Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2021:1414

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
11-02-2021
Datum publicatie
19-02-2021
Zaaknummer
C/15/311906 / FA RK 20-7291
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Voorlopige voorzieningen ex art. 223 Rv tijdens echtscheiding.

Veroordeling van de vrouw in de werkelijke proceskosten van de man, evenals in de nakosten.

In verband met het vervallen van het “”eigen beursje” kan de rechtbank zich, gezien het feitenverloop en de rol die de advocaat daarin heeft gespeeld, voorstellen dat de advocaat van de vrouw deze kosten voor zijn rekening neemt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Familie en Jeugd

locatie Alkmaar

zaak-/rekestnr.: C/15/311906 / FA RK 20-7291

beschikking van 11 februari 2021 betreffende voorlopige voorzieningen

in de zaak van:

[de vrouw] ,

wonende te [plaats] ,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat [mr. X] , kantoorhoudende te [plaats] ,

tegen

[de man] ,

wonende te [plaats] , gemeente [gemeente] ,

hierna te noemen: de man,

advocaat [mr. Y.] , kantoorhoudende te [plaats] .

1 Procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het verzoekschrift, met bijlagen, van de vrouw, ingekomen op 24 december 2020;

- het verweerschrift, tevens zelfstandig verzoek, met bijlagen, van de man, ingekomen op 19 januari 2021.

1.2.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 25 januari 2021 in aanwezigheid van de vrouw bijgestaan door [mr. X] en de man bijgestaan door [mr. Y.] .

2 Feiten

2.1.

Partijen zijn op [huwelijksdatum] in de gemeente [gemeente] met elkaar gehuwd.

2.2.

Voorafgaand aan dit huwelijk is geboren de minderjarige [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] in de gemeente [gemeente] ( [minderjarige] ). De man heeft [minderjarige] erkend. Partijen zijn gezamenlijk belast met het gezag over [minderjarige] .

2.3.

Deze rechtbank, locatie Alkmaar, heeft bij beschikking van 12 november 2020 in het kader van voorlopige voorzieningen bij echtscheiding onder meer bepaald:

a. dat [minderjarige] wordt toevertrouwd aan de vrouw;

b. een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken waarbij [minderjarige] twee dagen per week bij de man verblijft alsmede de helft van de vakanties en feestdagen;

c. dat de vrouw bij uitsluiting gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de echtelijke woning;

d. de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] (verder: kinderbijdrage) met ingang van de datum van de beschikking op € 175,-- per maand, bij vooruitbetaling te voldoen;

e. de door de man te betalen bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw (verder: partnerbijdrage) met ingang van de datum van de beschikking op € 174,-- per maand, bij vooruitbetaling te voldoen.

3 Beoordeling

Kinderbijdrage en partnerbijdrage

3.1.

De vrouw heeft thans op grond van artikel 223 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) verzocht voorlopige voorzieningen te treffen voor de duur van de procedure. Zij heeft verzocht, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen dat de man aan haar:

a. als kinderbijdrage voor [minderjarige] € 356,-- per maand dient te betalen met ingang van de datum van indiening van het verzoekschrift, althans met ingang van de datum van de te wijzen beschikking, althans een door de rechtbank te bepalen bedrag;

b. als partnerbijdrage € 1.065,-- bruto per maand dient te betalen met ingang van de datum van indiening van het verzoekschrift, althans met ingang van de datum van de te wijzen beschikking, althans een door de rechtbank te bepalen bedrag.

3.2.

Ter onderbouwing van het verzoek heeft de vrouw het volgende aangevoerd. Zij heeft niet de mogelijkheid om wijziging van de bij beschikking van 12 november 2020 bepaalde voorlopige voorzieningen te verzoeken, omdat er geen sprake is van gewijzigde omstandigheden. De enige mogelijkheid om alsnog een hogere kinder- en partnerbijdrage te verzoeken is om die verzoeken in te dienen in het kader van voorlopige voorzieningen op grond van artikel 223 Rv. Op grond van jurisprudentie is een dergelijk verzoek mogelijk, aldus de advocaat van de vrouw. Als de rechtbank de vrouw niet zal ontvangen in het verzoek, wordt de vrouw onevenredig benadeeld, omdat zij dan geen enkele mogelijkheid meer heeft om deze verzoeken aan de rechter voor te leggen, terwijl zij wel behoefte heeft aan een hogere kinder- en partnerbijdrage dan reeds vastgesteld bij beschikking van 12 november 2020 en de man ook in staat is de thans verzochte bedragen te betalen.

3.3.

De man heeft verweer gevoerd en verzocht de vrouw niet-ontvankelijk te verklaren, althans de verzoeken van de vrouw af te wijzen.

De man heeft van zijn kant verzocht de vrouw te veroordelen in zijn werkelijke proceskosten van deze procedure, inclusief nakosten, in die zin dat zij een bedrag van € 2.821,72, te vermeerderen met griffiekosten van € 304,-- en nakosten, althans een door de rechtbank te bepalen bedrag, aan de man dient te betalen.

3.4.

De man heeft ter onderbouwing van zijn standpunt het volgende aangegeven. Er is geen juridische grondslag voor het verzoek van de vrouw, omdat de Hoge Raad expliciet heeft uitgemaakt dat voorlopige voorzieningen gebaseerd op artikel 223 Rv niet kunnen worden verzocht in een echtscheidingsprocedure, omdat daarvoor de in artikel 822 Rv vermelde limitatief opgesomde voorlopige voorzieningen gelden. De vrouw heeft zelf aangegeven dat zij niet de mogelijkheid heeft om wijziging van de voorlopige voorzieningen te vragen, omdat er geen sprake is van gewijzigde omstandigheden. Er is ook geen sprake van een noodsituatie aan de zijde van de vrouw, omdat er alimentatie is vastgesteld en zij eigen inkomsten heeft. De vrouw heeft evenmin voldaan aan haar stelplicht, nu zij slechts heeft verwezen naar stukken in een andere procedure.

3.5.

De rechtbank overweegt als volgt.

De Hoge Raad heeft in zijn uitspraak van 31 augustus 2018 (ECLI:NL:HR:2018:1414) onder 3.4.3, 3.4.4 en 3.5 het volgende overwogen.

Aanvaarding van de mogelijkheid om binnen een scheidingsprocedure met overeenkomstige toepassing van artikel 223 Rv een voorlopige voorziening te treffen, staat op gespannen voet met het feit dat de wetgever met de artikelen 821-826 Rv voor de scheidingsprocedure heeft voorzien in een bijzondere regeling van voorlopige voorzieningen in die procedure. Hiermee is kennelijk beoogd een uitputtende regeling te treffen van voorlopige voorzieningen die kenmerkend zijn voor een scheidingsprocedure. Daarmee is niet goed te verenigen dat een dergelijke voorziening ook op de voet van artikel 223 Rv zou kunnen worden gevraagd.

Het voorgaande klemt te meer nu de regeling van de voorlopige voorzieningen in het kader van een scheidingsprocedure aanmerkelijk afwijkt van die van artikel 223 Rv. Zo blijft een voorlopige voorziening op de voet van artikel 223 Rv van kracht totdat de vordering in de hoofdzaak is ingetrokken, dan wel de einduitspraak in kracht van gewijsde is gegaan. Verder heeft de wetgever voor de voorlopige voorzieningen bij scheiding ervoor gekozen gewone rechtsmiddelen tegen een op grond van artikel 822 Rv gegeven beschikking uit te sluiten (zie artikel 824 lid 1 Rv), maar binnen zekere grenzen wel wijziging of intrekking van zodanige beschikking mogelijk te maken (namelijk in de in artikel 824 lid 2 Rv omschreven gevallen). Deze keuze berust onder meer op de wens een vlot verloop van de scheidingsprocedure te bevorderen (zie Kamerstukken II 1985/86, 19242, nr. 3, p. 4-5 en Kamerstukken II 1990/91, 21881, nr. 31, p. 8-9). Daarentegen kan van een beslissing op de wet van artikel 223 Rv direct hoger beroep en cassatieberoep worden ingesteld (zie artikel 337 lid 1 Rv en artikel 401a lid 1 Rv).

Gelet op hetgeen hiervoor in 3.4.3 en 3.4.4 is overwogen is, wat betreft de in artikel 822 lid 1, aanhef en onder a-e Rv genoemde voorzieningen, geen plaats voor overeenkomstige toepassing van artikel 223 Rv.

3.6.

Met inachtneming van het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat de vrouw niet in het verzoek kan worden ontvangen. De rechtbank zal de vrouw dan ook niet-ontvankelijk verklaren.

kostenveroordeling

3.7.

De rechtbank overweegt als volgt. De vrouw heeft tijdig vóór de zitting van 25 januari 2021 het verweerschrift tevens zelfstandige verzoek van de man ontvangen. Daarin is, onder vermelding van de recente jurisprudentie van de Hoge Raad zoals hierboven geciteerd en literatuur, aangegeven dat de vrouw gedurende de bodemprocedure echtscheiding geen verzoek op grond van artikel 223 Rv kan doen. Desondanks heeft de advocaat van de vrouw de onderhavige procedure toch doorgezet, zonder dat hij met andersluidende jurisprudentie c.q. literatuur is gekomen, waaruit zou blijken dat het wel mogelijk zou zijn om in een echtscheidingsprocedure verhoging van alimentatie te verzoeken op grond van artikel 223 Rv. Ter zitting heeft de advocaat van de vrouw aangegeven dat het niet de bedoeling is om met dit verzoek ‘verkapt’ hoger beroep in te stellen van de beschikking van 12 november 2020 omdat dit immers niet mogelijk is van een beschikking op grond van artikel 822 Rv. Nu het voor de advocaat van de vrouw duidelijk had moeten zijn dat de onderhavige verzoeken geen kans van slagen hadden, had het de advocaat gepast om - in ieder geval na ontvangst en bestudering van het verweerschrift van de advocaat van de man - de voorlopige voorzieningen op grond van artikel 223 Rv in te trekken voor de mondelinge behandeling.

3.8.

Op grond hiervan is de rechtbank van oordeel dat de vrouw de onderhavige procedure heeft geëntameerd en heeft voortgezet terwijl een (goede) juridische grond ontbrak. Naar het oordeel van de rechtbank is er in casu aan de zijde van de vrouw sprake van misbruik van procesrecht (HR 6 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV7828, NJ 2012/233). De advocaat van de vrouw had op voorhand moeten begrijpen dat de onderhavige verzoeken geen kans van slagen hadden. Naar het oordeel van de rechtbank is er sprake van het nodeloos in rechte betrekken van de man. De rechtbank ziet voldoende aanleiding om af te wijken van compensatie van proceskosten zoals gebruikelijk in familiezaken en zal het verzoek van de man tot veroordeling van de vrouw in zijn werkelijke proceskosten zoals gespecificeerd in het verweerschrift dan ook toewijzen tot na te melden bedrag.

Vast staat dat de man in de onderhavige procedure geen griffierecht verschuldigd is, nu het griffierecht reeds bij de man in rekening is gebracht in de procedure voorlopige voorzieningen met zaak-/rekestnummer C/15/308598 / FA RK 20-5536. Het verzoek om de vrouw te veroordelen in de griffiekosten zal dan ook worden afgewezen.

3.9.

De verzochte veroordeling in de nakosten is in het kader van deze procedure slechts toewijsbaar voor zover deze kosten op dit moment reeds kunnen worden begroot. De nakosten zullen dan ook worden toegewezen op de wijze zoals in de beslissing is vermeld.

3.10.

Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de door de vrouw gevoerde procedure nodeloos is gevoerd. De nodeloze kosten van de man zullen daarom voor haar rekening dienen te komen. De rechtbank kan zich, gezien het feitenverloop en de rol die de advocaat daarin heeft gespeeld, voorstellen dat de advocaat van de vrouw deze kosten voor zijn rekening neemt.

4 Beslissing

De rechtbank:

4.1.

verklaart de vrouw niet-ontvankelijk in de hierboven onder 3.1. onder a en b weergegeven verzoeken;

4.2.

veroordeelt de vrouw in de door de man in deze procedure gemaakte proceskosten voor een bedrag van € 2.821,72;

4.3.

veroordeelt de vrouw in de na deze beschikking ontstane kosten, begroot op € 163,-- aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat de vrouw niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan de beschikking heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 85,-- aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak;

4.4.

verklaart deze beschikking voor wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

4.5.

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. D.H. Steenmetser-Bakker, rechter, in tegenwoordigheid van A.M. Bergen, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 11 februari 2021.