Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2021:1990

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
02-03-2021
Datum publicatie
12-03-2021
Zaaknummer
AWB - 19 _ 3259
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Douanerecht. Verzoek tot terugbetaling. De douaneschuld is ontstaan in 2002. De wettelijke bepalingen inzake terugbetaling zijn materiele voorschriften, zodat artikel 239 CDW van toepassing is. Bijzondere omstandigheden moeten betrekking hebben op het ontstaan van de douaneschuld. De door eiseres aangevoerde omstandigheden zien echter op de periode tussen het ontstaan van de douaneschuld en de mededeling van de douaneschuld door middel van de opleggen van de eerste uitnodigingen tot betaling en het tijdsverloop nadien tot het opleggen van de tweede uitnodigingen tot betaling. Het ontbreken van een verhaalsmogelijkheid kan niet worden aangemerkt als bijzondere omstandigheid. De rechtbank komt daarom tot de conclusie dat geen sprake is van een bijzondere omstandigheid die terugbetaling op grond van artikel 239 CDW rechtvaardigt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 15-03-2021
FutD 2021-0963
NTFR 2021/1014
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank noord-holland

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummers: HAA 19/3259 en 19/3260

uitspraak van de meervoudige douanekamer van 2 maart 2021 in de zaken tussen

[X] B.V., gevestigd te [Z] , eiseres

(gemachtigde: mr. B.J.B. Boersma RB),

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Douane, kantoor Eindhoven, verweerder.

Procesverloop

Eiseres heeft op 13 september 2018 een verzoek gedaan op grond van artikel 116, eerste lid, jo. artikel 120 van het Douanewetboek van de Unie (DWU) tot terugbetaling ten aanzien van twee uitnodigingen tot betaling (utb’s) met nummers [# 1] en [# 2] .

Verweerder heeft beide verzoeken bij één besluit van 13 februari 2019 afgewezen.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 6 juni 2019 het bezwaar van eiseres tegen dat besluit ongegrond verklaard.

Eiseres heeft daartegen beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 oktober 2020 te Haarlem.

Eiseres is verschenen bij haar gemachtigde voornoemd. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden mr. dr. [A] en

mr. [B] .

Eiseres heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan de rechtbank en aan verweerder.

Van het verder ter zitting verhandelde is een proces-verbaal opgemaakt, waarvan een afschrift aan deze uitspraak is gehecht.

Overwegingen

Feiten

1. Eiseres heeft op 13 en 18 november 2002 aangifte gedaan tot plaatsing onder de regeling extern communautair douanevervoer van knoflook. Voor het vervoer zijn T1-documenten opgemaakt. Verweerder heeft aan eiseres op 24 en 26 september 2003 uitnodigingen tot betaling (utb’s) uitgereikt wegens de niet-zuivering van deze T1-documenten. De door eiseres daartegen gemaakte bezwaren zijn bij één uitspraak op bezwaar van 19 januari 2012 ongegrond verklaard.

2. Bij uitspraak van deze rechtbank van 18 januari 2013 is het daartegen door eiseres ingesteld beroep ongegrond verklaard. Het gerechtshof Amsterdam heeft bij uitspraak van 12 maart 2015 (ECLI:NL:GHAMS:2015:2074) die uitspaak bevestigd.

3. Bij arrest van 16 september 2016 (ECLI:NL:HR:2016:2077) heeft de Hoge Raad der Nederlanden (HR) het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën ongegrond verklaard en het beroep in cassatie van eiseres gegrond. De HR heeft daarbij – voor zover hier van belang - de uitspraak van het hof, de uitspraak van de rechtbank, de uitspraken van de inspecteur en de utb’s vernietigd.

4. Bij brief van 17 november 2016 heeft verweerder eiseres zijn voornemen bekend gemaakt om (opnieuw) utb’s uit te reiken wegens de niet-zuivering van de meergenoemde T1-documenten.

5. Verweerder heeft aan eiseres met dagtekening 2 oktober 2017 twee utb’s uitgereikt ten bedrage van € 33.481,67 en € 33.182,31 wegens de niet-zuivering van twee T1-documenten met de kenmerken [K# 1] respectievelijk [K# 2] . De utb’s strekken tot betaling van douanerechten, omzetbelasting en rente op achterstallen.

6. Bij uitspraken op bezwaar van 12 december 2017 heeft verweerder het tegen de utb’s gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

7. Bij uitspraak van heden heeft deze rechtbank de daartegen ingestelde beroepen ongegrond verklaard.

Geschil
8.In geschil is of verweerder de verzoeken om terugbetaling terecht heeft afgewezen. Meer in het bijzonder is in geschil of sprake is van een bijzondere situatie die reden is om tot terugbetaling over te gaan.

9. Eiseres stelt dat de utb’s zijn opgelegd in strijd met de vele jaren geleden gemaakte afspraken met de Nederlandse douane. Het recht op verdediging van eiseres is door het handelen van de Nederlandse douane dusdanig geschonden dat mededeling van de douaneschuld niet (meer) mogelijk is. Voorts stelt eiseres dat het recht om na te vorderen door tijdsverloop is vervallen. Ten slotte stelt eiseres dat het opleggen van de utb’s in strijd is met de billijkheid zoals gesteld in artikel 120 van het DWU en eerder artikel 239 van het Communautair Douanewetboek (CDW). Om die reden moet het bedrag van de utb’s worden kwijtgescholden of terugbetaald.

Eiseres verzoekt om vergoeding van de proceskosten.

10. Verweerder stelt dat er geen sprake is van bijzondere omstandigheden die een terugbetaling op grond van artikel 120 DWU en/of artikel 239 CDW rechtvaardigen.

Het tijdsverloop van 15 jaar sedert het ontstaan van de douaneschulden is volgens verweerder geen bijzondere omstandigheid. De utb’s hebben betrekking op twee aangiften tot plaatsing van goederen onder de regeling douanevervoer in november 2002. Na bezwaar en beroep heeft de HR de utb’s op 16 september 2016 vernietigd. Bij een vernietiging wegens schending van het verdedigingsrecht is de utb weliswaar aangetast, maar niet de douaneschuld zelf. In verband met de op de douaneautoriteiten rustende verplichting om over te gaan tot mededeling van douaneschulden waarvan zij het ontstaan hebben vastgesteld, zullen nieuwe mededelingen moeten volgen. Dit is alleen anders als er verjaring zou zijn ingetreden. Tussen partijen is niet in geschil dat, met inachtneming van de wettelijke bepalingen, de utb’s zijn opgelegd binnen de daarvoor geldende termijnen.

Er is een ongebruikelijk lange tijd verstreken tussen het tijdstip van ontstaan van de douaneschulden en de vaststelling van de (nieuwe) utb’s. Het tijdsverloop is het directe gevolg van de toepassing van de geldende regelgeving. Omdat die regelgeving op dezelfde wijze wordt toegepast in vergelijkbare gevallen, leidt deze bij andere marktdeelnemers die dezelfde activiteit uitoefenen tot hetzelfde gevolg. Eiseres bevindt zich in dit opzicht niet in een uitzonderlijke situatie ten opzichte van andere markdeelnemers.

De omstandigheid dat eiseres door het lange tijdsverloop zou zijn beperkt in haar verdedigingsmogelijkheden kan evenmin als bijzondere omstandigheid worden aanvaard. De bijzondere omstandigheden moeten betrekking hebben op het ontstaan van de douaneschuld, niet op de besluitvormingsprocedure ter zake van de mededeling van die douaneschuld.

Ook het ontbreken van een verhaalsmogelijkheid voor een douaneschuldenaar kan niet worden aangemerkt als een bijzondere omstandigheid in de zin van artikel 239 CDW en/of artikel 120 DWU. Niet alleen houdt dit geen verband met het ontstaan van de schuld, het is bovenal te beschouwen als een normaal handelsrisico.

Wat betreft de door eiseres gestelde toezeggingen die aan haar zouden zijn gedaan in de diverse stadia van de gevoerde procedures: er zijn geen aanwijzingen gevonden voor vrijwaring van deze utb’s. Alleen daarom al is geen sprake van een bijzondere omstandigheid.

Verweerder concludeert dat de verzoeken om terugbetaling terecht en op goede gronden zijn afgewezen.

11. Voor het overige verwijst de rechtbank naar de gedingstukken.

Beoordeling van het geschil

12. De douaneschuld waarvan terugbetaling wordt verzocht is ontstaan in 2002. Op situaties (waaronder belastbare feiten) die zich vóór het van toepassing worden van het DWU (op 1 mei 2016) hebben voorgedaan, zijn in het algemeen de materiële voorschriften van het (tot 1 mei 2016 geldende) CDW (Verordening 2913/92) van toepassing, terwijl doorgaans de procedurevoorschriften van het DWU van toepassing zijn. Uit het arrest van het Hof van Justitie (hierna: HvJ) van 7 september 1999, C-61/98, ECLI:EU:C:1999:393, rechtsoverwegingen 22 en 23, leidt de rechtbank af dat de wettelijke bepalingen inzake terugbetaling - voor zover voor de beslechting van het onderwerpelijke geschil van belang - materiële voorschriften zijn, zodat het CDW van toepassing is en niet het DWU.

13. Artikel 239 CDW voorziet in een recht op terugbetaling of kwijtschelding van douanerechten indien (1) sprake is van een bijzondere situatie en (2) geen sprake is van klaarblijkelijke nalatigheid, noch van een frauduleuze handeling van de zijde van de belastingschuldige. Volgens vaste rechtspraak vormt artikel 239 CDW een algemene billijkheidsclausule (vgl. HvJ 3 april 2008, Militzer & Münch, C-230/06, rechtsoverweging 50).

Eveneens volgens vaste rechtspraak is het bestaan van een bijzondere situatie aangetoond wanneer uit de omstandigheden van het concrete geval volgt dat de belastingschuldige in een uitzonderlijke situatie verkeert vergeleken met de andere marktdeelnemers die dezelfde activiteit verrichten (vgl. HvJ 25 februari 1999, Trans-Ex-Import, C-86/97, rechtsoverwegingen 21 en 22, en 7 september 1999, De Haan Beheer BV, C-61/98, overweging 52).

14. Uit de jurisprudentie van het HvJ volgt dat de in aanmerking te nemen bijzondere omstandigheden betrekking moeten hebben op het ontstaan van de douaneschuld. De douaneschulden zijn ontstaan direct na het verstrijken van de vervoerstermijnen waarbinnen de goederen nog regelmatig hadden kunnen worden aangebracht, op 18 en 26 november 2002. De door eiseres aangevoerde omstandigheden zien echter op de periode tussen het ontstaan van de douaneschulden en de mededeling van de douaneschulden door middel van de oplegging van de eerste utb’s en het tijdsverloop nadien tot het opleggen van de tweede utb’s.

De rechtbank onderschrijft voorts het standpunt van verweerder dat ook het ontbreken van een verhaalsmogelijkheid niet kan worden aangemerkt als een bijzondere omstandigheid in de zin van artikel 239 CDW, omdat die omstandigheid niet alleen geen verband houdt met het ontstaan van de schuld, maar bovenal is te beschouwen als een normaal handelsrisico.

De rechtbank komt daarom tot de conclusie dat geen sprake is van een bijzondere omstandigheid die terugbetaling op grond van artikel 239 CDW rechtvaardigt.

Verzoek om vergoeding van immateriële schade.

15. Het bezwaarschrift van 22 maart 2019 van eiseres is op 25 maart 2019 door verweerder ontvangen. Met deze uitspraak van de rechtbank is de redelijke termijn van twee jaar niet overschreden. Het verzoek zal daarom worden afgewezen.

16. Gelet op het vorenoverwogene dienen de beroepen ongegrond te worden verklaard.

Proceskosten

17. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank

- verklaart de beroepen ongegrond;

- wijst de verzoeken om vergoeding van immateriële schade af.

Deze uitspraak is gedaan door mr.drs. C.M. van Wechem, voorzitter, mr. S. Kleij en
mr. T.E. Deurvorst, leden, in aanwezigheid van mr. W.G. van Gastelen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 2 maart 2021.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam (douanekamer), Postbus 1312,

1000 BH Amsterdam.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.