Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2021:205

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
11-01-2021
Datum publicatie
13-01-2021
Zaaknummer
8674876 / EJ VERZ 20-213 en 8675941 / EJ VERZ 20-214
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Op tegenspraak
Beschikking
Tussenbeschikking
Inhoudsindicatie

Prejudiciële vragen aan de Hoge Raad over toepasselijkheid van het in artikel 128 van de Faillissementswet neergelegde fixatiebeginsel op de vereffening van een nalatenschap.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ERF-Updates.nl 2021-0013
FJR 2021/15.25
Jurisprudentie Erfrecht 2021/49 met annotatie van Anken, J.M. van
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Bewind

locatie Alkmaar

zaaknummers / rolnummers: 8674876 / EJ VERZ 20-213 en 8675941 / EJ VERZ 20-214

Uitspraakdatum: 11 januari 2021

Beschikking van de kantonrechter:

in de zaak 8674876 / EJ VERZ 20-213 van

[verzoekster 1] ,

wonende te [woonplaats 1] ,

verzoekster,

hierna: [verzoekster 1]

advocaat: mr. W.L.J. van Winden te Apeldoorn,

tegen

[verweerder] ,

in zijn hoedanigheid van vereffenaar in de nalatenschap van [erflaatster] ,

kantoorhoudende te Haarlem ,

verweerder,

hierna: [verweerder] ,

en in de zaak 8675941 / EJ VERZ 20-214 van

[verzoekster 2] ,

wonende te [woonplaats 2] ,

verzoekster,

hierna: [verzoekster 2] ,

advocaat: mr. B. Breederveld te Alkmaar,

tegen

[verweerder] ,

in zijn hoedanigheid van vereffenaar in de nalatenschap van [erflaatster] ,

kantoorhoudende te Haarlem ,

verweerder,

hierna: [verweerder] ,

Belanghebbenden in de twee zaken zijn:

1 [belanghebbende 1] ,

wonende te [woonplaats 3] ,

hierna: [belanghebbende 1] ,

2. [belanghebbende 2] ,

wonende te [woonplaats 4] ,

hierna: [belanghebbende 2] ,

3. [belanghebbende 3] ,

wonende te [woonplaats 5] ,

hierna: [belanghebbende 3] ,

4. [belanghebbende 4] ,

wonende te [woonplaats 6] ,

hierna: [belanghebbende 4] ,

5. [belanghebbende 5] ,

wonende te [woonplaats 7] ,

hierna: [belanghebbende 5] ,

in beide zaken gaat het om

de nalatenschap van [erflaatster],

geboren op [geboortedatum] en overleden op [datum overlijden] , laatstelijk gewoond hebbende te Beverwijk , hierna: erflaatster of moeder.

1 Het procesverloop

1.1.

[verzoekster 2] is bij brief van 7 juli 2020 in verzet gekomen (ex. artikel 4:218 lid 3 Burgerlijk Wetboek (BW)) tegen de uitdelingslijst inzake de nalatenschap van erflaatster. [verzoekster 1] is bij brief van 20 juli 2020 in verzet gekomen tegen de uitdelingslijst

1.2.

[verweerder] heeft middels een brief van 14 september 2020 een verweerschrift ingediend.

1.3.

Op 14 december 2020 heeft een zitting plaatsgevonden. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat partijen ter toelichting van hun standpunten naar voren hebben gebracht.

1.4.

Ten slotte is beschikking bepaald op vandaag.

2 De feiten

2.1.

Op [datum overlijden] is de vader van [verzoekster 2] , [verzoekster 1] en belanghebbenden sub 1 t/m 3 overleden (hierna: vader). Belanghebbenden sub 4 en 5 zijn kinderen van een vooroverleden zoon, [naam 1] , van vader. [verzoekster 2] , [verzoekster 1] en belanghebbenden zijn (bij plaatsvervulling) erfgenamen van vader. Hun vaderlijk erfdeel is opeisbaar geworden bij het overlijden van moeder op [erflaatster] .

2.2.

Bij akte van 23 januari 2017 hebben [verzoekster 2] en [verzoekster 1] de nalatenschap van moeder beneficiair aanvaard.

2.3.

Bij beschikking van 29 november 2017 van de rechtbank Noord-Holland is mr. [naam 2] benoemd tot vereffenaar van de nalatenschap van moeder. Bij beschikking van
25 september 2019 van dezelfde rechtbank is [naam 2] op eigen verzoek ontslagen als vereffenaar en [verweerder] benoemd tot (opvolgend) vereffenaar.

2.4.

Bij beschikking van 4 maart 2020 van de kantonrechter in de rechtbank Noord-Holland is een voorschot op het salaris van [verweerder] vastgesteld op € 2.877,- exclusief btw. Dit ging om zijn werkzaamheden in de periode tot en met 16 januari 2020. Bij beschikking van 1 juli 2020 is een voorschot op het salaris van [verweerder] vastgesteld op € 3.388,- inclusief btw. Dit betrof werkzaamheden in de periode 17 januari 2020 tot en met mei 2020.

2.5.

Op 1 juli 2020 heeft [verweerder] een boedelbeschrijving (tevens uitdelingslijst) ter inzage gelegd bij de kantonrechter en zijn eerder gedane ontslagverzoek ingetrokken. Op deze uitdelingslijst staat onder meer:
In deze berekeningen is geen rekening gehouden met de rente over de vaderlijke erfdelen, zulks over de periode vanaf 29-11-2017, zulks vanwege mogelijke toepasselijkheid van het fixatiebeginsel. (Per 29-11-2017 werd de eerste vereffenaar benoemd)

2.6.

[verzoekster 2] en [verzoekster 1] hebben bezwaren tegen de door [verweerder] neergelegde uitdelingslijst.

3 Het verzoek en het verweer

3.1.

[verzoekster 2] stelt dat de volgende punten onterecht niet dan wel onvolledig op de uitdelingslijst zijn opgenomen:

1. Rente:

Over de vaderlijke erfdelen (vorderingen op de nalatenschap van moeder) dient op basis van de uiterste wilsbeschikking van vader rente berekend te worden tot het moment van uitbetaling. Het fixatiebeginsel, neergelegd in artikel 128 van de Faillissementswet (Fw) is niet van overeenkomstige toepassing op de vereffening. Ook tijdens de vereffening loopt de rente daarom door. Hiervoor wordt verwezen naar een uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 9 augustus 2017 (ECLI:NL:RBNNE:2017:3158);

2x € 600,- schuld:

De nalatenschap heeft een schuld van € 600,- aan [verzoekster 2] en € 600,- aan [verzoekster 1] . Dit vanwege girale stortingen van hen op de ervenrekening;

3. Verrekening verdeelde sieraden:

Aan de activa moet worden toegevoegd een bedrag van € 10.081,93 aan reeds verdeelde sieraden;

4. Verrekening voorschot erfbelasting:

Er is een bedrag van € 36.548,- aan erfbelasting betaald van de ervenrekening ten behoeve van vijf erfgenamen; [belanghebbende 1] en [belanghebbende 2] hebben erfbelasting in privé betaald. Dit moet nog worden verrekend op de uitdelingslijst;

5. Opbrengst restant sieraden:

Aan de activa moet worden toegevoegd een PM-post voor de nog te verkopen sieraden;

6. Gebruiksvergoeding [belanghebbende 1]:

Aan de activa moet worden toegevoegd een PM-post voor de gebruiksvergoeding die [belanghebbende 1] verschuldigd is voor het voortgezet gebruik van het zakelijk onroerend goed van de ouders na de huuropzegging.

3.2.

[verzoekster 1] deelt de voorgaande bezwaren van [verzoekster 2] en voegt daaraan één punt toe:

7. Salaris [verweerder]:

Het door [verweerder] in rekening gebrachte salaris is te hoog en moet gematigd worden. [verweerder] heeft namelijk onvoldoende informatie verschaft aan [verzoekster 1] en is buiten zijn taak als vereffenaar getreden door zijn werkzaamheden in verband met de pogingen tot verkoop van onroerende zaken die tot de nalatenschap behoren. Voor het voldoen van de schulden van de nalatenschap was het namelijk niet nodig om onroerende zaken te verkopen.

3.3.

[verweerder] heeft in zijn verweerschrift aangevoerd dat door de erfgenamen verschillend wordt gedacht over de toepasselijkheid van het fixatiebeginsel op de opgelopen rente over de vaderlijke erfdelen. [verweerder] stelt dat het niet aan hem is daar een beslissing over te nemen. Met betrekking tot de punten genoemd onder 2. tot en met 5. deelt hij de mening van [verzoekster 2] . Een inhoudelijk gesprek over de onder 6. gestelde gebruiksvergoeding heeft niet plaatsgevonden. Cijfermatige onderbouwing van de mogelijke vordering ontbreekt. Verder betwist [verweerder] , onder verwijzing naar de beschikkingen van de kantonrechter hierover, dat hij uren ten onrechte in rekening heeft gebracht.

3.4.

De belanghebbenden zijn van oordeel dat het fixatiebeginsel wel van toepassing is, dan wel hebben zich hier (nog) niet over uitgelaten.

4 De beoordeling

4.1.

Het gaat in deze zaken onder andere om de vraag of rente berekend moet worden over de vaderlijke erfdelen gedurende de vereffening van de nalatenschap. De vraag is dan ook of het fixatiebeginsel van artikel 128 Fw van overeenkomstige toepassing is op de erfrechtelijke vereffening.

De wet en de wetsgeschiedenis

4.2.

In artikel 4:218 lid 5 BW staat dat bij de berekening van ieders vordering, het opmaken van de uitdelingslijst en het verzet daartegen de dienaangaande in de Faillissementswet voorkomende voorschriften zoveel mogelijk overeenkomstige toepassing vinden.

4.3.

In het Ontwerp Meijers stond in artikel 4.5.3.11 lid 4 dezelfde bepaling als nu in artikel 4:218 lid 5 is opgenomen. De toelichting luidde als volgt:
‘Hieruit volgt onder meer dat ook schulden der nalatenschap die nog niet opeisbaar zijn, worden opgenomen, doch slechts voor hun overeenkomstig art. 131 F.W. berekende contante waarde, alsmede dat de schulden der nalatenschap die aan een opschortende voorwaarde gebonden zijn en in het algemeen die welke niet in geld luiden, eveneens, overeenkomstig de artikelen 130 en 133, slechts voor hun geschatte geldswaarde in aanmerking kunnen komen. Met de formule dat de voorschriften van genoemde wet “zoveel mogelijk” overeenkomstige toepassing vinden, beoogt het ontwerp rekening te houden met het verschil in karakter van de vereffening ener nalatenschap en die van de nagenoeg steeds deficitaire boedel van een schuldenaar die failliet verklaard is, doch naar de mening van de ondertekende maakt dit verschil in karakter enige nadere bepalingen gewenst. Deze zijn in het gewijzigd ontwerp als een nieuw lid 4 ingevoegd.’ (MvA II, Parl. Gesch. Boek 4, p. 1014)

4.4.

Met de invoering van het huidige erfrecht per 1 januari 2003 is de negende afdeling van Titel 1 Fw (artt. 198-202 Fw) vervallen. Dit is als volgt toegelicht:

“De negende afdeling van Titel 1 (artikel 198-202) van de Faillissementswet bevat enige regels betreffende de faillietverklaring en het daarop volgende faillissement van een nalatenschap, op verzoek van schuldeisers der nalatenschap. Het nieuwe Boek 4 behelst in afdeling 4.5.3 een regeling van de vereffening van een nalatenschap, die mede op verzoek van de schuldeisers kan worden uitgesproken. Deze regeling, die hetzelfde doel dient als het faillissement thans, komt voor dit laatste in de plaats.” (MvT, Kamerstukken II 1999-2000, 27 245, nr. 3, p. 10)

Het fixatiebeginsel

4.5.

Artikel 128 Fw luidt: ‘Interesten, na de faillietverklaring lopende, kunnen niet geverifieerd worden, tenzij door pand of hypotheek gedekt. In dat geval worden zij pro memorie geverifieerd. Voor zover de interesten op de opbrengst van het onderpand niet batig gerangschikt worden, kan de schuldeiser uit deze verificatie geen rechten ontlenen.’ Dit is een uitwerking van het beginsel dat de rechten van de schuldeisers worden gefixeerd op het moment van de faillietverklaring.

Jurisprudentie

4.6.

In de rechtspraak wordt wisselend geoordeeld over deze kwestie. Ter illustratie wordt naar de volgende uitspraken verwezen.

4.7.

In een arrest van het gerechtshof te Amsterdam van 28 maart 2017 werd als volgt geoordeeld: ‘Bepalingen van de Faillissementswet (FW) zijn voor zoveel mogelijk van toepassing. Het hof zal hierbij aansluiten zoeken, nu voor de vereffening een specifieke regeling ontbreekt. Op grond van artikel 128 FW kunnen schuldeisers in een faillissement in beginsel opkomen voor het bedrag dat zij op dat moment van de faillietverklaring te vorderen hebben. Analoge toepassing van deze bepaling leidt ertoe dat vanwege de toepassing van de wettelijke vereffening en het feit dat de omvang van de nalatenschap negatief is, geen wettelijke rente in rekening kan worden gebracht/verschuldigd is. Het hof ziet daarom net als de rechtbank aanleiding de wettelijke rente buiten beschouwing te laten’. (ECLI:NL:GHAMS:2017:1031, rov. 3.26)

4.8.

De rechter-commissaris in de rechtbank Noord-Nederland oordeelde later in 2017 dat het fixatiebeginsel niet van toepassing was op erfrechtelijke vereffeningen ECLI:NL:RBNNE:2017:3158). Dit standpunt werd herhaald in een vonnis van de kantonrechter in dezelfde rechtbank in 2020 en als volgt gemotiveerd:

‘Volgens het arrest van de Hoge Raad van 21 december 2018 (ECLI:NL:HR:2018:2393) is het uitgangspunt van de wetgever dat de voorschriften van de Faillisementswet op de procedure van toepassing is. Uitzondering is slechts mogelijk vanwege het verschil in karakter tussen de vereffening van een nalatenschap en die van de boedel van een failliet verklaarde schuldenaar. In artikel 128 Faillissementswet is bepaald dat interesten (rente), na faillietverklaring lopende, niet geverifieerd kunnen worden, tenzij door pand of hypotheek gedekt. Dit voorschrift uit de Faillissementswet is gebaseerd op het fixatiebeginsel dat inhoudt dat door het intreden van het faillissement de rechtspositie van alle bij de boedel betrokkenen onveranderlijk wordt. Het gaat hier om een belangrijk beginsel in het Faillissementsrecht dat naar het oordeel van de kantonrechter niet geldt voor nalatenschappen. De kantonrechter verwijst naar de uitspraak van 9 augustus 2017 van deze rechtbank (ECLI:NL:RBNNE:2017:3158). Vanwege het verschil in karakter tussen een failliete boedel en een nalatenschap is er naar haar oordeel voor wat betreft de rente die doorloopt na overlijden, reden om een uitzondering te maken op het uitgangspunt dat de voorschriften van de Faillissementswet van toepassing zijn. Een belangrijk verschil is dat een nalatenschap niet negatief hoeft te zijn, ook niet als deze volgens de wettelijke bepalingen wordt vereffend. Een ander verschil is dat bij een nalatenschap, de erfgenamen (of de echtgenoot bij een wettelijke verdeling) schuldenaar worden van de schulden van de erflater (artikel 4:182 BW). In geval van zuivere aanvaarding moeten zij ook de rente na overlijden betalen. In geval van beneficiaire aanvaarding zouden de schuldeisers deze rente eventueel na een wettelijke vereffening nog kunnen verhalen op de erfgenaam aan wie na de vereffening nog een uitkering heeft plaatsgevonden (artikel 4:184 lid 3 BW), maar de kantonrechter acht deze procedure voor schuldeisers in een geval als deze onnodig omslachtig.

Dit betekent dat de vereffenaar de rentevordering in de slotuitdelingslijst onder het kopje “concurrente schulden” had moeten opnemen. Dit bezwaar is gegrond. De vereffenaar zal de slotuitdelingslijst hierop moeten aanpassen en zij zal het bedrag dat overblijft voor de concurrente schuldeisers naar rato van de vorderingen moeten berekenen. Dit betekent dat [naam 4] meer krijgt dan nu is berekend en de andere schuldeisers iets minder. De vereffenaar meent dat de discussie er niet toe doet omdat het saldo negatief wordt. De kantonrechter volgt dit niet. Volgens de laatste versie van de slotuitdelingslijst resteert er na betaling van de preferente schuldeisers € 58.985,29. Dit moet onder de concurrente schuldeisers verdeeld worden naar rato van hun vordering. Ook de rentevordering zal naar rato betaald moeten worden.’ (ECLI:NL:RBNNE:2020:2402, rov. 2.15 en 2.16)

De literatuur

4.9.

Onder andere de volgende auteurs hebben zich uitgelaten over de voorliggende vraag.

4.10.

J.M. van Anken (Postume rente in de wettelijke vereffening, TE 2018 I, nr. 3) meent dat het fixatiebeginsel van toepassing is op de erfrechtelijke vereffening. Hij leest in de onder 4.3 weergegeven parlementaire geschiedenis dat volgens de wetgever onder andere de artikelen 130 en 133 Fw in de wettelijke vereffening dienen te worden toegepast. Aan die artikelen ligt het fixatiebeginsel ten grondslag. Bovendien staan deze artikelen in dezelfde afdeling van de Fw als artikel 128 Fw met als opschrift: ‘Van de verificatie der schuldvorderingen’. Van Anken ziet geen goede reden artikelen 130 en 133 Fw wel, maar artikel 128 Fw niet toe te passen in de erfrechtelijke vereffening. Van Anken vervolgt: ‘De na overlijden vervallende termijn doet een rentevordering ontstaan en de erfgenamen zijn daarvoor ingevolge artikel 4:182 lid 2 BW aansprakelijk. De nalatenschap, en niet het privévermogen van de erfgenamen, is daarvoor vervolgens verhaalsaansprakelijk ingevolge artikel 4:184 lid 2 BW. Bij het berekenen van de vordering is echter artikel 128 Fw ingevolge artikel 4:218 lid 5 BW van overeenkomstige toepassing, zodat de nalatenschap slechts verhaalsaansprakelijk is voor zover de rentevordering door pand of hypotheek is gedekt.’ Als er een vereffenaar wordt benoemd en ten minste één erfgenaam heeft zuiver aanvaard, is die naar rato van zijn erfdeel aansprakelijk en verhaalsaansprakelijk (artikel 4:184 lid 2 BW).

Van Anken merkt op dat het hof Amsterdam in het arrest van 28 maart 2017 (zie rov. 4.7) in zijn argumentatie betrekt dat de nalatenschap een negatief saldo vertoont. Naar zijn oordeel is het voor de toepasselijkheid van art 128 Fw irrelevant of het saldo van de nalatenschap positief dan wel negatief is. Als blijkt dat na de vereffening een surplus resteert ziet hij twee mogelijkheden:
1) de beneficiair aanvaardende erfgenamen die een eventueel surplus ontvangen, zijn ingevolge artikel 4:184 lid 3 BW verhaalsaansprakelijk met hun privévermogen tot de waarde die zij ontvangen;
2) er kan een opvolgende vereffening worden aangevraagd.


Tot slot vraagt Van Anken zich af hoe het zit met de ‘lichte’ vereffening. Dit is aan de orde bij een niet door de rechtbank benoemde vereffenaar waarbij de kantonrechter niet heeft bepaald dat de in artikel 4:218 BW omschreven verplichtingen rusten op de vereffenaar (artikel 4:221 lid 1 BW). Omdat het berekenen van een vordering de taak is van iedere vereffenaar, benoemd of niet, gelden de regels voor de behandeling van rentevorderingen zowel in de ‘zware’ als in de ‘lichte’ vereffening volgens Van Anken.

In: ‘Fixatie in faillissement en vereffening’, WPNR, 3 november 2018, gaat Van Anken nader in op zijn standpunt waarom de nalatenschapsboedel gefixeerd moet worden. Net als in een faillissement is het van belang vast te stellen wat de goederen en de schulden van de nalatenschap zijn met als doel de schulden van de nalatenschap zoveel mogelijk te voldoen. Ondanks de verschillen die er zijn tussen een faillissement en een vereffening, dient de vereffeningsregeling hetzelfde doel als het faillissement: geordend ieder het zijne verschaffen, aldus Van Anken.

4.11.

S.R. Baetens is (in: ‘De verschuldigdheid van rente bij de vereffening van nalatenschappen’, Tijdschrift relatierecht en praktijk, 2018, nr. 1) een andere mening toegedaan. Hij merkt op dat de bepalingen van de Faillissementswet volgens de bedoeling van de wetgever tijdens een vereffening uitsluitend overeenkomstige toepassing vinden als de wet dit uitdrukkelijk bepaalt (Asser/Perrick 4 2013/601). Afdeling 4.3.6 BW kent geen rechtstreekse verwijzing naar artikel 128 Fw. Baetens stelt dat in de meergenoemde wetsgeschiedenis niet voor niets artikel 128 Fw niet is genoemd. De ruimere, niet gespecificeerde verwijzing naar de Faillissementswet in artikel 4:218 lid 5 BW ziet op voorschriften over hoe bepaalde vorderingen moeten worden berekend om vervolgens te worden opgenomen op de uitdelingslijst. Het gaat over de wijze van waardering van vorderingen onder een opschortende of ontbindende voorwaarde, waarvan het tijdstip van opeisbaarheid onbepaald is of waarvan de waarde onbepaald of onzeker is. Bij verschenen rente is het, anders dan bij voornoemde vorderingen, eenvoudig vast te stellen welk bedrag concreet verschuldigd is. Fixatie is dus niet nodig.


Als artikel 128 Fw van toepassing zou zijn, leidt dat volgens Baetens tot de ontoelaatbare situatie dat erfgenamen die zuiver aanvaarden op grond van de saisine-regel wel gehouden zijn een renteverplichting te voldoen, terwijl als er een vereffenaar wordt benoemd op grond van artikel 4:204 BW diezelfde zuiver aanvaardende erfgenaam geen rente verschuldigd is vanaf de datum dat de vereffening aanvangt. Ook zou men een ruimschoots toereikende nalatenschap beneficiair kunnen aanvaarden om de omvang van de vordering te fixeren. De schuldeiser loopt dan de over de gehele vereffeningsprocedure verschuldigde rente mis, terwijl er ruim voldoende baten zijn. De vereffenaar moet de rente opnemen in de rekening en verantwoording en, bij voldoende baten, op de uitdelingslijst. Als de activa niet toereikend zijn om alle schulden te voldoen, moet de rente naar evenredigheid van de omvang van de schulden van gelijke rang worden voldaan, betoogt Baetens.

4.12.

J.W.A. Biemans, ziet (in: ‘De vereffening van nalatenschappen in ontwikkeling’, Fiscaal Tijdschrift Vermogen, 2019, nr. 5) een tendens waarbij in het kader van de vereffening van een nalatenschap steeds meer wordt aangesloten bij het faillissementsrecht. Hij bespreekt onder meer de arresten van de Hoge Raad van 4 mei 2018 (ECLI:NL:HR:2018:681) en van 21 december 2018 (ECLI:NL:HR:2018:2393).

4.13.

W.D. Kolkman vat een en ander als volgt samen in Tekst & Commentaar Erfrecht civiel en fiscaal in aantekening 7 bij artikel 4:218 BW onder het kopje ‘rente’: ‘Onduidelijk is of art. 128 Fw ook van overeenkomstige toepassing is; de meningen hierover in de literatuur divergeren en ook de rechtspraak is niet eenduidig’.

4.14.

Beantwoording van de aan de orde zijnde vraag is nodig om in deze zaak te beslissen en rechtstreeks van belang voor de beslechting of beëindiging van talrijke andere uit soortgelijke feiten voortvloeiende geschillen, waarin dezelfde vraag zich voordoet.

4.15.

De kantonrechter heeft het voornemen de volgende prejudiciële vragen aan de Hoge Raad voor te leggen:

- Moet artikel 4:218 lid 5 BW aldus worden uitgelegd dat het in artikel 128 van de Faillissementswet neergelegde fixatiebeginsel van overeenkomstige toepassing is op de vereffening van een nalatenschap?

- Indien de vorige vraag bevestigend wordt beantwoord:
dient daarbij onderscheid gemaakt te worden tussen de zogenaamde ‘zware’ en de ‘lichte’ vereffening? Met andere woorden, is het fixatiebeginsel ook van toepassing op erfgenaam-vereffenaars op wie de verplichtingen omschreven in art. 4:218 BW niet rusten? Zo ja, met ingang van welke datum moeten de rentevorderingen in dat geval worden gefixeerd?

- Indien de vraag ontkennend wordt beantwoord:
dienen de rentevorderingen zowel bij een positief als bij een negatief saldo van de nalatenschap op de uitdelingslijst te worden opgenomen? Indien deze alleen bij voldoende baten op de uitdelingslijst moeten worden geplaatst, zijn er algemene richtlijnen te geven wanneer sprake is van voldoende baten (rekening houdend met bijvoorbeeld oplopende rente en vereffeningskosten)?

4.16.

De kantonrechter zal partijen en belanghebbenden conform het bepaalde in artikel 392 lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering in de gelegenheid stellen zich uit te laten over het voornemen om vragen te stellen alsmede over de inhoud van de te stellen vragen. Zoals ter zitting besproken, dienen zij hun reactie uiterlijk op 25 januari 2021 kenbaar te maken.

4.17.

Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

5 De beslissing

De kantonrechter:

5.1.

stelt partijen en de belanghebbenden in de gelegenheid zich uiterlijk 25 januari 2021 uit te laten over het voornemen tot het stellen van prejudiciële vragen aan de Hoge Raad en de in de rechtsoverwegingen 4.15 geformuleerde vragen door een brief te sturen aan de griffie van de rechtbank Noord-Holland, locatie Alkmaar, met een afschrift aan de andere partijen en belanghebbenden, uiterlijk door de griffie te ontvangen op 25 januari 2021,

5.2.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze beschikking is gegeven door mr. M.C. van Rijn en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.

De griffier De kantonrechter