Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2021:2042

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
10-03-2021
Datum publicatie
23-03-2021
Zaaknummer
8273264 \ CV FORM 20-576
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Beschikking
Inhoudsindicatie

Luchtvaartzaak. Voor het kind onder de twee jaar is geen ticket aangeschaft. Artikel 3 lid 3 van de Verordening niet van toepassing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Insolventie

locatie Haarlem

Zaaknr./rolnr.: 8273264 \ CV FORM 20-576

Uitspraakdatum: 10 maart 2021

Beschikking van de kantonrechter in de zaak van:

1 [passagier sub 1]

2. [passagier sub 2] , pro se en in hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger voor zijn minderjarig kind [minderjarige 1]

allen wonende te [woonplaats 2]

3. [passagier sub 3] , pro se en in hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger voor haar minderjarige kinderen [minderjarige 2] en [minderjarige 3]

4. [passagier sub 4]

allen wonende te [woonplaats 1]

verzoekende partij

verder te noemen: de passagiers

gemachtigde: mr. I.G.B. Maertzdorff en mr. M.J.R. Hannink (EUclaim B.V.)

tegen

de rechtspersoon naar buitenlands recht

TAP Air Portugal

gevestigd te Lissabon (Portugal)

verwerende partij

verder te noemen: de vervoerder

gemachtigde: mr. P.C.X. de Leede en mr. E.A. Pluijm

1 Het procesverloop

Dit verloop blijkt uit:

  • -

    het vorderingsformulier (formulier A), ingekomen ter griffie op 8 januari 2020;

  • -

    akte houdende overlegging producties aan de zijde van de passagiers, ingekomen ter griffie op 10 februari 2020;

  • -

    akte houdende overlegging producties aan de zijde van de passagiers, ingekomen ter griffie op 6 maart 2020;

  • -

    het antwoordformulier (formulier C), ingekomen ter griffie op 1 juli 2020.

2 De feiten

2.1.

De passagiers hebben met de vervoerder een vervoersovereenkomst gesloten op grond waarvan de vervoerder de passagiers diende te vervoeren van Lissabon naar Amsterdam op 15 juni 2018, hierna: de vlucht.

2.2.

De vlucht van de passagiers is geannuleerd.

2.3.

De passagier hebben compensatie van de vervoerder verzocht in verband met de annulering van hun vlucht.

2.4.

De vervoerder heeft geweigerd tot betaling over te gaan.

2.5.

De passagier sub 2 en sub 3 zijn door de kantonrechter gemachtigd de onderhavige procedure namens de minderjarige kinderen te voeren.

3 Het verzoek en het verweer

3.1.

De passagiers verzoeken de vervoerder te veroordelen tot betaling van:
- € 605,00, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 15 juni 2018 tot aan de dag der algehele voldoening;
- primair € 363,00 subsidiair € 327,61 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 4 oktober 2018
- de proceskosten en de nakosten, vermeerderd met de wettelijke rente.

3.2.

De passagiers baseren het verzoek op de Verordening (EG) nr. 261/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels inzake compensatie en bijstand aan luchtreizigers bij instapweigering en annulering of langdurige vertraging van vluchten en tot intrekking van de verordening (EEG) nr. 295/91 (hierna: de Verordening) en de daarop betrekking hebbende rechtspraak van het Europese Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof).

3.3.

De passagiers sub 1 en 2 stellen dat de vervoerder vanwege de annulering van de vlucht op grond van artikel 5 en/of 6 juncto artikel 8 en/of 9 van de Verordening en subsidiair op grond van artikel 19 van het Verdrag van Montreal gehouden is hen te compenseren voor de extra kosten van in totaal € 205,00 die zij voor hotelovernachting en maaltijden hebben moeten maken.

3.4.

De passagiers sub 3 en 4 stellen dat de vervoerder vanwege de annulering van de vlucht gehouden is compensatie te betalen conform artikel 7 van de Verordening tot een bedrag van € 400,00 per passagier. Aangezien de vervoerder reeds een bedrag van € 1.200,00 heeft voldaan, vorderen de passagiers nog een bedrag van € 400,00.

3.5.

De vervoerder betwist de verschuldigdheid en de hoogte van het verzochte. Daartoe heeft de vervoerder het volgende aangevoerd.

3.6.

Primair wordt aangevoerd dat passagiers sub 3 [minderjarige 2] en [minderjarige 3] niet-ontvankelijk moeten worden verklaard in hun vordering, omdat een machtiging ex artikel 1:349 juncto artikel 1:253k van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) ontbreekt. Subsidiair wordt aangevoerd dat deze passagier op grond van artikel 3 lid 3 van de Verordening geen recht hebben op de compensatie van € 400,00, omdat voor passagier [minderjarige 2] als kind onder de twee jaar slechts administratiekosten zijn betaald.

4 De beoordeling

4.1.

De kantonrechter stelt ambtshalve vast dat de Nederlandse rechter in deze zaak bevoegd is om van het verzoek kennis te nemen.

4.2.

Voordat de kantonrechter toekomt aan een inhoudelijke behandeling van de vordering zal zij ingaan op het niet-ontvankelijkheidsverweer van de vervoerder. De passagiers hebben middels akte de machtigingen van de kantonrechter overgelegd. De passagiers sub 2 [minderjarige 1] en sub 3 [minderjarige 2] en [minderjarige 3] worden dan ook ontvankelijk verklaard in hun vordering.

4.3.

In het vorderingsformulier hebben de passagiers aangegeven een mondelinge behandeling te verlangen. Gelet op artikel 5 lid 1bis van de Verordening tot vaststelling van een Europees procedure voor geringe vorderingen nr. 861/2007 (EPGV-Verordening) zal de kantonrechter dit verzoek weigeren, omdat zij, gezien de omstandigheden van de zaak, van oordeel is dat een eerlijke rechtspleging in deze zaak geen mondelinge behandeling vergt.

4.4.

Met betrekking tot de vordering van de extra kosten van passagier sub 1 en 2 geldt dat de vervoerder de vordering in zoverre niet heeft betwist. De vordering tot betaling van de gemaakte kosten van € 205,00 zal dan ook worden toegewezen. De verzochte wettelijke rente over deze som is als onvoldoende gemotiveerd weersproken eveneens toewijsbaar.

4.5.

De vervoerder voert aan dat de passagiers sub 3 en 4 geen recht hebben op de gevorderde € 400,00, omdat de Verordening niet van toepassing is op het meereizende kind van onder de twee jaar, nu voor haar slechts € 3,00 aan administratiekosten in rekening is gebracht. Naar het oordeel van de kantonrechter heeft de vervoerder middels de overgelegde stukken haar verweer op dit punt voldoende onderbouwd. Niet is gebleken dat de passagiers voor het kind onder de twee jaar een ticket hebben aangeschaft. Dit leidt tot de vaststelling dat voor het minderjarige kind geen ticket is aangeschaft en zij gratis heeft gereisd. Uit artikel 3 lid 3 van de Verordening volgt dan ook dat in dat geval de Verordening niet van toepassing is. De gevorderde compensatie van € 400,00 zal om die reden worden afgewezen.

4.6.

De passagiers hebben een bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten verzocht. De vervoerder heeft dit verzoek (gemotiveerd) betwist. Omdat het onderhavige verzoek geen betrekking heeft op één van de situaties waarin het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit) van toepassing is, zal de kantonrechter de vraag of buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd zijn toetsen aan de eisen zoals deze zijn geformuleerd in het rapport Voorwerk II. Voldoende aannemelijk is gemaakt dat buitengerechtelijke werkzaamheden zijn verricht en dat hiervoor door de passagiers kosten zijn gemaakt. De omvang van de buitengerechtelijke incassokosten moet worden getoetst aan de tarieven zoals vervat in het Besluit in plaats van aan de tarieven van het rapport Voorwerk II, omdat de tarieven neergelegd in voornoemd Besluit worden geacht redelijk te zijn.
Het verzochte bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten is hoger dan het in het Besluit bepaalde tarief. De kantonrechter zal het verzochte bedrag dan ook toewijzen tot het wettelijke tarief, te weten € 48,40 (inclusief btw). De gevorderde rente over de buitengerechtelijke kosten wordt afgewezen, omdat niet is gesteld of gebleken dat deze kosten daadwerkelijk zijn betaald.

4.7.

Nu partijen ieder voor een deel in het ongelijk zijn gesteld, zullen de proceskosten worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

4.8.

Op verzoek van de passagiers zal een certificaat als bedoeld in artikel 20 lid 2 van de Verordening (EG) nr. 861/2007 tot vaststelling van een Europese procedure voor geringe vorderingen aan deze beschikking worden gehecht.

5 De beslissing

De kantonrechter:

5.1.

veroordeelt de vervoerder tot betaling aan passagier sub 1 en passagier sub 2 van
€ 205,00 te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 15 juni 2018 tot aan de dag van de algehele voldoening;

5.2.

veroordeelt de vervoerder tot betaling van € 48,40 aan buitengerechtelijke kosten;

5.3.

compenseert de proceskosten in de zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

5.4.

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. M.M. Kruithof, kantonrechter, en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.

De griffier De kantonrechter

Tegen deze beschikking staat geen hoger beroep open