Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2021:1970

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
01-03-2021
Datum publicatie
11-03-2021
Zaaknummer
8954634\VV EXPL 21-1
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Arbeidszaak. Vordering in kort geding van werknemer om concurrentiebeding te schorsen wordt afgewezen, omdat ex-werkgever voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat het belang van werkgever bij handhaving van het concurrentiebeding groter is dan het belang van de werknemer om zonder beperking bij een nieuwe werkgever te kunnen werken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2021-0297
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Bewind

locatie Zaanstad

Zaaknr./rolnr.: 8954634 \ VV EXPL 21-1

Uitspraakdatum: 1 maart 2021

Vonnis van de kantonrechter in kort geding in de zaak van:

[…]

wonende te [woonplaats]

eiser

verder te noemen: [eiser]

gemachtigde: mr. G.A. Soebhag

tegen

de besloten vennootschap Special Cosmetics B.V.

gevestigd te Wormerveer

gedaagde

verder te noemen: Special Cosmetics

gemachtigde: mr. L. Bijl

Samenvatting van de zaak en de uitspraak

Deze zaak gaat over een concurrentiebeding van een werknemer. De werknemer vordert in kort geding dat het overeengekomen concurrentiebeding wordt geschorst of buiten effect wordt gesteld. De uitspraak is dat die vordering wordt afgewezen. De kantonrechter oordeelt dat de werknemer het concurrentiebeding overtreedt, omdat zijn nieuwe werkgever een concurrent is van de ex-werkgever. Verder wordt geoordeeld dat het belang van de ex- werkgever bij handhaving van het concurrentiebeding groter is dan het belang van de werknemer om zonder beperking bij een nieuwe werkgever te kunnen werken. De ex-werkgever heeft aannemelijk gemaakt dat de werknemer door zijn functie belangrijke kennis en informatie heeft waarmee hij zijn nieuwe werkgever een concurrentievoordeel kan geven. Het door de ex-werkgever gevorderde voorschot op een boete wordt toegewezen tot € 5.000,00.

1 Het procesverloop

1.1.

[eiser] heeft Special Cosmetics op 1 februari 2021 gedagvaard.

1.2.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 15 februari 2021. Op deze zitting heeft Special Cosmetics een tegenvordering ingediend. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat partijen ter toelichting van hun standpunten, mede aan de hand van pleitaantekeningen, naar voren hebben gebracht. Voorafgaand aan de zitting heeft Special Cosmetics bij brief van 11 februari 2021 nog stukken toegezonden.

2 De feiten

2.1.

Special Cosmetics is een onderneming die zich onder meer bezighoudt met de productie en verkoop van huidverzorgingsproducten van het merk Tyro en Make Up Studio.

2.2.

[eiser] , [geboortedatum] , heeft verschillende dienstverbanden gehad bij Special Cosmetics en aan Special Cosmetics gelieerde ondernemingen. De laatste arbeidsovereenkomst is aangegaan op 1 september 2019, voor onbepaalde tijd en voor de functie van Sales Manager, met een salaris van € 4.750,00 bruto per maand.

2.3.

In de schriftelijke arbeidsovereenkomst staat een concurrentiebeding. Het concurrentie- en boetebeding in artikel 8 van de arbeidsovereenkomst luidt als volgt:

“8.1 Het is Werknemer verboden om gedurende een periode van 12 maanden na beëindiging van het dienstverband, zonder voorafgaande toestemming van Werkgever, zelf in enigerlei vorm een zaak/onderneming, gelijk, gelijksoortig of verwant aan de onderneming van Werkgever te vestigen, te drijven mede te drijven of te doen drijven, hetzij direct, hetzij indirect, alsook financieel in welke vorm dan ook, bij een dergelijke zaak belang te hebben, direct of indirect, of daarin of daarvoor op enigerlei wijze werkzaam te zijn, hetzij tegen vergoeding, hetzij om niet. (...)

8.3

Bij overtreding/niet nakoming van het in het eerste en tweede lid bepaalde, verbeurt Werknemer aan Werkgever een direct en zonder nadere ingebrekestelling of rechterlijke tussenkomst opeisbare boete van € 5.000,00 per overtreding niet nakoming, te vermeerderen met € 500,00 voor iedere dag waarop de overtreding/niet nakoming voortduurt, ongeacht of hierop gebruikelijk wordt gewerkt of niet. (...)”

2.4.

Met een e-mail van 24 augustus 2020 heeft [eiser] de arbeidsovereenkomst opgezegd tegen 31 oktober 2020.

2.5.

In een brief van 22 september 2020 heeft Special Cosmetics aan [eiser] meegedeeld dat zij heeft begrepen dat [eiser] in dienst wil treden bij Esse Skincare Netherlands B.V. (hierna: Esse) en dat dit niet is toegestaan, gelet op het overeengekomen concurrentiebeding.

2.6.

[eiser] is in ieder geval op 23 november 2020 in dienst getreden bij Esse.

3 De vordering en het verweer

3.1.

[eiser] vordert dat de kantonrechter bij wijze van voorlopige voorziening de werking van het overeengekomen concurrentiebeding schorst of buiten effect stelt, dan wel een eventueel verschuldigde boete matigt en een billijke vergoeding toekent. Hij legt aan de vordering ten grondslag – kort weergegeven – dat Special Cosmetics en Esse geen concurrenten zijn van elkaar en dat [eiser] een groot belang heeft om in dienst te treden bij Esse. Wat betreft zijn belangen daarbij heeft [eiser] onder meer gewezen op de mogelijkheid bij Esse om cursussen te volgen, op het feit dat hij bij Esse een serieuze salarisstap zal maken en op de omstandigheid dat bij Special Cosmetics sprake was van ‘functieverwatering’ en een slecht werkklimaat.

3.2.

Special Cosmetics betwist de vordering. Special Cosmetics voert aan – samengevat – dat zij een groot belang heeft bij naleving van het concurrentiebeding, om haar marktaandeel en concurrentiepositie te beschermen. Daarbij heeft Special Cosmetics toegelicht dat [eiser] in zijn functie als Sales Manager volledig op de hoogte is van alle bedrijfsgevoelige informatie van Special Cosmetics en dat voorkomen moet worden dat concurrenten inzage krijgen of op de hoogte raken van de wijze waarop Special Cosmetics haar onderneming exploiteert. Special Cosmetics stelt dat [eiser] door indiensttreding bij Esse het concurrentiebeding heeft overtreden en vordert daarom een voorschot van € 40.000,00 op de boetes. Ook wordt gevorderd [eiser] te gebieden het concurrentiebeding na te komen en zijn werkzaamheden voor Esse te staken en gestaakt te houden. [eiser] heeft de tegenvordering betwist.

4 De beoordeling

de vordering

4.1.

De vordering in kort geding kan alleen worden toegewezen als [eiser] daarbij een spoedeisend belang heeft. Dat is het geval, nu het hier gaat om een vordering tot schorsing van een concurrentiebeding.

4.2.

Verder is voor toewijzing van de vordering in dit kort geding vereist dat de feiten en omstandigheden die aan de vordering ten grondslag zijn gelegd, voldoende aannemelijk zijn. Ook moet in voldoende mate waarschijnlijk zijn dat de vordering in een nog te voeren gewone procedure (bodemprocedure) zal worden toegewezen. Voor nader onderzoek naar bepaalde feiten en omstandigheden of voor bewijslevering door bijvoorbeeld getuigen is in dit kort geding geen plaats. Dat moet gebeuren in een eventuele bodemprocedure. De beoordeling in dit kort geding is dan ook niet meer dan een voorlopig oordeel over het geschil tussen partijen.

4.3.

Naar het oordeel van de kantonrechter moet de vordering van [eiser] worden afgewezen. Dat oordeel wordt hierna toegelicht.

4.4.

Vast staat dat tussen partijen een concurrentiebeding is overeengekomen in artikel 8 van de schriftelijke arbeidsovereenkomst. Het concurrentiebeding verbiedt [eiser] gedurende een periode van twaalf maanden na beëindiging van het dienstverband, dus tot en met 31 oktober 2021, in dienst te treden of te werken voor een zaak of een onderneming die gelijk, gelijksoortig of verwant is aan de onderneming van Special Cosmetics.

4.5.

Vast staat ook dat [eiser] in ieder geval op 23 november 2020 in dienst is getreden bij Esse en sindsdien werkzaam is voor Esse.

4.6.

De kantonrechter is, anders dan [eiser] , van oordeel dat [eiser] door indiensttreding bij Esse en door het verrichten van werkzaamheden voor Esse het concurrentiebeding overtreedt. Esse is immers een onderneming die net als Special Cosmetics huidverzorgingsproducten verkoopt. Gelet daarop is Esse een concurrent van Special Cosmetics en in ieder geval een onderneming die gelijk, gelijksoortig of verwant is aan de onderneming van Special Cosmetics, zoals bedoeld in het concurrentiebeding. Het is [eiser] dus verboden om tot en met 31 oktober 2020 in dienst of werkzaam te zijn voor Esse.

4.7.

[eiser] verzoekt om schorsing van het concurrentiebeding, waarbij hij stelt dat verwacht mag worden dat in een bodemprocedure zal worden beslist dat het concurrentiebeding geheel of gedeeltelijk zal worden vernietigd.

4.8.

Op grond van de wet, het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW), kan de kantonrechter het concurrentiebeding geheel of gedeeltelijk vernietigen indien in verhouding tot het te beschermen belang van Special Cosmetics, [eiser] door dat beding onbillijk wordt benadeeld (artikel 7:653 lid 3 BW).

4.9.

Het belang van een werkgever bij een concurrentiebeding is om de opgebouwde kennis, zakelijke relaties en goodwill te beschermen, ook wel aangeduid met de term ‘bedrijfsdebiet’. Dat belang kan niet zijn gelegen in de bedoeling om een werknemer te binden, mede gelet op de vrijheid van arbeidskeuze van artikel 19 lid 3 van de Grondwet. Dat belang kan in een vrije markteconomie ook niet zijn gelegen in het tegengaan van concurrentie in het algemeen.

4.10.

Dit betekent dat een werkgever met name belang heeft bij het concurrentiebeding als de betrokken werknemer door zijn functie en werkzaamheden op de hoogte is van belangrijke commerciële en technische informatie of werkprocessen en strategieën van de werkgever, en die werknemer met deze kennis zijn nieuwe werkgever een concurrentievoordeel geeft of kan geven dat die nieuwe werkgever anders niet zou hebben gehad.

4.11.

Naar het oordeel van de kantonrechter heeft Special Cosmetics voldoende aannemelijk gemaakt dat zij een bijzonder belang heeft bij handhaving van het concurrentiebeding. Special Cosmetics heeft uitvoerig en gedetailleerd toegelicht dat [eiser] in zijn functie als Sales Manager op de hoogte was van bedrijfsgevoelige informatie van Special Cosmetics, waaronder klantgegevens, leveranciersgegevens, gedetailleerde product- en prijsgegevens, en gegevens over innovatie, training, strategie en marketing. Dat zijn gegevens die [eiser] in zijn werk voor Esse kan gebruiken en waarmee hij Esse een concurrentievoordeel geeft of kan geven. Giessen heeft dit onvoldoende betwist.

4.12.

De door [eiser] gestelde belangen wegen daartegenover niet zwaar genoeg. De stelling van [eiser] dat hij bij Esse de mogelijkheid heeft om cursussen te volgen, legt geen gewicht in de schaal, omdat Special Cosmetics er terecht op heeft gewezen dat uit artikel 5.4 van de schriftelijke arbeidsovereenkomst tussen partijen blijkt dat [eiser] ook bij Special Cosmetics aanspraak had op vergoeding van studiekosten. Dat [eiser] bij Esse een beter salaris heeft, is onvoldoende toegelicht en ook niet nader onderbouwd aan de hand van bijvoorbeeld een loonspecificatie. Gelet op de korte opmerking daarvoor van [eiser] op de zitting verdient hij bij Esse in ieder geval ook niet veel meer dan bij Special Cosmetics. De door [eiser] gestelde omstandigheden met betrekking tot de ‘functieverwatering’, het werkklimaat en de bonus zijn onvoldoende aannemelijk gemaakt en ook niet van dien aard dat dit opweegt tegen de belangen van Special Cosmetics.

4.13.

Verder weegt de kantonrechter mee dat [eiser] zelf heeft opgezegd en dat het concurrentiebeding al is beperkt tot één jaar na het einde van het dienstverband. Ook is van belang dat [eiser] onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij geen andere werkzaamheden of inkomsten kan verkrijgen. Daarnaast is van betekenis dat [eiser] ondanks een schriftelijke waarschuwing het concurrentiebeding willens en wetens heeft overtreden.

4.14.

De kantonrechter ziet dus onvoldoende grond om in dit kort geding aan te nemen dat de belangen van [eiser] onbillijk worden benadeeld door het concurrentiebeding, tegenover het belang van Social Cosmetics bij handhaving daarvan.

4.15.

De conclusie is daarom dat de kantonrechter de vordering van [eiser] om het concurrentiebeding te schorsen of buiten effect te stellen, zal afwijzen.

4.16.

De vordering om een billijke vergoeding toe te kennen, wordt ook afgewezen, gelet op de hiervoor genoemde omstandigheden, en omdat onvoldoende is gemotiveerd en gebleken dat [eiser] in belangrijke mate wordt belemmerd om anders dan in dienst van Special Cosmetics werkzaam te zijn.

4.17.

De vordering om een eventuele boete te matigen, wordt ook afgewezen, omdat dit alleen beoordeeld kan worden in het kader van de tegenvordering van Special Cosmetics.

4.18.

De proceskosten komen voor rekening van [eiser] , omdat hij overwegend ongelijk krijgt.

de tegenvordering

4.19.

Special Cosmetics heeft een spoedeisend belang bij haar tegenvordering, omdat vast staat dat [eiser] het concurrentiebeding overtreedt en (vooralsnog) blijft overtreden.

4.20.

Special Cosmetics stelt dat [eiser] door overtreding van het concurrentiebeding boetes heeft verbeurd tot een bedrag van in totaal € 342.500,00 en vordert een voorschot daarop van € 40.000,00.

4.21.

Hiervoor is geoordeeld dat [eiser] het concurrentiebeding overtreedt vanaf in ieder geval 23 november 2020. [eiser] heeft dus op grond van artikel 8.3 van de schriftelijke arbeidsovereenkomst in beginsel een boete verbeurd van € 5.000,00 per overtreding en
€ 500,00 voor iedere dag waarop de overtreding voortduurt.

4.22.

De kantonrechter stelt voorop dat voor de door [eiser] verzochte matiging van de boete alleen plaats is als de billijkheid dit klaarblijkelijk eist (artikel 6:94 lid 1 BW). Dit betekent dat de kantonrechter pas van zijn bevoegdheid tot matiging gebruik mag maken als de toepassing van een boetebeding in de gegeven omstandigheden tot een buitensporig en daarom onaanvaardbaar resultaat leidt (zie de uitspraak van de Hoge Raad van 16 februari 2018, gepubliceerd op www.rechtspraak.nl met nummer ECLI:NL:HR:2018:207 (Turan/Easystaff)). Daarbij zal de kantonrechter niet alleen moeten letten op de verhouding tussen eventuele schade en de hoogte van de boete, maar ook op de aard van de overeenkomst, de inhoud en de strekking van het beding en de omstandigheden waaronder het is ingeroepen.

4.23.

Op de zitting heeft Special Cosmetics verklaard dat haar nu nog niet is gebleken dat zij schade heeft geleden door overtreding van het concurrentiebeding. Daartegenover staat dat toewijzing van een voorschot op de boete van € 40.000,00 voor [eiser] , gelet op zijn loon bij Esse, een bedrag is van meer dan een half jaar salaris. Onder die omstandigheden leidt toewijzing van het volledige gevorderde voorschot tot een onaanvaardbaar resultaat. Daarbij wordt mede in aanmerking genomen dat [eiser] ook zal worden veroordeeld om het concurrentiebeding na te komen en zijn werkzaamheden voor Esse te staken en gestaakt te houden, op straffe van een dwangsom.

4.24.

Het gevorderde voorschot op de boete zal gelet op het voorgaande worden toegewezen tot een bedrag van € 5.000,00. De wettelijke rente daarover is toewijsbaar vanaf 23 november 2020, de datum waarop [eiser] in ieder geval is gaan werken voor Esse.

4.25.

De vordering om [eiser] te gebieden het concurrentiebeding na te komen en zijn werkzaamheden voor Esse te staken en gestaakt te houden, op straffe van een dwangsom, wordt toegewezen. Special Cosmetics heeft daarbij een voldoende belang, omdat is gebleken dat [eiser] het concurrentiebeding overtreedt en blijft overtreden. Het gebod kan worden toegewezen tot en met 31 oktober 2021, omdat de duur van het concurrentiebeding is beperkt tot die datum. De dwangsom zal worden gemaximeerd.

4.26.

De proceskosten komen voor rekening van [eiser] , omdat hij ongelijk krijgt. Vanwege de samenhang met de vordering van [eiser] , zullen de kosten worden vastgesteld op nihil.

5 De beslissing

De kantonrechter:

de vordering

5.1.

wijst de vordering af;

5.2.

veroordeelt [eiser] tot betaling van de proceskosten, die tot en met vandaag voor Special Cosmetics worden vastgesteld op een bedrag van € 747,00 aan salaris van de gemachtigde van Special Cosmetics;

5.3.

verklaart de veroordeling onder 5.2 van dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

de tegenvordering

5.4.

veroordeelt [eiser] om aan Special Cosmetics te betalen een voorschot op de boetes van € 5.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 23 november 2020 tot aan de dag van de gehele betaling;

5.5.

gebiedt [eiser] om tot en met 31 oktober 2021 het concurrentiebeding na te komen en zijn werkzaamheden voor Esse dan wel een daaraan gelieerde onderneming te staken en gestaakt te houden, op straffe van een dwangsom van € 5.000,00 per overtreding en € 500,00 voor iedere dag of dagdeel dat de overtreding voortduurt, met een maximum van in totaal
€ 250.000,00;

5.6.

veroordeelt [eiser] tot betaling van de proceskosten, die de kantonrechter aan de kant van Special Cosmetics tot en met vandaag vaststelt op nihil;

5.7.

verklaart de veroordeling onder 5.4, 5.5 en 5.6 van dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

5.8.

wijst de vordering voor het overige af.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.J. Jansen en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.

De griffier De kantonrechter