Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2021:2005

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
22-01-2021
Datum publicatie
12-03-2021
Zaaknummer
15.258532.20 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling tot een gevangenisstraf van 4 jaar wegens de opzettelijke invoer van ruim 12 kilo cocaïne.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Team Straf, locatie Haarlem

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15.258532.20 (P)

Uitspraakdatum: 22 januari 2021

Tegenspraak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 8 januari 2021 in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1993 te [geboorteland] ,

zonder vaste woon- of verblijfplaats hier te lande,

thans gedetineerd in [detentieadres] .

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. M. Kubbinga en van hetgeen verdachte en zijn raadsvrouw, mr. L.A. Korfker, advocaat te IJmuiden, naar voren hebben gebracht.

1 Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 15 oktober 2020 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht ongeveer 12367,6 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

2 Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3 Standpunten

3.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit.

3.2.

Standpunt van de verdediging

Door de raadsvrouw is geen verweer gevoerd ten aanzien van het tenlastegelegde feit.

4 Oordeel van de rechtbank

4.1.

Redengevende feiten en omstandigheden

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit op grond van het volgende.

Op 15 oktober 2020 is verdachte met vlucht KL 0736 vanuit Curaçao op de luchthaven in Schiphol in de gemeente Haarlemmermeer aangekomen. Tijdens het controleren van zijn bagage worden er in een koffer van verdachte diverse pakketten aangetroffen.1 Bij nader onderzoek blijkt zich in de koffer ook nog een plastic zak met slikkersbollen te bevinden. In de pakketten en slikkersbollen wordt een substantie aangetroffen. Het totale nettogewicht van deze stof bedraagt 12.367,6 gram. Van de aangetroffen substantie zijn ter analyse 14 representatieve monsters genomen.2 Van die monsters is vastgesteld dat het cocaïne betreft.3 Verdachte heeft de bewuste koffer voor iemand anders meegenomen. De persoon voor wie verdachte de koffer mee nam, kwam verdachte tegen op straat. Verdachte kende deze persoon niet. Voor het meenemen van de koffer zou verdachte € 6.000,- krijgen. Verdachte wist dat zich in de koffer contrabande bevond, maar heeft geen vragen gesteld over de inhoud van de koffer en heeft hier ook geen onderzoek naar gedaan.4

4.2.

Bewijsoverweging

Voorwaardelijk opzet

De rechtbank stelt voorop dat in zaken als deze als uitgangspunt heeft te gelden dat een passagier met de inhoud van zijn bagage bekend is en voor die inhoud verantwoordelijk is, tenzij op grond van feiten en omstandigheden aannemelijk wordt dat die passagier niet met de inhoud van de bagage bekend was en daarmee ook niet bekend had behoren te zijn. Van dergelijke feiten en omstandigheden is naar het oordeel van de rechtbank niet gebleken.

Het is een feit van algemene bekendheid dat vanuit Curaçao per vliegtuig veelvuldig verdovende middelen naar Nederland worden gesmokkeld. Nu verdachte verklaard heeft dat hij tegen betaling een koffer met contrabande mee zou nemen naar Nederland heeft hij zich willens en wetens blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat in die koffer cocaïne was verborgen en dat hij deze cocaïne binnen het grondgebied van Nederland zou brengen. De rechtbank acht op grond van het vorenstaande het ten laste gelegde opzet in voorwaardelijke zin dan ook bewezen.

Verdachte heeft ter terechtzitting nog verklaard dat hij in de veronderstelling verkeerde dat zich slechts één kilo in zijn koffer bevond. De rechtbank stelt vast dat verdachte vanuit Curaçao naar Nederland is gereisd in de wetenschap dat zich in zijn koffer contrabande bevond. Verdachte heeft zijn koffer niet zelf ingepakt en heeft geen nader onderzoek gedaan naar de inhoud van de koffer, ook niet nadat hij had opgemerkt dat de koffer wel erg zwaar aanvoelde. Door onder deze omstandigheden een koffer mee te nemen, heeft verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard niet alleen dat zich in de koffer cocaïne zou bevinden, maar ook dat dit een grotere dan de veronderstelde hoeveelheid zou zijn. Verdachte heeft naar het oordeel van de rechtbank dan ook voorwaardelijk opzet gehad op de invoer van het gehele aangetroffen gewicht aan cocaïne.

4.3.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat

hij op 15 oktober 2020 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht 12.367,6 gram cocaïne.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

Hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

5 Kwalificatie en strafbaarheid van het feit

Het bewezenverklaarde levert op:

opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder A, van de Opiumwet gegeven verbod.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is derhalve strafbaar.

6 Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is derhalve strafbaar.

7 Motivering van de sanctie

7.1

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaar, met aftrek van het ondergane voorarrest.

7.2

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft gewezen op de persoonlijke omstandigheden van verdachte en heeft aangevoerd dat aan hem is voorgehouden dat hij 1 kilo mee zou nemen, in plaats van de ruim 12 kilo die in zijn koffer zijn aangetroffen. Verdachte is aan te merken als first offender en is in deze situatie terecht gekomen doordat zijn inkomen gedurende zeven maanden is weggevallen door de coronacrisis. Daarvoor had hij zijn zaken op orde en een goed en mooi leven. De geldzorgen drukken zwaar op verdachte, die verantwoordelijkheid draagt voor zijn gezin met twee jonge kinderen. Gelet hierop heeft de raadsvrouw de rechtbank verzocht om af te wijken van de oriëntatiepunten van het LOVS en een lagere straf op te leggen dan door de officier van justitie is gevorderd.

7.3

Oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de sanctie die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft ruim 12 kilo cocaïne in zijn koffer Nederland ingevoerd. Dit is een voor de gezondheid van personen schadelijke stof. De ingevoerde hoeveelheid was van dien aard, dat deze bestemd moet zijn geweest voor verdere verspreiding en handel. De verspreiding van en handel in cocaïne gaan gepaard met vele andere vormen van criminaliteit, waaronder de door gebruikers gepleegde strafbare feiten ter financiering van hun behoefte aan deze stof.

Met betrekking tot de persoon van verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op het op naam van de verdachte staand Uittreksel Justitiële Documentatie, gedateerd 24 november 2020, waaruit blijkt dat hij niet eerder met justitie in aanraking is geweest.

Bij het bepalen van de strafmaat heeft de rechtbank rekening gehouden met de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) met betrekking tot drugskoeriers. Daarbij is de rechtbank uitgegaan van 12.367,6 gram cocaïne, nu dit de hoeveelheid is die is aangetroffen in de koffer die door verdachte is meegenomen. De rechtbank ziet in de persoonlijke omstandigheden van verdachte geen aanleiding om bij de bepaling van de strafmaat af te wijken van voormelde oriëntatiepunten voor straftoemeting bij deze hoeveelheid.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een vrijheidsbenemende straf van na te noemen duur moet worden opgelegd.

8 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

artikelen 2 en 10 van de Opiumwet.

9 Beslissing

De rechtbank:

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 4.3 weergegeven;

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij;

Bepaalt dat het bewezen verklaarde feit het hierboven onder 5. vermelde strafbare feit oplevert;

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van VIER (4) JAAR;

Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. S. Sicking, voorzitter,

mr. J.J.M. Uitermark en mr. H.D. Overbeek, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier mr. T.A.F. Pomper,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 22 januari 2021.

mr. Sicking is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 Proces-verbaal van aanhouding d.d. 15 oktober 2020, dossierpagina 1-3; Proces-verbaal van bevinding en overdracht d.d. 15 oktober 2020, dossierpagina’s 4-5.

2 Proces-verbaal van onderzoek verdovende middelen d.d. 16 oktober 2020, dossierpagina’s 43-49; proces-verbaal Onderzoek verdovende middelen d.d. 20 oktober 2020, dossierpagina’s 61-69.

3 Schriftelijke bescheiden, te weten de rapporten van het Nederlands Forensisch Instituut d.d. 20 oktober 2020, dossierpagina’s 70-76.

4 De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 8 januari 2021.