Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2021:1897

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
02-03-2021
Datum publicatie
12-03-2021
Zaaknummer
HAA 19-3994
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Aanwijzing woning als gemeentelijk monument. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 19/3994


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 maart 2021 in de zaak tussen

[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. F. Krol-Postma),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hoorn, verweerder

(gemachtigde: M. Klarenbeek).

Als derde-partij hebben aan het geding deelgenomen: [derde partij 1] en [derde partij 2] ( [derde partij 1] en [derde partij 2] ), te [woonplaats] .

Procesverloop

Bij besluit van 7 mei 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder de woning van eiseres aangewezen als gemeentelijk monument.

Bij besluit van 23 juli 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard en de motivering van het besluit gewijzigd.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 januari 2021. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. [derde partij 1] en [derde partij 2] zijn verschenen.

Overwegingen

1. Eiseres en haar echtgenoot zijn de eigenaren van de woning aan [adres] (de woning). De woning en de woning van [derde partij 1] en [derde partij 2] aan [adres derde partijen] zijn in 1914 gebouwd als dubbele dienstwoning behorend bij de inmiddels afgebroken watertoren van Hoorn. Om de hoek van de woning ligt het voormalig kantoor van het waterleidingbedrijf.

2. Verweerder heeft de woning onder verwijzing naar de zogenoemde ‘redengevende omschrijving’ en het advies van de Commissie voor Monumenten en Welstand Hoorn (de welstandscommissie) aangewezen als gemeentelijk monument. Aan die aanwijzing heeft verweerder ten grondslag gelegd dat de woning van stedenbouwkundige- en architectonische waarde is in de context van de linten in Hoorn, dat het een goed bewaard gebleven architectonisch ontwerp laat zien uit het begin van de twintigste eeuw en dat het cultuurhistorische waarde heeft als onderdeel van het voormalige waterleidingbedrijf. In het bestreden besluit heeft verweerder aan de motivering toegevoegd dat het interieur nog moet worden onderzocht en dat op het interieur na inschrijving van het aanwijzingsbesluit in het erfgoedregister de voorbescherming van toepassing blijft.

3. De relevante wet- en regelgeving is opgenomen in de bijlage die deel uitmaakt van deze uitspraak.

4.1.

De rechtbank heeft [derde partij 1] en [derde partij 2] op grond van artikel 8:26 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en in overeenstemming met artikel 2.2 van het Procesreglement bestuursrecht 2017 voorlopig toegelaten om als belanghebbenden aan het geding deel te nemen. De rechtbank kan van een dergelijke beslissing op elk moment in de procedure terugkomen en ziet aanleiding daartoe.

4.2.

Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) volgt dat bij een besluit tot het al dan niet aanwijzen van een object als monument, waar het gaat om natuurlijke personen, de eigenaar of anderszins zakelijk gerechtigde van het desbetreffende object belanghebbende zijn.1 Omwonenden, huurders en andere gebruikers en andere individuele personen zijn geen belanghebbende bij een dergelijk besluit.

4.3.

De rechtbank is van oordeel dat [derde partij 1] en [derde partij 2] geen belanghebbenden zijn bij het bestreden besluit, omdat zij geen eigenaar of anderszins zakelijk gerechtigde van de woning zijn. Dat de woning en de woning van [derde partij 1] en [derde partij 2] in één pand gevestigd zijn en dat er één redengevende omschrijving is die ziet op beide woningen maakt dat niet anders. Bovendien is ter zitting gebleken dat [derde partij 1] en [derde partij 2] bezwaar hebben gemaakt tegen de aanwijzing van hun eigen woning als gemeentelijk monument en dat verweerder daarop heeft beslist. Als zij het daar niet mee eens waren geweest, hadden zij tegen dat besluit beroep moeten instellen. Gelet op het voorgaande merkt de rechtbank [derde partij 1] en [derde partij 2] niet als derde-partij aan.

5.1.

Eiseres voert aan dat verweerder de woning ten onrechte als monumentwaardig heeft aangemerkt, omdat de woning geen cultuurhistorische-, stedenbouwkundige- en architectonische waarde heeft en niet onderscheidend is. Dat de woning geen monumentale waarde heeft blijkt volgens haar ook uit het door haar overgelegde rapport van het [naam] . Verweerder heeft dat rapport onvoldoende meegenomen in de besluitvorming. Verweerder is ook onvoldoende ingegaan op haar stellingen over de gaafheid en bijzonderheid van het pand.

5.2.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat de woning wel monumentale waarde heeft, zoals blijkt uit de redengevende omschrijving en het advies en de notitie van 27 juni 2019 (de notitie) van de welstandscommissie. Het rapport van het [naam] is meegenomen in de besluitvorming. In het bestreden besluit is ook ingegaan op de stellingen van eiseres over de gaafheid en bijzonderheid van het pand.

5.3.

Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling heeft verweerder beoordelingsruimte bij het bepalen van de monumentale waarde van een onroerende zaak.2 Het bestuursorgaan mag op het advies van een deskundige afgaan, nadat het is nagegaan of dit advies op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten. Deze verplichting is neergelegd in artikel 3:9 van de Awb voor de wettelijk adviseur en volgt uit artikel 3:2 van de Awb voor andere adviseurs. Indien een partij concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de zorgvuldigheid van de totstandkoming van het advies, de begrijpelijkheid van de in het advies gevolgde redenering of het aansluiten van de conclusies daarop naar voren heeft gebracht, mag het bestuursorgaan niet zonder nadere motivering op het advies afgaan. Zo nodig vraagt het bestuursorgaan de adviseur een reactie op wat de partij over het advies heeft aangevoerd.

5.4.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de woning voldoende monumentale waarde heeft om als gemeentelijk monument aan te wijzen. Verweerder is bij de aanwijzing afgegaan op de redengevende omschrijving, die volgens hem door deskundigen is opgesteld, en op het deskundig advies van de welstandscommissie. Nadat eiseres in bezwaar het rapport van het [naam] heeft overgelegd, heeft de welstandscommissie daarop in de notitie gereageerd. Verweerder heeft vervolgens in het bestreden besluit toegelicht waarom niet de standpunten van het [naam] maar het advies en de notitie van de welstandscommissie zijn gevolgd. Zo heeft verweerder overwogen dat inderdaad veel verloren is gegaan van het totale ensemble van het waterleidingbedrijf, maar dat de woning juist vanwege de samenhang met en geschiedkundige waarden van de nog wel aanwezige objecten van betekenis is voor het behoud van cultuurhistorie. Verder heeft verweerder meegewogen dat de welstandscommissie in de notitie heeft onderbouwd dat de woning, anders dan het [naam] stelt, juist van belang is voor de herkenbaarheid van het historische lint en voor het behoud van het karakter van het dorpse lint. Het rapport van het [naam] is dus kenbaar meegewogen in de besluitvorming. Ook is verweerder in het bestreden besluit ingegaan op de bijzonderheid en gaafheid van de woning. Verweerder heeft namelijk overwogen dat de woning bijzonder is nu het gaat om een met veel zorg ontworpen woning met architectonische details die passen bij de tijdsgeest van het begin van de twintigste eeuw en die herkenbaar behouden zijn gebleven. Daarnaast heeft verweerder overwogen dat dergelijke relatief kleine dienstwoningen in een latere periode niet meer gerealiseerd zijn, wat het object in gemeentelijke context uniek maakt. Naar het oordeel van de rechtbank geven de stellingen van eiseres en het korte rapport van het [naam] onvoldoende aanleiding om te twijfelen aan de deugdelijkheid van de redengevende omschrijving en het advies en de notitie van de welstandscommissie. Het enkele feit dat het [naam] bepaalde waarden van de woning anders waardeert, maakt niet dat deze stukken zodanige gebreken vertonen dat verweerder deze niet, of niet zonder meer, aan de besluitvorming ten grondslag mocht leggen. De rechtbank ziet geen aanleiding te oordelen dat verweerder niet op deze stukken heeft mogen afgaan en daarom evenmin om een deskundige te benoemen. De beroepsgrond slaagt niet.

6.1.

Eiseres voert aan dat verweerder onzorgvuldig heeft gehandeld omdat zij de notitie waarin de welstandscommissie heeft gereageerd op het rapport van het [naam] te kort (acht dagen) voor de hoorzitting in bezwaar heeft ontvangen. Zij heeft het [naam] niet meer om input kunnen vragen voor de hoorzitting.

6.2.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat de argumenten uit de notitie al naar voren waren gebracht in de redengevende omschrijving, zodat eiseres daarop al eerder had kunnen reageren.

6.3.

Eiseres heeft ter zitting aangegeven dat de notitie geen punten bevat waarop het [naam] nog had moeten reageren. De rechtbank volgt eiseres daarom niet in haar standpunt dat verweerder vanwege het moment van overlegging van de notitie onzorgvuldig heeft gehandeld.

7.1.

Eiseres voert aan dat de besluitvorming met betrekking tot het interieur onzorgvuldig is. Er kan geen sprake meer zijn van voorbescherming van het interieur, omdat de aanwijzing van de woning als monument al is ingeschreven in het gemeentelijk erfgoedregister. Bovendien kan zonder kennis van het interieur geen sprake zijn van een voornemen tot aanwijzing van een gemeentelijk monument.

7.2.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat de voorbescherming van het interieur niet is komen te vervallen. Het interieur is nog niet beoordeeld, omdat eiseres geen medewerking wilde verlenen aan het onderzoek. In het gemeentelijk erfgoedregister is vermeld dat het interieur nog onder de voorbescherming valt. Er is dus geen aanwijzing ten aanzien van het interieur ingeschreven in het gemeentelijk erfgoedregister.

7.3.

De rechtbank stelt vast dat verweerder in november 2017 een voornemen bekend heeft gemaakt ten aanzien van de woning, waarmee de voorbescherming is aangevangen. Anders dan eiseres stelt, kan een voornemen worden uitgebracht zonder dat de monumentale waarde van het mogelijk aan te wijzen object al is onderzocht. Zoals verweerder ter zitting heeft toegelicht, gaat het voornemen juist aan zo’n onderzoek vooraf en voorkomt de voorbescherming dat de eigenaar wijzigingen aanbrengt zolang het onderzoek loopt. Uit artikel 6 van de Erfgoedverordening gemeente Hoorn 2018 (de Erfgoedverordening) volgt dat de voorbescherming vervalt op het moment van inschrijving van de aanwijzing in het gemeentelijk erfgoedregister. Er is inmiddels een aanwijzingsbesluit ingeschreven in het erfgoedregister, maar dat besluit ziet niet op het interieur. Het onderzoek van het interieur is nog niet afgerond, zodat nog niet vaststaat of het interieur als monumentaal zal worden aangewezen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder er terecht van uitgaat dat het interieur nog onder de voorbescherming valt. De beroepsgrond slaagt niet.

7.4.

De rechtbank overweegt ten overvloede dat de voorbescherming, mede gezien de gevolgen daarvan voor de eigenaar, niet bedoeld is om voor onbepaalde tijd te blijven voortduren. De Erfgoedverordening bevat geen beslistermijn voor gevallen waarin verweerder ambtshalve tot aanwijzing wil overgaan. Naar het oordeel van de rechtbank kan uit overweging 4.1 van de uitspraak van de Afdeling van 30 oktober 20193 worden afgeleid dat de periode tussen bekendmaking van het voornemen en de aanwijzing niet onredelijk lang mag zijn.

8. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S.W. van Kasbergen, rechter, in aanwezigheid van

F. Voskamp, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 2 maart 2021.

griffier

rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

BIJLAGE:

Algemene wet bestuursrecht

Artikel 8:26, eerste lid
De bestuursrechter kan tot de sluiting van het onderzoek ter zitting ambtshalve, op verzoek van een partij of op hun eigen verzoek, belanghebbenden in de gelegenheid stellen als partij aan het geding deel te nemen.

De Erfgoedverordening gemeente Hoorn 2018

Artikel 4, eerste lid
Burgemeester en wethouders kunnen besluiten een (archeologische) zaak, object of terrein, of een deel daarvan, dat van bijzonder belang is voor de gemeente vanwege zijn schoonheid, betekenis voor de wetenschap of cultuurhistorische waarde aan te wijzen als gemeentelijk monument of beeldbepalend pand.

Artikel 5, eerste lid

1. Een voornemen om toepassing te geven aan artikel 4 wordt door burgemeester en wethouders schriftelijk bekendgemaakt aan alle zakelijke gerechtigden op de onroerende zaak die vermeld staan in de openbare registers, bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de Kadasterwet.

Artikel 6

1. De bescherming van paragraaf 3 is van overeenkomstige toepassing op het gemeentelijk monument of beeldbepalend pand ten aanzien waarvan een voornemen als bedoeld in artikel 5 is bekendgemaakt.

2 De voorbescherming, als bedoeld in het eerste lid, vervalt op het moment van inschrijving van de aanwijzing in het gemeentelijk erfgoedregister of op het moment waarop het aanwijzingsbesluit wordt herroepen of door de bestuursrechter wordt vernietigd.

Artikel 7, eerste lid

1. Burgemeester en wethouders vragen over het voornemen om toepassing te geven aan artikel 4 advies aan de commissie voor Monumenten en Welstand waarbinnen enkele leden deskundig zijn op het gebied van het erfgoed.

1 Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 19 augustus 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1998.

2 Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 26 augustus 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2036.

3 ECLI:NL:RVS:2019:3631.