Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2021:1323

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
17-02-2021
Datum publicatie
05-03-2021
Zaaknummer
C/15/303285 / FA RK 20-2701
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verzoek tot nihilstelling van kinderalimentatie en partneralimentatie. De gemeente heeft de inning van de onderhoudsbijdragen van de vrouw overgenomen en heeft besloten de inning tot op heden op te schorten vanwege de coronacrisis en de financiële gevolgen daarvan voor de man. Daarbij heeft de vrouw ter zitting onweersproken verklaard dat de gemeente deze bedragen niet met terugwerkende kracht zal innen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de man op dit moment geen belang als bedoeld in artikel 3:303 van het Burgerlijk Wetboek bij zijn verzoek.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Familie en Jeugd

locatie Alkmaar

alimentatie

zaak-/rekestnr.: C/15/303285 / FA RK 20-2701

beschikking van de enkelvoudige kamer voor familiezaken van 17 februari 2021

in de zaak van:

[de man] ,

wonende te [plaats] ,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. M.E. Groot, kantoorhoudende te Heerhugowaard,

tegen

[de vrouw] ,

wonende te [plaats] ,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. J.S. Vos, kantoorhoudende te Alkmaar.

1 Procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het verzoekschrift, met bijlagen, van de man, ingekomen op 26 mei 2020;

- het verweerschrift van de vrouw, ingekomen op 24 juli 2020;

- het bericht, met bijlagen, van de man van 13 november 2020;

- de brief, met bijlage, van de vrouw van 19 november 2020;

- het bericht, met bijlage, van de man van 20 november 2020;

- het bericht, met bijlage, van de man van 24 december 2020.

1.2.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 19 januari 2021 in aanwezigheid van partijen, de man bijgestaan door mr. M.E. Groot en de vrouw bijgestaan door mr. J.S. Vos.

1.3.

Na te noemen minderjarige [minderjarige] is, gelet op haar leeftijd, in de gelegenheid gesteld haar mening kenbaar te maken. Van deze gelegenheid heeft zij geen gebruik gemaakt.

2 Feiten en omstandigheden

2.1.

Partijen zijn op [datum] te [plaats] met elkaar gehuwd, welk huwelijk op
[datum] is ontbonden door inschrijving in de registers van de burgerlijke stand van de echtscheidingsbeschikking van deze rechtbank van 27 november 2019.

2.2.

Voorafgaand aan dit huwelijk is geboren de minderjarige [minderjarige] , op [geboortedatum] in de gemeente [gemeente] . Partijen zijn gezamenlijk met het gezag over de minderjarige belast. De minderjarige heeft het hoofdverblijf bij de vrouw.

2.3.

Uit het eerdere, op [datum] ontbonden huwelijk van partijen zijn verder geboren de thans meerderjarige kinderen [meerderjarige] , geboren op
[geboortedatum] te [plaats] , Iran en [meerderjarige] , geboren op [geboortedatum] te [plaats] , Iran.

2.4.

In voornoemde echtscheidingsbeschikking is bepaald dat de man aan de vrouw

een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige (hierna ook: kinderbijdrage) van € 158,- per maand dient te voldoen en een bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw (hierna ook: partnerbijdrage) van € 123,- per maand en met ingang van 1 januari 2020, althans de dag van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking, € 221,- per maand.

2.5.

Ingevolge de wettelijke indexering bedraagt met ingang van 1 januari 2021 de kinderbijdrage € 167,- per maand en de partnerbijdrage € 228,- per maand.

3 Het verzoek

3.1.

De man heeft verzocht de echtscheidingsbeschikking te wijzigen in die zin dat de kinder- en de partnerbijdrage worden bepaald op nihil met ingang van 15 maart 2020. De man voert hiertoe aan dat hij werkzaam is als taxichauffeur en als gevolg van het uitbreken van het COVID-19 virus (hierna: coronavirus) onvoldoende inkomsten kan genereren om de kinder- en partnerbijdrage te voldoen. De man ontvangt een TOZO-uitkering van € 1.059,03 netto per maand. Deze uitkering is echter niet voldoende om zijn vaste lasten te voldoen, laat staan om daarnaast de vastgestelde kinder- en partnerbijdrage te betalen. Voorts is de man van mening dat de vrouw geen belang heeft bij het ontvangen van kinder- en partnerbijdrage aangezien zij op grond van de Participatiewet een uitkering ontvangt en de gemeente de kinder- en partnerbijdrage op haar uitkering kort. Voor de man is het daarentegen van groot belang dat hij zijn vaste lasten kan betalen, omdat hij anders het risico loopt zijn huurwoning en auto kwijt te raken.

4 Het verweer

4.1.

De vrouw is van mening dat het verzoek van de man moet worden afgewezen. Allereerst merkt de vrouw op dat zij het betreurt dat de man zijn verzoek onmiddellijk en zonder overleg met haar te plegen bij de rechtbank heeft ingediend. In deze bijzondere tijd had het volgens de vrouw op de weg van de man gelegen eerst overleg te plegen. Voorts erkent de vrouw dat de tijdelijke terugval in de omzet van de man als gevolg van de coronacrisis, maar volgens haar is het onjuist dat de man in redelijkheid geen inkomsten zou kunnen verwerven om de onderhoudsbijdragen te kunnen voldoen. De man heeft onvoldoende inzichtelijk gemaakt hoe zijn huidige financiële situatie is en daarbij ook onvoldoende aangetoond van welke financiële steunmaatregelen van de overheid hij al dan niet gebruik maakt. Verder wijst de vrouw erop dat de man hoe dan ook verplicht is de onderhoudsbijdragen te betalen, ongeacht de vraag of zij een uitkering op grond van de Participatiewet ontvangt. Doordat de man de afgelopen maanden niet heeft betaald, is de vrouw financieel in de problemen gekomen. Inmiddels heeft de gemeente de inning van de onderhoudsbijdragen van de vrouw overgenomen en overgedragen aan het LBIO. Vanwege de coronacrisis en de financiële gevolgen hiervan voor de man heeft de gemeente de inning van de onderhoudsbijdragen echter opgeschort. Gelet op deze opschorting stelt de vrouw zich op het standpunt dat de man geen belang heeft bij zijn verzoek tot nihilstelling van de onderhoudsbijdragen.

5 De beoordeling

5.1.

De rechtbank stelt op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting vast dat de man als gevolg van de coronacrisis een laag inkomen geniet. De rechtbank maakt uit de stukken op dat de gemeente de inning van de partner- en kinderbijdrage van de vrouw heeft overgenomen en heeft overgedragen aan het LBIO. Blijkens de door de vrouw overgelegde e-mails van 15 oktober 2020 van de gemeente aan mr. Vos en het LBIO heeft de gemeente besloten om de inning van de kinder- en partnerbijdrage op te schorten tot 1 december 2020 vanwege de coronacrisis en de financiële gevolgen daarvan voor de man. Ter zitting heeft de vrouw onweersproken verklaard dat zij van de gemeente heeft vernomen dat deze opschorting op dit moment nog voortduurt en dat de man de onderhoudsbijdragen achteraf niet alsnog hoeft te voldoen. De man heeft hierop enkel naar voren gebracht dat het onduidelijk is tot wanneer de opschorting zal duren. Nu de gemeente de inning van de kinder- en partnerbijdrage tot op heden heeft opgeschort en deze bijdragen ook niet met terugwerkende kracht alsnog zal innen, heeft de man naar het oordeel van de rechtbank op dit moment geen belang als bedoeld in artikel 3:303 van het Burgerlijk Wetboek bij zijn verzoek tot nihilstelling van de onderhoudsbijdragen. Pas als de gemeente weer overgaat tot inning van de onderhoudsbijdragen en de man van mening is deze bijdragen nog steeds niet te kunnen betalen, ligt het voor de hand dat de man een verzoek tot verlaging van de onderhoudsbijdragen indient. Het is in dat geval aan de man om volledige inzage in zijn financiële situatie te verschaffen. Daarbij merkt de rechtbank op dat het in de gegeven omstandigheden voor de hand ligt in dat geval eerst in overleg te treden met de vrouw en de gemeente om te bezien welke bijdragen passend zijn, alvorens hij een nieuw verzoek indient.

5.2.

Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het verzoek van de man afwijzen.

6 De beslissing

De rechtbank:

6.1.

wijst het verzoek van de man af.

Deze beschikking is gegeven door mr. J.L. Roubos, rechter, in tegenwoordigheid van mr. L.C. Commandeur, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 17 februari 2021.

Tegen deze beschikking kan – voor zover er definitief is beslist – door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam. De verzoekende partij en de verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.