Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2021:2008

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
16-03-2021
Datum publicatie
22-03-2021
Zaaknummer
AWB - 19 _ 4809
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

PW, stelselmatige waarnemingen, bestuursrechtelijk en strafrechtelijk onderzoek, peilbaken, opvragen telefoongegevens, gegrond, zelf voorzien

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Alkmaar

Bestuursrecht

zaaknummers: HAA 19/4809 en HAA 19/4754

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 maart 2021 in de zaken tussen

[eiseres] , te [woonplaats 1] ,

(gemachtigde: mr. V.Y. Jokhan),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Heerhugowaard, verweerder

(gemachtigde: mr. S.S. Kindt-Jiawan).

en tussen

[eiser] , te [woonplaats 2] ,

(gemachtigde: mr. M.T.A.M. Mes),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Heerhugowaard, verweerder

(gemachtigde: mr. S.S. Kindt-Jiawan).

Procesverloop

In de zaak HAA 19/4809

Bij besluit van 7 december 2018 (het primaire besluit I) heeft verweerder de bijstandsuitkering van [eiseres] (hierna te noemen: eiseres) op grond van de Participatiewet (PW) over de periode van 5 september 2017 tot en met 15 februari 2018 ingetrokken.

Bij besluit van 27 februari 2019 (het primaire besluit II) heeft verweerder de gemaakte kosten van bijstand over de periode van 5 september 2017 tot en met 15 februari 2018 tot een bedrag van € 6.751,77 van eiseres teruggevorderd.

Bij besluit van 19 september 2019, gewijzigd bij besluit van 19 september 2019 (het bestreden besluit I) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

In de zaak HAA 19/4754

Bij besluit van 27 februari 2019 (het primaire besluit III) heeft verweerder [eiser] (hierna te noemen: eiser) mede hoofdelijk aansprakelijk gesteld voor terugvordering van de aan [eiseres] over de periode van 5 september 2017 tot en met 15 februari 2018 verstrekte bijstandsuitkering ten bedrage van € 6.751,77.

Bij besluit van 23 september 2019 (het bestreden besluit II) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit II beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

In beide zaken:

De rechtbank heeft de zaken op 12 februari 2021 gevoegd behandeld. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden met gebruikmaking van een digitale verbinding via Skype. Eiseres en haar gemachtigde zijn verschenen. Eiser en zijn gemachtigde zijn verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde en [naam] (sociaal rechercheur).

Overwegingen

In beide zaken

1.1.

Eiseres heeft sinds 15 oktober 2014 een bijstandsuitkering naar de norm van een alleenstaande ouder. Eiseres en eiser hebben samen twee kinderen. De dochter staat op het adres van eiseres ingeschreven en de zoon op het adres van eiser. Bij eiseres en eiser is sprake van co-ouderschap.

1.2.

Naar aanleiding van een interne fraudemelding dat er een vermoeden bestaat dat eiser op het adres van eiseres verblijft, is verweerder een bestuursrechtelijk onderzoek gestart. Dit onderzoek heeft bestaan uit controle van de basisregistratie personen, van de RDW gegevens en naar het waterverbruik op het adres van eiseres. Ook zijn de bankafschriften van eiseres over de periode van 1 juli 2017 tot 24 oktober 2017 opgevraagd en de bankafschriften van eiser over de periode van 15 oktober 2014 tot 13 november 2017. Voorts zijn gegevens over de school van de kinderen bij de leerplichtambtenaar opgevraagd. Tevens zijn er over de periode van 5 september 2017 tot en met 3 november 2017 observaties verricht. Tot slot zijn meerdere buurtbewoners van zowel het adres van eiseres als dat van eiser als getuige gehoord.

1.3.

Het bestuursrechtelijk onderzoek is gevolgd door een strafrechtelijk onderzoek. Daartoe zijn in de periode van 15 november 2017 tot en met 22 januari 2018 stelselmatige observaties verricht met behulp van een GPS-peilbaken op de auto van eiser en over een periode van 3 januari 2018 tot en met 23 januari 2018 middels een camera gericht op de in- en uitgang van de woning van eiseres. Voorts zijn door de sociaal rechercheur observaties verricht over de periode van 15 november 2017 tot en met 22 januari 2018. Ook is de historische printlijst opgevraagd betreffende het telefoonnummer van eiser met betrekking tot de periode van 5 oktober 2017 tot en met 21 februari 2018. Tevens is Suwinet geraadpleegd ten aanzien van de inkomsten van eiser. Tot slot zijn eiseres en eiser verhoord.

In de zaak HAA 19/4809

2.1.

De onderzoeksbevindingen hebben geleid tot het primaire besluit I en II. Eiseres heeft tegen deze besluiten bezwaar gemaakt.

2.2.

In het bestreden besluit I stelt verweerder zich kortweg op het standpunt dat eiseres en [eiser] een gezamenlijke huishouding voeren op het adres van eiseres en dat eiseres daarom niet als alleenstaande ouder voor de PW kan worden aangemerkt. Omdat [eiser] de vader is van de kinderen van eiseres, is uitsluitend van belang of [eiser] zijn hoofdverblijf heeft in de woning van eiseres. Volgens verweerder is dat uit het bestuursrechtelijk en strafrechtelijk onderzoek voldoende gebleken. Eiseres heeft verweerder hiervan niet op de hoogte gesteld en daarmee heeft zij haar inlichtingenplicht geschonden. Haar bijstandsuitkering wordt over de periode van 5 september 2017 tot en met 15 februari 2018 ingetrokken en tot een bedrag van € 6.751,77 van eiseres teruggevorderd. Volgens verweerder zijn er geen dwingende redenen om van de terugvordering af te zien.

2.3.

Eiseres heeft gemotiveerd betwist dat [eiser] zijn hoofdverblijf heeft in haar woning.

3.1.

Naar vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) is voor het antwoord op de vraag waar iemand zijn hoofdverblijf heeft bepalend de plaats waar zich het zwaartepunt van zijn persoonlijke leven bevindt. Ook indien de betrokken personen het grootste deel van de tijd gezamenlijk doorbrengen - zelfs indien die situatie in feite is te duiden als samenwonen - bestaat de mogelijkheid dat voor ieder van de betrokkenen het zwaartepunt van het persoonlijke leven zich bevindt in de woning van hemzelf, zodat zij hun hoofdverblijf niet in dezelfde woning hebben (zie de uitspraak van 27 oktober 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:3723). Dit betekent dat verweerder concreet diende te bezien in welke woning zich het zwaartepunt van het persoonlijke leven van [eiser] bevond.

3.2.

Op grond van artikel 53a, zesde lid, van de PW, is verweerder bevoegd onderzoek in te stellen naar de juistheid en volledigheid van de verstrekte gegevens en zo nodig naar andere gegevens die noodzakelijk zijn voor de verlening dan wel de voortzetting van de bijstand. Deze algemene onderzoeksbevoegdheid kan steeds en spontaan worden uitgeoefend ten aanzien van alle bijstandsgerechtigden. Daartoe is geen daaraan voorafgaand en redengevend feit, signaal, grond of vermoeden vereist. Verweerder mocht dus in beginsel een onderzoek instellen naar de feitelijke woon- en leefsituatie van eiseres (zie de uitspraak van 24 januari 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:297).

4.1.

Naar aanleiding van een interne fraudemelding is verweerder een bestuursrechtelijk onderzoek gestart. In de periode van 5 september 2017 tot en met 3 november 2017 heeft verweerder observaties verricht. In deze periode van 60 dagen zijn in totaal op 45 dagen 143 observaties verricht. Eiseres voert aan dat de inzet van dit controlemiddel disproportioneel is omdat het is ingezet naar aanleiding van een niet concrete en niet relevante melding van een medewerker van verweerder. Verweerder betoogt dat wel voldaan is aan de eisen van proportionaliteit omdat het kortdurende reguliere observaties waren vanaf de openbare weg in een bestuursrechtelijk onderzoek.

4.2.

Vast staat dat verweerder is overgegaan tot de observaties naar aanleiding van een melding van een bezwaarmedewerker van verweerder van 30 augustus 2017. De strekking van die melding was dat [eiser] eiseres heeft begeleid bij vorige gerechtelijke procedures. Het doel van de observaties was het vaststellen van de woonsituatie c.q. leefvorm en vaststellen of eiseres recht had op de aan haar verstrekte bijstandsuitkering. De rechtbank is van oordeel dat de door de bezwaarmedewerker geschetste situatie geen informatie bevat over de woon- en leefsituatie van eiseres. Verweerder is desondanks vrijwel meteen overgegaan tot het observeren van de situatie rondom de woning van eiseres. Deze observaties zijn als stelselmatig aan te merken gelet op de intensiteit, frequentie en duur waarbij [eiser] zowel als eiseres door de sociaal rechercheur ook zijn gevolgd naar onder andere het winkelcentrum, de school van de kinderen, de supermarkt, het zwembad, de sporthal en richting Alkmaar. Niet valt in te zien waarom verweerder de woon- en leefsituatie op dat moment niet op een andere, minder ingrijpende manier, had kunnen onderzoeken. Verweerder had het gesprek met eiseres kunnen aangaan al dan niet gevolgd door een huisbezoek. Geconcludeerd moet dan ook worden dat verweerder te snel het belastende onderzoeksmiddel van stelselmatige observaties heeft ingezet en daarmee het in artikel 5:13 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) neergelegde evenredigheidsbeginsel heeft geschonden. Dit betekent dat de bevindingen van de observaties vanaf 5 september 2017 tot en met 3 november 2017 bij de beoordeling van de zaak van eiseres buiten beschouwing moeten blijven.

5.1.

Op 8 november 2017 heeft verweerder de bankafschriften van [eiser] over de periode van 15 oktober 2014 tot 13 november 2017 bij zijn bank opgevraagd. Eiseres stelt dat verweerder daarmee een ongerechtvaardigde inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [eiser] zoals bedoeld in artikel 8 van het EVRM. Volgens verweerder is gebleken dat het overgrote deel van de pintransacties van [eiser] zijn verricht in de directe omgeving van de woning van eiseres. Deze omstandigheid biedt steun voor het vermoeden dat [eiser] het centrum van zijn maatschappelijke leven in (de directe omgeving van) de woning van eiseres heeft.

5.2.

Verweerder heeft de bankafschriften van [eiser] in het kader van het bestuursrechtelijke onderzoek gevorderd bij zijn bank. Weliswaar vermeldt het bestreden besluit I dat deze bankafschriften in het kader van het strafrechtelijke onderzoek met toestemming van de Officier van Justitie (Ovj) zijn gevorderd maar dit standpunt wordt door de rechtbank niet gevolgd. Het rapport over het bestuursrechtelijk onderzoek vermeldt immers dat met toepassing van artikel 5:16 van de Awb de bankafschriften van [eiser] op 8 november 2017 zijn opgevraagd. Ook vermeldt het resume van dit rapport dat uit de waarnemingen en de bankafschriften is gebleken dat [eiser] zijn hoofdverblijf heeft op het adres van eiseres. Tevens staan in het rapport meerdere banktransacties en pinbetalingen beschreven. Voorts wordt in het rapport over het strafrechtelijk onderzoek ten aanzien van het inkomen van [eiser] vermeld dat al uit de met de bestuursrechtelijke bevoegdheid gevorderde bankafschriften is gebleken dat [eiser] studiefinanciering ontvangt. De niet nader onderbouwde stelling van [naam] ter zitting dat een en ander onjuist in de stukken staat vermeld en dat de bankafschriften weldegelijk in het kader van het strafrechtelijk onderzoek zijn gevorderd, kan daaraan niet af doen.

5.3.

Volgens vaste rechtspraak is verweerder in het kader van het onderzoek naar het recht op bijstand in beginsel gerechtigd inzage te verlangen in de bankafschriften van de bijstandsgerechtigde over de laatste drie maanden. Indien op basis van concrete objectieve feiten en omstandigheden redelijkerwijs kan worden getwijfeld aan de juistheid of de volledigheid van de door de belanghebbende over zijn financiële situatie verstrekte inlichtingen, en op basis daarvan twijfel bestaat aan de rechtmatigheid van de verleende uitkering, is verweerder gerechtigd een gericht onderzoek te doen en in dat kader zo nodig over een verder in het verleden liggende periode bankafschriften of transactieoverzichten te verlangen (zie de uitspraak van de CRvB van 31 januari 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BV2333).

5.4.

De bevoegdheid tot het opvragen van bankafschriften op grond van artikel 5:16 en 5:17 van de Awb wordt beperkt door artikel 5:13 van de Awb, op grond waarvan slechts gebruik van deze bevoegdheid mag worden gemaakt voor zover dat redelijkerwijs voor de vervulling van de taak van de toezichthouder nodig is. Verweerder heeft met toepassing van artikel 5:16 van de Awb over drie jaar bankafschriften van [eiser] gevorderd. Nu van een bijstandsgerechtigde in het kader van een rechtmatigheidsonderzoek in beginsel slechts drie maanden bankafschriften mogen worden opgevraagd en [eiser] geen bijstandsgerechtigde is, bestond er voor verweerder geen redelijke grond om drie jaar aan bankafschriften te vorderen. Gelet op de strekking van de melding verhoudt het opvragen van drie jaar aan bankafschriften zich ook niet met de bestuursrechtelijke bevoegdheid van verweerder in relatie tot die melding. Verweerder heeft ook hier in strijd met artikel 5:13 van de Awb gehandeld. De bankafschriften van [eiser] over de periode van 15 oktober 2014 tot 13 november 2017 dienen bij de beoordeling van de zaak van eiseres eveneens buiten beschouwing te blijven.

6. Dat het waterverbruik op het adres van eiseres aanknopingen biedt dat [eiser] zijn hoofdverblijf op haar adres heeft, wordt door de rechtbank evenmin gevolgd. Immers eiseres heeft een factuur van het waterbedrijf overgelegd waaruit blijkt dat het waterbedrijf over de periode van februari 2018 tot en met januari 2019 € 709,16 te veel in rekening heeft gebracht. Verweerder heeft niet onderbouwd waarom desondanks uitgegaan moet worden van een te hoog waterverbruik in relatie tot het huishouden van eiseres en haar dochter.

7.1.

De bijstandsuitkering van eiseres is eerder over de periode van 1 juli 2012 tot 4 december 2013 ingetrokken en teruggevorderd omdat [eiser] in deze periode zijn hoofdverblijf had in de woning van eiseres. Deze rechtbank heeft de daartegen ingediende beroepen ongegrond verklaard en de CRvB heeft deze uitspraken bevestigd. Vanwege het vermoeden van recidive heeft verweerder met toepassing van uitzondering 4 van de Aanwijzing sociale zekerheidsfraude een strafrechtelijk onderzoek ingesteld. Het strafrechtelijk onderzoek heeft uit de onder 1.3 genoemde onderdelen bestaan.

7.2.

De rechtbank stelt vast dat verweerder geen foto/videoapparatuur bij de woning van [eiser] heeft geplaatst. Ook stelt de rechtbank vast dat verweerder een uitdraai heeft overgelegd met daarin opgenomen een beperkte selectie van de met het peilbaken verkregen tijdstippen en locatiegegevens van de auto van [eiser] . Tot slot wordt vastgesteld dat verweerder weliswaar heeft gesteld dat de mobiel van [eiser] voor een groot deel aangestraald werd door de mast in de buurt van de woning van eiseres maar dit op geen enkele wijze heeft onderbouwd.

7.3.

De gegevens van het strafrechtelijk onderzoek waaronder de observaties van eiseres en [eiser] , de cameraobservaties gericht op de woning van eiseres, de door verweerder geselecteerde gegevens van het peilbaken en de tijdens het verhoor afgelegde verklaringen van eiseres en [eiser] bevestigen dat [eiser] in de te beoordelen periode regelmatig bij eiseres verbleef maar niet dat het zwaartepunt van zijn persoonlijke leven zich in de woning van eiseres bevond. Ook de getuigenverklaringen geven hiertoe geen aanleiding omdat de getuigen niet eenduidig hebben verklaard. Nu verweerder niet aannemelijk heeft gemaakt dat [eiser] in de periode hier in geding zijn hoofdverblijf had in de woning van eiseres, heeft verweerder zich ten onrechte op het standpunt gesteld dat sprake was van een gezamenlijke huishouding op grond waarvan de bijstandsuitkering van eiseres moest worden ingetrokken en teruggevorderd. Het beroep van eiseres is gegrond en het bestreden besluit I komt voor vernietiging in aanmerking.

7.4.

Gelet op het tijdsverloop is niet te aannemelijk dat nader onderzoek ter onderbouwing van het standpunt van verweerder nog mogelijk is. Daarin ziet de rechtbank aanleiding om, met het oog op definitieve beslechting van het geschil, zelf in de zaak te voorzien door de primaire besluiten I en II, waaraan hetzelfde gebrek kleeft als aan het bestreden besluit I, te herroepen.

8.1.

Gelet op al het vorenstaande bestaat er aanleiding om verweerder te veroordelen in de proceskosten van eiseres voor verleende rechtsbijstand in bezwaar en beroep overeenkomstig het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bbp). De totale kosten van eiseres worden begroot op € 2.670,00 (2 x 1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift tegen de herziening en tegen de terugvordering, 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 534,00 en een gemiddeld gewicht). Omdat aan eiseres een toevoeging is verleend, moet verweerder de proceskostenvergoeding voor rechtsbijstand (€ 2.670,00) betalen aan haar rechtsbijstandverlener.

8.2.

Voorts komen de door eiseres gedeclareerde reiskosten van € 4,30 voor het bijwonen van de zitting voor vergoeding in aanmerking. Ook dient verweerder aan eiseres het griffierecht van € 47,00 te vergoeden.

9.1.

Eiseres heeft tevens verzocht om schadevergoeding op grond van artikel 6 van het EVRM wegens overschrijding van de redelijke termijn.

9.2.

De vraag of de redelijke termijn bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM is overschreden moet worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval. Daarbij zijn van betekenis de ingewikkeldheid van de zaak, de wijze waarop de zaak door het bestuursorgaan en de rechter is behandeld en het processuele gedrag van verzoeker gedurende de gehele procesgang.

9.3.

In zaken als deze is de redelijke termijn voor een procedure in twee instanties in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan twee jaar in beslag heeft genomen. Daarbij geldt dat in beginsel het bezwaar binnen een half jaar en het beroep binnen anderhalf jaar zouden moeten worden afgehandeld. In beginsel is een vergoeding gepast van € 500,- per half jaar of gedeelte daarvan waarmee de redelijke termijn is overschreden.

9.4.

De bestuurlijke fase heeft vanaf de ontvangst van het bezwaarschrift op 8 januari 2019 tot het bestreden besluit I van 19 september 2019 bijna 9 maanden geduurd. De bestuurlijke fase is dan ook met 3 maanden overschreden. De rechtelijke fase heeft geduurd vanaf het bestreden besluit I tot de datum van deze uitspraak op 16 maart 2021 en dat is binnen de termijn van anderhalf jaar. Nu de termijnoverschrijding geheel heeft plaatsgevonden in de bestuurlijke fase zal de rechtbank verweerder veroordelen tot betaling van een bedrag van € 500,00 aan eiseres als vergoeding voor de door haar geleden immateriële schade.

In de zaak HAA 19/4754

11.1.

De rechtbank heeft in onderhavige uitspraak geoordeeld dat [eiseres] in de periode van 5 september 2017 tot en met 15 februari 2018 geen gezamenlijke huishouding heeft gevoerd met eiser. Daarom is er geen grond om de over deze periode betaalde bijstand aan [eiseres] mede van eiser terug te vorderen.

11.2.

De rechtbank verklaart het beroep van eiser gegrond en vernietigt het bestreden besluit II. Ook herroept de rechtbank het primaire besluit III.

11.3.

De rechtbank ziet aanleiding verweerder te veroordelen in de proceskosten van eiser voor verleende rechtsbijstand in bezwaar en beroep overeenkomstig het Bbp. De totale kosten van eiser worden begroot op € 2.136,00 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 534,00 en een gemiddeld gewicht). Ook dient verweerder aan eiser het griffierecht van € 47,00 te vergoeden.

11.4.

Voor zover eiser in zijn voordracht ter zitting al heeft bedoeld te klagen over de lange duur van de procedure merkt de rechtbank op dat eiser niet in aanmerking komt voor een schadevergoeding op grond van artikel 6 EVRM omdat de rechtbank uitspraak heeft gedaan binnen twee jaar vanaf de ontvangst van het bezwaarschrift door verweerder op 19 maart 2019.

Beslissing

In de zaak HAA 19/4809

De rechtbank

  • -

    verklaart het beroep van eiseres gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit I ;

  • -

    bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit I;

  • -

    herroept het primaire besluit I en het primaire besluit II;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres, zoals onder 8.1 en 8.2. is bepaald;

  • -

    veroordeelt verweerder tot het betalen van een schadevergoeding aan eiseres tot een bedrag van € 500,00;

  • -

    bepaalt dat verweerder aan eiseres het griffierecht van € 47,00 vergoedt.

In de zaak HAA 19/4754

De rechtbank

  • -

    verklaart het beroep van eiser gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit II;

  • -

    bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit II;

  • -

    herroept het primaire besluit III;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 2.136,00:

  • -

    bepaalt dat verweerder aan eiser het griffierecht van € 47,00 vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P.H. Lauryssen, rechter, in aanwezigheid van

D.M.M. Luijckx, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 16 maart 2021.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.