mediator gevoerde gesprek en dat besproken en geadviseerd is dat het bedrag door [www] zou worden teruggestort. Tegen die achtergrond valt, in weerwil van hetgeen [www] en [xxx] hebben aangevoerd, niet in te zien dat voornoemde pinopname in enig verband staat met het levensonderhoud van de ouders van partijen. Bovendien heeft [www] ten aanzien van deze post gesteld dat dat bedrag hem toekwam als erkenning voor de zorg die hij had verleend zonder te concretiseren hoe deze vergoeding met instemming van vader tot stand is gekomen. Reden waarom de vordering in zoverre jegens [www] voor toewijzing vatbaar is en [www] gehouden is een bedrag van
€ 1.000,-- te storten op de ervenrekening. Voor het resterende gedeelte van € 8.700,-- zal de vordering afgewezen worden. De rechtbank overweegt gelijk aan hetgeen zij hiervoor onder 4.8 heeft overwogen.

4.11.

Vervolgens de post van € 13.111,03. Uit de stellingen van [eisers] volgt dat deze onderverdeeld kan worden in de navolgende subposten, die wederom afzonderlijk in de beoordeling zullen worden betrokken:

  1. kleding € 2.016,78

  2. autokosten/zorg € 6.215,00

  3. aanschaf goederen en opticien € 2.759,25

  4. waskosten € 2.120,00 +

Totaal € 13.111,03

De rechtbank stelt vast dat noch de hoogte van het totaalbedrag noch de aan de afzonderlijke posten toegeschreven bedragen door [www] en [xxx] zijn bestreden. Evenmin is in geschil dat de betreffende bedragen zonder uitzondering betrekking hebben op de periode ná het overlijden van erflaatster en ten laste zijn gebracht van het vermogen van erflater.

4.12.

Wat betreft de kleding, aanschaf van goederen en de kosten van de opticien ligt het gevorderde voor afwijzing gereed. Gelet op hetgeen de rechtbank hiervoor onder 4.8 heeft overwogen, hebben [eisers] onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld die de conclusie rechtvaardigen dat de betreffende zaken niet voor erflater zijn gekocht. De enkele omstandigheid dat [eisers] bepaalde zaken al dan niet tijdens leven van erflater hebben aangetroffen en de uitgaven niet lang voor het overlijden van erflater zijn gedaan, maakt het vorenstaande niet anders. Ten aanzien van de kosten van de opticien geldt dit eens te meer gegeven de door [www] en [xxx] ter zitting gegeven verklaring op dit punt die door [eisers] niet inhoudelijk is weersproken.

4.13.

Ten aanzien van de in geschil zijnde autokosten/zorg hebben [eisers] ter onderbouwing van hun stellingen verwezen naar het door hen als productie 6B in het geding gebrachte overzicht. Daaruit leidt de rechtbank af dat het in geschil zijnde bedrag van
€ 6.215,00 betrekking heeft op de periode 5 juni 2017 – 28 november 2017. De kosten, aldus het overzicht, dragen deels de omschrijving “kosten ziekenhuisbezoek/advocaat/levensonderhoud vader”, deels “Auto onkosten 150 erkenningmantelzorg juli/dec 2017” en “Autokosten tbv ziekenhuisbezoek vader”. De rechtbank stelt vast dat de hoogte van de afzonderlijke posten en de daaraan gegeven omschrijving van de zijde van [www] en [xxx] niet zijn bestreden en dat de bedragen door [www] en [xxx] aan het vermogen van erflater zijn onttrokken. Vaststaat ook dat deze onttrekkingen zijn gedaan in een periode dat erflater als gevolg van zijn gezondheid reeds langere tijd verbleef in een verzorgingstehuis, onder meer wegens vergevorderde dementie.

4.14.

In het bijzonder laatstgenoemde omstandigheid had voor [www] en [xxx] aanleiding moeten zijn nader toe te lichten op basis van welke titel zij niettemin gerechtigd waren uit eigener beweging de in geschil zijnde bedragen aan het vermogen van erflater te onttrekken. Dat de aan de orde zijnde bedragen door erflater aan hen zouden zijn geschonken, dan wel als tegenprestatie voor verleende zorgtaken zouden zijn aangemerkt, hebben zij onvoldoende aannemelijk gemaakt. Dat de bedragen strekten tot vergoeding van door [www] en [xxx] ten behoeve van erflater gemaakte kosten en bestede tijd aan mantelzorg, maakt het vorenstaande niet anders. Voor zover [www] en [xxx] in dit verband nog hebben aangevoerd dat het niet redelijk zou zijn als uitsluitend zij de kosten dienen te dragen en niet tevens de overige erfgenamen, gaat de rechtbank daaraan voorbij. Bij gebreke van enige nadere toelichting ziet de rechtbank niet in dat deze omstandigheid, wat daar verder ook van zij, zelfstandig als grondslag kan dienen om bedragen tijdens leven aan het vermogen van erflater te onttrekken. Voor zover [www] en [xxx] tot slot hebben beoogd een titel te reconstrueren met de enkele niet nader gemotiveerde en geconcretiseerde verwijzing naar een in het geding gebracht pakket facturen en excel-sheets, kunnen zij daarin evenmin worden gevolgd. Het is aan [www] en [xxx] , en niet aan de rechtbank, om de relevantie van deze bescheiden op dit punt nader toe te lichten, hetgeen zij hebben nagelaten. Dit alles leidt tot de slotsom [www] en [xxx] gehouden zijn om een bedrag van € 6.215,00 aan de boedel te betalen.

4.15.

Dan de waskosten. Uit het door [eisers] als productie 6B in het geding gebrachte overzicht en de toelichting ter zitting door [www] en [xxx] , leidt de rechtbank af dat het daarmee gemoeide bedrag van in totaal € 2.120,00 betrekking zou hebben op door [xxx] gedraaide wassen voor erflater over de periode mei 2016 – december 2017. Maandelijks zijn door [www] en [xxx] kosten aan het vermogen van erflater onttrokken, variërend in grootte van € 30,00 tot 130,00 per maand. Ter zitting hebben [www] en [xxx] bij wijze van verweer aangevoerd dat [xxx] op enig moment gelet op de daarvoor in rekening gebrachte kosten de was van het verzorgingstehuis heeft overgenomen, hetgeen door [eisers] niet, althans onvoldoende gemotiveerd is bestreden. Tegen die achtergrond houdt de rechtbank het ervoor dat niet langer in geschil is dat [xxx] kosten heeft gemaakt en een vergoeding daarvoor op zijn plaats is. In vervolg op hetgeen de rechtbank hiervoor onder 4.14 heeft overwogen, zal de rechtbank om proceseconomische redenen de door [xxx] gedragen waskosten begroten op een bedrag van € 50,00 per maand, gedurende een periode van 20 maanden tot een totaalbedrag van € 1.000,=. Aldus zijn [www] en [xxx] gehouden een bedrag van € 1.120,00 (€2.120,00 – €1.000,00) aan de nalatenschap terug te betalen.

4.16.

Daarmee komt de rechtbank toe aan het geschilpunt ten aanzien van de door [eisers] gestelde schenkingen (vordering onder 3.1 sub V) aan [www] en [xxx] en [yyy] . Naar de rechtbank de stellingen van [eisers] begrijpt, hebben [www] en [xxx] en [yyy] -kort gezegd- in het verleden een hoger bedrag aan schenkingen ontvangen dan de overige broers en zussen. Uit productie 6E volgt dat [www] en [xxx] en [yyy] achtereenvolgens

€ 4.259,00/ € 2.000 en € 2.250 meer hebben ontvangen dan de overige erven, aldus een totaalbedrag van € 8.509,00. Het verschil is het gevolg van eigenhandig uitgevoerde en daarmee onrechtmatige overboekingen door [www] en [xxx] , aldus [eisers]

4.17.

[www] en [xxx] hebben -kort gezegd- betwist dat zij op dit punt onrechtmatig hebben gehandeld.

4.18.

De rechtbank constateert dat het partijdebat ten aanzien van dit geschilpunt zeer summierlijk is gevoerd. Het had op de weg van [eisers] gelegen om voldoende gemotiveerde stellingen te betrekken dat daaruit de door [eisers] voorgestane verstrekkende conclusies kunnen worden getrokken. Met het enkel in het geding brengen van een excel-sheet hebben [eisers] niet kunnen volstaan ter invulling van hun stelplicht. Te meer niet omdat daaruit volgt dat de door [eisers] gemaakte optelsommen, uitgesplitst per kind, kennelijk het resultaat zijn van in het verleden over een langere periode gedane overboekingen uit het vermogen van erflater en erflaatster. Ook indien wordt aangenomen dat [www] en [xxx] de overboekingen hebben bewerkstelligd, rechtvaardigt de enkele omstandigheid dat niet ieder kind een gelijk bedrag heeft ontvangen niet reeds de conclusie dat zij onrechtmatig hebben gehandeld, in die zin dat de overboekingen niet op de instemming van erflater en erflaatster konden rekenen. [eisers] hebben ook niet nader geconcretiseerd, laat staan onderbouwd, welke overboekingen onrechtmatig zijn geweest. Voor zover in het betoog van [eisers] besloten ligt dat [www] in november 2015 zou hebben toegezegd het door hem ontvangen bedrag van € 5.650,00 geheel terug te betalen, is dat onvoldoende vast komen te staan. De rechtbank zal dit deel van het gevorderde afwijzen.

4.19.

periode ná het overlijden van erflater 24 december 2017

Onder verwijzing naar productie 6C hebben [eisers] gesteld dat [www] daags ná het overlijden van erflater, in totaal een bedrag van € 1.220,00 aan de boedel heeft onttrokken door middel van pinopnames. Deze opnamen zijn onrechtmatig en dienen aan de boedel te worden terugbetaald, aldus [eisers] .

4.20.

De rechtbank constateert dat [www] ter zitting over deze pinopnames het volgende heeft verklaard:

“Na het overlijden van vader berichtte de bank mij dat de rekening mogelijk geblokkeerd zou worden. Ik heb toen geld voor de zekerheid opgenomen om rekeningen te kunnen betalen. Uiteindelijk heb ik het opgenomen bedrag verdeeld tussen mij, [xxx] en [yyy] als genoegdoening voor de streken die ons werden geleverd.”

Gelet daarop en bij gebreke van enig verweer ten aanzien van deze vordering, zijn [www] en [xxx] gehouden het bedrag van € 1.220,00 aan de boedel terug te betalen, als hierna nader in het dictum bepaald.

4.21.

kosten ten laste van de boedel (vordering onder 3.1 sub I en VIII)

Kern van de stellingen van [eisers] is dat [www] en [xxx] in de periode ná het overlijden van erflater ten onrechte kosten ten laste van de nalatenschap hebben gebracht en een deel daarvan bij wijze van voorschot op de erfenis aan zichzelf en [yyy] hebben overgemaakt. In totaal betreft het een bedrag van € 6.948,85, onder meer opgebouwd uit de volgende posten:

  • -

    ontruimingskosten € 500,00

  • -

    waskosten € 130,00

  • -

    notariskosten € 611,05

  • -

    voorschot erfenis € 2.250,00 (750,00 aan [www] en [xxx] en [yyy] )

en voor het overige aan advocaatkosten.

De rechtbank constateert -mede na de summiere toelichting door [eisers] ter zitting- dat dit geschilpunt na vermeerdering van eis in conventie door [eisers] is ondergebracht onder de nummers I en VIII van het petitum, in totaal ten belope tot een bedrag van

€ 6.338,00 (€ 3.883,95 + € 2.454,05)

4.22.

[www] en [xxx] hebben -kort gezegd- betwist dat de onttrekkingen onrechtmatig zijn.

4.23.

Ten aanzien van de ontruimingskosten, de waskosten en de notariskosten is de rechtbank van oordeel dat [eisers] niet hebben kunnen volstaan met uitsluitend een betwisting dat de kosten zijn gemaakt, dan wel dat deze geen verband houden met de afwikkeling van de nalatenschap van erflater. Vaststaat dat de kosten betrekking hebben op de periode vlak na het overlijden van erflater, en zijn betaald door [www] en [xxx] van de ervenrekening. Vaststaat ook dat [www] en [xxx] mede in hun hoedanigheid van executeur van de nalatenschap van erflater in de procedure zijn betrokken. Voor zover in het verweer van [www] en [xxx] besloten ligt dat zij deze kosten in die hoedanigheid ten laste van de boedel mochten brengen, worden zij daarin gevolgd. In dit verband verwijst de rechtbank in de eerste plaats naar de aan hen als executeur in het testament toegekende bevoegdheden (2.3) waarbij onder meer expliciet is bepaald dat de door de executeur in de uitoefening van zijn taak gemaakte kosten ten laste van de nalatenschap komen. Bovenal bepaalt artikel 4:7 lid 1 sub d BW dat de kosten van executele ten laste van de nalatenschap worden gebracht. In zoverre ligt het gevorderde voor afwijzing gereed.

4.24.

Ten aanzien van de post “voorschot erfenis” stelt de rechtbank vast dat de overboekingen door [www] en [xxx] niet zijn weersproken. Gesteld noch gebleken is dat deze handeling op instemming van de overige deelgenoten kon rekenen. Uitgangspunt is immers dat de verdeling van een gemeenschappelijk goed, zoals een banktegoed, dient plaats te vinden met deelname van alle deelgenoten (4:195 BW). Zonder enige toelichting van [www] en [xxx] ziet de rechtbank niet waarom zij gerechtigd waren uit eigener beweging een deel van het banktegoed gedrieën te verdelen. Dit leidt tot de slotsom dat [www] en [xxx] gehouden zijn een bedrag van in totaal € 2.250,00 op de ervenrekening terug te storten op de wijze als hierna nader in het dictum bepaald.

4.25.

Ten aanzien van de advocaatkosten wordt het navolgende overwogen. In essentie hebben [eisers] gesteld dat alle in geschil zijnde advocaatkosten ten onrechte door [www] en [xxx] ten laste van de boedel zijn gebracht. [www] en [xxx] hebben bij wijze van verweer aangevoerd dat de kosten zijn gemaakt omdat zij in hun hoedanigheid van executeur behoefte hadden aan juridische bijstand. Zoals hiervoor reeds overwogen neemt de rechtbank tot uitgangspunt dat voor zover de kosten zijn gemaakt ten behoeve van de uitoefening van de aan [www] en [xxx] toegekende executeursbevoegdheden en de wettelijke verplichtingen die daarmee samenhangen, deze kwalificeren als kosten van executele in de zin van artikel 4:7 lid 1 sub d BW en daarom ten laste van de nalatenschap mogen worden gebracht. Na afloop van de comparitie zijn [www] en [xxx] in de gelegenheid gesteld een uitsplitsing van de door hen gemaakte advocaatkosten in het geding te brengen waaruit volgt welk deel betrekking heeft op hun werkzaamheden als executeur en welk deel niet.

4.26.

[www] en [xxx] hebben bij akte na comparitie een nieuwe opstelling aan advocaatkosten gepresenteerd, sluitend op een totaalbedrag van € 10.723,35 waarbij wederom aangevoerd is dat alle kosten zijn gemaakt in hun hoedanigheid van executeur. [eisers] hebben bij antwoordakte aangevoerd dat alle kosten ten onrechte aan de boedel zijn onttrokken en door [www] en [xxx] aan de boedel terugbetaald dienen te worden.

4.27.

[www] en [xxx] kunnen niet worden gevolgd in hun verweer dat zij -naar de rechtbank begrijpt- uitsluitend zijn gedagvaard in hun hoedanigheid van executeur. Het petitum in conventie en de in dat kader door [eisers] aan [www] en [xxx] gemaakte verwijten hebben -zoals hiervoor overwogen- voor het merendeel betrekking op de periode dat zij nog geen executeur waren dan wel hebben uitsluitend betrekking op hun hoedanigheid van erfgenamen. Reden waarom een uitsplitsing van de werkzaamheden op zijn plaats was geweest, al naar gelang deze betrekking hadden op hun positie als executeur dan wel die van mede-erfgenamen van de nalatenschap van erflaatster en erflater. Bij gebreke van enige toelichting op de bij akte na comparitie in het geding gebrachte (nieuwe) facturen, kan de rechtbank een uitsplitsing in vorenbedoelde zin niet maken. Om proceseconomische redenen houdt de rechtbank het ervoor dat de helft van de kosten verband houdt met hun positie als executeur, afgerond een bedrag van € 5.361,00. Voor het overige, een bedrag van in totaal afgerond € 5.362,35 zijn deze kosten ten onrechte door [www] en [xxx] ten laste van de boedel gebracht en dienen deze te worden terugbetaald. In zoverre is de vordering toewijsbaar als nader in het dictum vermeld.

4.28.

bankafschriften (vordering onder 3.1 sub II)

De rechtbank stelt vast de vordering verder strekt dan alleen inzage, namelijk op afgifte van bestaande en toekomstige rekeningafschriften van meerdere (erven)rekeningen. De ruime formulering van de vordering, brengt met zich dat deze ook betrekking heeft op rekeningen van erflater als langstlevende, zowel tijdens leven als na zijn overlijden tot op heden.

Het is aan [eisers] om voldoende gemotiveerde stellingen te betrekken waaruit volgt (1) welk belang zij hebben bij verstrekking van de gevorderde (bestaande en toekomstige) afschriften, (2) op basis van welke grondslag de vordering wordt ingesteld, (3) op welke rekeningen de vordering concreet gericht is en (4) welke stukken in vervolg op van de [www] en [xxx] reeds verkregen bescheiden op dit moment nog ontbreken. Op de punten 1 en 2 hebben [eisers] geen stellingen betrokken, en de punten 3 en 4 zijn door [eisers] onvoldoende concreet toegelicht.

Bij dit alles verdient opmerking dat de raadsvrouw van [www] en [xxx] ter zitting heeft toegezegd de afschriften te zullen verstrekken, hetgeen -zo volgt uit de akte na comparitie van [eisers] - kennelijk (nog) niet naar tevredenheid gebeurd is. Gelet daarop en de omstandigheid dat [www] en [xxx] als executeurs in de nalatenschap van erflater op grond van artikel 4:151 van het Burgerlijk Wetboek (BW) na het eindigen van hun taak nog rekening en verantwoording moeten afleggen aan alle erfgenamen, zo ook aan [eisers] , is onvoldoende gebleken welk concreet belang [eisers] op dit moment hebben bij toewijzing van het gevorderde. De vordering zal daarom worden afgewezen.

4.29.

inboedel/sieraden (vordering onder 3.1 IX)

Ter zitting is gebleken dat tussen partijen niet in geschil is dat de inboedel van erflater en erflaatster, voor zover niet reeds gebeurd en nog aanwezig, tussen partijen verdeeld dient te worden. Dat laatste geldt ook voor de tot de nalatenschap behorende sieraden, zij het dat partijen uiteenlopende gedachten hebben over de aan de sieraden in het kader van de verdeling toe te kennen waarde. Deze omstandigheid staat aan toewijzing van het gevorderde niet in de weg en geeft ook geen aanleiding om op voorhand bij wijze van een door de rechtbank te benoemen deskundige de sieraden te laten waarderen. De vordering zal worden toegewezen als nader in het dictum vermeld.

4.30.

rekening en verantwoording (vordering onder 3.1 X)

De rechtbank stelt vast dat de vordering een tweeledig karakter heeft, namelijk rekening en verantwoording door [www] en [xxx] in hun hoedanigheid van gevolmachtigde van erflaatster en erflater op grond van het levenstestament, en in hun hoedanigheid van executeur in beide nalatenschappen.

Voor zover de vordering gegrond is op de volmacht uit hoofde van het door erflater en erflaatster opgestelde levenstestament hebben [www] en [xxx] bestreden dat zij daartoe nog gehouden zijn. In dit verband hebben zij aangevoerd dat zij in het verleden reeds rekening en verantwoording aan [eisers] hebben afgelegd, waarbij een verslag is geschreven en aan [eisers] de onderliggende stukken zoals bankafschriften, belastingaangiften zijn verzonden. Daarbij is aan [eisers] de uitnodiging gedaan om vragen te beantwoorden, aldus [www] en [xxx] . Door [eisers] is het vorenstaande niet, althans onvoldoende gemotiveerd, bestreden. Nu [eisers] niet nader hebben toegelicht of en zo ja in welke mate de afgelegde rekening en verantwoording ondeugdelijk is geweest, ziet de rechtbank bij gebreke van enige nadere toelichting niet in welk belang [eisers] hebben bij toewijzing van hun vordering. In zoverre ligt het voor afwijzing gereed.

4.31.

Voor zover de vordering gericht is op (tussentijdse) rekening en verantwoording door [www] en [xxx] in hun hoedanigheid van executeur in de nalatenschappen van erflaatster en erflater, overweegt de rechtbank als volgt. Zoals hiervoor overwogen zijn [www] en [xxx] als executeurs in de nalatenschap van erflaatster en erflater op grond van artikel 4:151 van het Burgerlijk Wetboek (BW) na het eindigen van hun taak gehouden rekening en verantwoording af te leggen aan alle erfgenamen. Op grond van deze bepaling kan dus niet een tussentijdse verplichting van de executeur worden afgeleid tot het afleggen van rekening en verantwoording aan de erfgenamen. Wel is de executeur op grond van artikel 4:148 BW gehouden aan de erfgenamen alle door deze gewenste inlichtingen omtrent de uitoefening van zijn taak te geven. Nu [eisers] op dit punt geen specifieke stellingen hebben betrokken, is daarvoor geen plaats. Het gevorderde zal daarom afgewezen worden.

4.32.

verklaringen voor recht

Gelet op hetgeen de rechtbank hiervoor heeft overwogen en beslist ten aanzien van de in geschil zijnde onttrekkingen door [www] en [xxx] , ziet de rechtbank niet in welk belang [eisers] nog hebben bij de door hen aan de afzonderlijke vorderingen verbonden verklaringen voor recht. Deze liggen daarom voor afwijzing gereed.

in reconventie

4.33.

salaire differé (vordering onder 3.5 sub B)

Ter onderbouwing van het gevorderde hebben [www] en [xxx] verwezen naar het door hen als productie 9 in het geding gebrachte overzicht met -naar de rechtbank daaruit afleidt- daarop een toelichting op de in de jaren 2014-2016 door [www] en [xxx] aan erflater en erflaatster verleende mantelzorg. Daaraan hebben [www] en [xxx] de conclusie verbonden dat zij -kort gezegd- bij wijze van vergoeding recht hebben op de helft van de waarde van de nalatenschap. De wettelijke grondslag van het verzoek is het zogenoemde salaire différé, ook wel aangeduid als uitgesteld loon, zoals bedoeld in artikel 4:36 BW waarvan het eerste lid luidt, voor zover ten deze van belang:

Een kind.(..) van de erflater dat in diens huishouding of in het door hem uitgeoefende beroep of bedrijf (..) arbeid heeft verricht zonder een voor die arbeid passende beloning te ontvangen, kan aanspraak maken op een som ineens, strekkend tot een billijke vergoeding.

4.34.

Anders dan in het betoog van [www] en [xxx] besloten ligt, bestaat op grond van de wetsgeschiedenis en vaste rechtspraak niet snel aanleiding voor een vergoeding als door [www] en [xxx] gevorderd. Een erfgenaam heeft slechts onder bijzondere voorwaarden een aanspraak op salaire différé. Allereerst moet er sprake zijn geweest van langdurig verrichte arbeid in het beroep of bedrijf of in de huishouding van erflater, daaronder begrepen de verzorging of verpleging van erflater of, naar met het oog op artikel 4:37 lid 3 BW mag worden verondersteld, de andere ouder van het verzorgende kind. Voorts moet die arbeid een economische waarde hebben en is daarvoor desondanks door het kind geen passende beloning verkregen, terwijl het kind door zijn of haar arbeid ten opzichte van de mede-erfgenamen in een maatschappelijk en/of financieel slechtere positie is geraakt. Waaruit een billijke vergoeding, de grondslag van de aanspraak, bestaat kan bij de bepaling van het onderhavige geschil echter in het midden blijven. Ter zitting is ook aan de orde gekomen dat de aanspraak op een som ineens aan formele vereisten is gebonden, namelijk die van artikel 4:37 BW. Voornoemd artikel brengt -voor zover hier van belang- met zich dat de mogelijkheid om aanspraak te maken op een som ineens vervalt, indien [www] en [xxx] niet uiterlijk negen maanden na het overlijden van de erflater hebben verklaard dat zij de som ineens wenst te ontvangen. Bovenal verjaart de rechtsvordering door verloop van een jaar na het overlijden van de erflater. Indien die erflater een echtgenoot achterlaat, wordt voor degene die krachtens artikel 36 aanspraak op een som ineens heeft gemaakt, deze termijn verlengd tot een jaar na het overlijden van die echtgenoot.

4.35.

Uit het vorenstaande volgt dat de rechtsvordering van [www] en [xxx] een jaar na het overlijden van erflater is verjaard, in het onderhavige geval op 24 december 2018. Ter zitting heeft mr. Bosch namens [www] en [xxx] verklaard dat de verjaringstermijn tussentijds is gestuit. Zonder enige nadere onderbouwing wanneer en op welke wijze stuitingshandelingen door [www] en [xxx] zijn verricht, zal de rechtbank aan dit verweer voorbijgaan. Dit alles leidt tot de slotsom dat de grondslag aan het gevorderde is komen te ontvallen en het voor afwijzing gereed ligt.

en verder in conventie en reconventie

4.36. (

(vaststellen van de) verdeling

Tussen partijen is niet in geschil dat de nalatenschappen van erflaatster en erflater niet zijn afgewikkeld. De rechtbank leidt uit de producties af dat met name waar het gaat om de afwikkeling van de nalatenschap van erflaatster in het verleden tussen partijen en een betrokken notaris is gecorrespondeerd maar dat een definitief resultaat niet is bereikt. Voor het kunnen vaststellen van de verdeling van beide nalatenschappen is benodigd dat partijen gemotiveerde stellingen hebben betrokken over de omvang en samenstelling van beide nalatenschappen, en in het bijzonder die van erflater als langstlevende. Partijen hebben immers een gelijk aandeel in beide nalatenschappen. Nu beide partijen over de omvang en samenstelling sterk van mening verschillen, heeft de rechtbank onvoldoende gegevens voorhanden om de verdeling vast te kunnen stellen, zoals door [www] en [xxx] gevorderd. Het vorenstaande staat er niet aan in de weg dat de rechtbank de wijze van verdeling zal gelasten, zoals door [eisers] subsidiair gevorderd, als hierna nader in het dictum bepaald.

4.37.

resumé

Uit hetgeen hiervoor is overwogen en beslist volgt dat de nalatenschappen van erflaatster en erflater dienen te worden verdeeld op de hierna in het dictum vermelde wijze, waarbij de navolgende bedragen aan het boedelactief dienen te worden toegevoegd:

van de zijde van [www]

€ 1.000,00

van de zijde van [www] en [xxx]

€ 1.120,00

van de zijde van [www] en [xxx]

€ 6.215,00

van de zijde van [www] en [xxx]

€ 5.362,35

van de zijde van [www] en [xxx]

€ 1.220,00

van de zijde van [www] en [xxx]

€ 2.250,00

Totaal

€ 17.167,35

4.38.

wettelijke rente

De gevorderde wettelijke rente over de hiervoor onder 4.10 en 4.20 toegewezen bedragen zal worden toegewezen met ingang van de dag der dagvaarding, een en ander als hierna nader in het dictum vermeld.

4.39.

dwangsom

De rechtbank ziet bij gebreke van enige onderbouwing ten aanzien van nut en noodzaak door [eisers] geen aanleiding om aan de hierna in het dictum genoemde veroordeling een dwangsom te verbinden. Van gegronde vrees dat niet vrijwillig aan een veroordeling zal worden voldaan, is niet gebleken.

4.40.

proceskosten

In de omstandigheid dat partijen familie van elkaar zijn, ziet de rechtbank aanleiding de proceskosten in die zin te compenseren dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5 De beslissing

De rechtbank

In conventie

5.1.

veroordeelt [www] tot betaling op de ervenrekening van een bedrag groot € 1.000,= vermeerderd met de wettelijke rente met ingang van 30 december 2019 tot aan de dag der algehele voldoening, te voldoen binnen 5 dagen na betekening van het ten deze te wijzen vonnis, middels overmaking op de ervenrekening in de nalatenschappen van erflater(s);

5.2.

veroordeelt [www] en [xxx] hoofdelijk tot betaling op de ervenrekening van een bedrag groot € 16.167,35 vermeerderd met de wettelijke rente over een bedrag van € 1.220,00 met ingang van 30 december 2019 tot aan de dag der algehele voldoening te voldoen binnen 5 dagen na betekening van het ten deze te wijzen vonnis, middels overmaking op de ervenrekening in de nalatenschappen van erflater(s);

In conventie en in reconventie

5.3.

gelast de (algehele) verdeling c.q. afwikkeling van de nalatenschap van erflater en erflaatster met inachtneming van hetgeen in het onderhavige vonnis is overwogen en beslist, zulks ten overstaan van een notaris naar keuze van partijen, en benoemt, indien partijen het over de keuze van de notaris niet eens mochten worden, met dat doel mr. M. Reijntjes, notaris te Alkmaar, vertegenwoordigd door mw. [ccc] ;

5.4.

bepaalt dat de meest gerede partij de notaris een afschrift van dit vonnis en een kopie van het volledige procesdossier zal toezenden,

5.5.

stelt de notaris in de gelegenheid de kosten van zijn/haar werkzaamheden te begroten inclusief verschotten en omzetbelasting en deze begroting uiterlijk vier weken na ontvangst van het procesdossier aan (de gemachtigden van) partijen toe te zenden,

5.6.

bepaalt dat partijen binnen veertien dagen nadat de notaris hen daarom heeft verzocht alle bij hen in bezit zijnde en door de notaris benodigde bescheiden en gegevens ter uitoefening van zijn taak aan de notaris ter beschikking dienen te stellen,

5.7.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.8.

compenseert de proceskosten aldus dat ieder de eigen kosten draagt;

5.9.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.C. van Rijn en in het openbaar uitgesproken op 13 januari 2021.1

1 type: AVA coll: MCvR