Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2021:164

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
11-01-2021
Datum publicatie
18-01-2021
Zaaknummer
HAA 20/3451
Rechtsgebieden
Bestuursprocesrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

BNT. beslist. verzoek de verbeurde dwangsom, op grond van artikel 4:17, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) vast te stellen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 20/3451

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 januari 2021 in de zaak tussen

[eiser] , wonende te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. L.A. Fischer)

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Heemskerk, verweerder.

Procesverloop

Op 14 juli 2020 heeft eiser bij de rechtbank beroep ingesteld in verband met het niet reageren door verweerder op zijn klacht/herhaald verzoek verwijdering/verzoek rectificatie van 13 maart 2020.

Bij brief van 10 augustus 2020 stelt verweerder dat de stukken waarom eiser verzoekt op 27 juli 2020 naar de rechtbank zijn verzonden. Op 4 augustus 2020 heeft de zitting van procedure 20/2389 plaatsgevonden en is door de gemachtigde niets meer gezegd over de (ontbrekende) stukken. Verweerder gaat ervan uit dat de stukken zijn aangekomen en dat er geen belang meer is bij de onderhavige procedure.

Bij brief van 16 november 2020 heeft eiser aanvullende beroepsgronden ingediend en de rechtbank verzocht de verbeurde dwangsom, op grond van artikel 4:17, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) vast te stellen.

Overwegingen

  1. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Awb uitspraak zonder zitting.

  2. Ingevolge artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Awb wordt voor de toepassing van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep, het niet tijdig nemen van een besluit met een besluit gelijkgesteld. Voor de vaststelling welke voorzieningen openstaan tegen het niet tijdig nemen van een besluit, is bepalend het antwoord op de vraag welke voorzieningen openstaan, indien een reƫel besluit zou zijn genomen.

  3. Op grond van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb wordt onder een besluit verstaan een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publieksrechtelijke rechtshandeling. Van een rechtshandeling in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb is sprake indien er een verandering optreedt in de bestaande rechten, verplichtingen of bevoegdheden of wanneer het bestaan van rechten, verplichten, bevoegdheden bindend wordt vastgesteld.

4. Op grond van artikel 9:1, eerste lid, van de Awb heeft een ieder het recht om over de wijze waarop een bestuursorgaan zich in een bepaalde aangelegenheid jegens hem of een ander heeft gedragen, een klacht in te dienen bij dat bestuursorgaan. In artikel 9:3 van de Awb is bepaald dat tegen een besluit inzake de behandeling van een klacht over een gedraging van een bestuursorgaan geen beroep kan worden ingesteld.

5. De rechtbank overweegt als volgt. Eiser uit in zijn brief van 13 maart 2020 zijn ongenoegen over het feit dat verweerder bepaalde passages in de stukken (behorende bij procedure HAA 20/169), die op grond van de beslissing van 7 november 2019 hadden moeten worden verwijderd, slechts heeft doorgestreept met een pen. De passages zijn daarmee niet onleesbaar gemaakt. Eiser klaagt erover dat op verweerders besluit van 7 november 2019 niet het nodige feitelijk handelen is gevolgd. Eisers beoogt met zijn beroepschrift alsnog een beslissing te krijgen op de brief van 13 maart 2020. Deze brief moet, anders dan eiser stelt, worden aangemerkt als een ingediende klacht. Beslissingen in het kader van de klachtbehandeling zijn niet gericht op rechtsgevolg en dus geen besluit in de zin van de Awb. Er is in dit geval dan ook geen sprake van het niet tijdig nemen van een besluit. Voor het vaststellen van een dwangsom is dan ook geen plaats.

joHet beroep is kennelijk niet-ontvankelijk.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is vastgesteld door mr. E. Jochem, rechter, in aanwezigheid van N. Joacim, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

griffier rechter

afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan verzet worden gedaan bij deze rechtbank.

Het verzet dient gedaan te worden door het indienen van een verzetschrift binnen zes weken na de dag van verzending van de uitspraak door de griffier. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord.