Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2021:12766

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
15-12-2021
Datum publicatie
03-05-2022
Zaaknummer
9326415
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Huurovereenkomst ten aanzien van een pinautomaat. De huurder heeft de overeenkomst niet rechtsgeldig opgezegd en is de gevorderde betalingsachterstand daarom verschuldigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Insolventie

locatie Haarlem

Zaaknr./rolnr.: 9326415 \ CV EXPL 21-4560

Uitspraakdatum: 15 december 2021

Vonnis van de kantonrechter in de zaak van:

CCV Group B.V.

gevestigd te Arnhem

eiseres

verder te noemen: CCV

gemachtigden: Gerechtsdeurwaarderskantoor De Klerk Vis Niekus

tegen

[gedaagde]

wonende te [woonplaats]

gedaagde

verder te noemen: [woonplaats]

procederend in persoon

1 Het procesverloop

1.1.

CCV heeft bij dagvaarding van 2 juli 2021 een vordering tegen [woonplaats] ingesteld. [woonplaats] heeft ter zitting van 11 augustus 2021 mondeling geantwoord.

1.2.

Op 16 november 2021 heeft een zitting plaatsgevonden. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat partijen ter toelichting van hun standpunten naar voren hebben gebracht. Voorafgaand aan de zitting hebben beide partijen nog aanvullende stukken toegezonden.

2 De feiten

2.1.

CCV is een leverancier en verhuurder van onder meer (mobiele) pinautomaten. Daarnaast levert CCV ook goederen en diensten ten behoeve van het gebruik van deze pinautomaten.

2.2.

[woonplaats] was eigenaar van een eetcafé. Wegens financiële problemen heeft hij de exploitatie van dat eetcafé in 2016 aan een derde overgedragen.

2.3.

CCV en [woonplaats] zijn in augustus 2013 een huurovereenkomst aangegaan met betrekking tot het gebruik van een CCV Paybox Smart pakket (hierna: pinautomaat) inclusief een maandelijkse rapportage en overige diensten. Op deze huurovereenkomst zijn de Algemene voorwaarden CCV Holland B.V. van augustus 2012 van toepassing verklaard (hierna: algemene voorwaarden).

2.4.

Uit de algemene voorwaarden – voor zover hier relevant – volgt :

“(…)

7.2.

Tenzij in de Overeenkomst anders is bepaald, wordt de duur van de Overeenkomst na afloop van de initiële looptijd automatisch verlengd met telkens één jaar, tenzij de Overeenkomst tijdig en rechtsgeldig is opgezegd.”

7.3.

Tenzij in de overeenkomst anders is bepaald geschiedt opzegging schriftelijk en alleen tegen het einde van de (verlengde) looptijd van de Overeenkomst en met inachtneming van een opzegtermijn van tenminste drie (3) maanden. Voortijdige en tussentijdse beëindiging van de Overeenkomst voor Diensten is niet mogelijk.

(…)

7.6.

Na beëindiging van de Overeenkomst om welke reden dan ook, zal de Klant alle Producten die anders dan in het kader van koop aan de Klant ter beschikking zijn gesteld, terstond voor teruggave aan CCV ter beschikking stellen, dan wel op eerste daartoe strekkende verzoek van CCV op kosten van de Klant aan CCV terugsturen (…)

(…)

9.2.

Tenzij Schriftelijk anders overeengekomen, zullen alle door de Klant aan CCV verschuldigde bedragen vooraf per automatische incasso worden geïncasseerd vanaf het rekeningnummer van de Klant dat op de Overeenkomst staat vermeld. (…)

9.3.

Indien met de Klant betaling achteraf per factuur wordt overeengekomen, geldt een betalingstermijn van veertien (14) dagen na de factuurdatum.

(…)”

2.5.

Op 8 november 2016 meldt [woonplaats] via een formulier op de website van CCV:

“(…)

Afgelopen week heb ik telefonisch contact gehad met een van uw collega’s. Dit i.v.m. gedwongen sluiting van mijn zaak. Ik wilde bijdeze nog even schriftelijk mijn opzegging doorgeven.

Graag verneem ik hoe en wat betreft apparatuur omtrent deze opzegging.

(…)”

2.6.

Bij mail van 14 november 2016 reageert CCV daarop als volgt:

“(…)

Naar aanleiding van uw formulier op onze website, sturen wij u de offerte voor de aangevraagde wijziging(en). Deze offerte en begeleidende brief vindt u in de bijlage.

Graag zien wij de offerte beeindiging getekend van u retour zodat we uw beeindiging kunnen doorvoeren.

(…)”

2.7.

Vanaf 1 december 2016 heeft [woonplaats] de door CCV aan hem verzonden facturen, ondanks diverse aanmaningen, onbetaald gelaten. De betalingsachterstand bedraagt € 1.217,71.

3 De vordering

3.1.

CCV vordert dat de kantonrechter [woonplaats] veroordeelt:

  • -

    tot betaling van € 1.217,71, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente daarover vanaf de vervaldatum van de facturen tot aan de dag van de algehele voldoening, alsmede de buitengerechtelijke kosten van € 182,66;

  • -

    tot betaling van de kosten van deze procedure, waaronder begrepen een bedrag voor het salaris van de gemachtigden (ex artikel 238 Rv).

3.2.

CCV legt aan de vordering ten grondslag – kort weergegeven – dat [woonplaats] toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van zijn verplichtingen uit de tussen hen gesloten huurovereenkomst.

3.3.

Volgens CCV heeft [woonplaats] de huurovereenkomst niet rechtsgeldig beëindigd en heeft hij de pinautomaat ook nooit geretourneerd. Dat betekent dat [woonplaats] gehouden is de verplichtingen uit de huurovereenkomst na te komen. CCV stelt verder al coulant te zijn geweest richting [woonplaats] door de pinautomaat als verloren te beschouwen en daarvoor geen kosten in rekening te brengen bij [woonplaats] .

4 Het verweer

4.1.

[woonplaats] betwist de vordering en voert aan – samengevat – dat hij de huurovereenkomst tijdig heeft beëindigd en dat hij een bevestiging daarvan van CCV heeft ontvangen. Ook heeft hij de pinautomaat aan CCV geretourneerd. Volgens [woonplaats] is hij daarom niets meer verschuldigd aan CCV. Dat hij niet meer over een verzendbewijs beschikt, is aan CCV te wijten. CCV heeft immers alle correspondentie naar een verkeerd (voormalig zakelijk) adres gestuurd waardoor [woonplaats] deze niet heeft ontvangen. Daardoor en door verloop van tijd – namelijk anderhalf jaar – is het verzendbewijs verloren gegaan.

4.2.

Verder voert [woonplaats] aan dat hij, gezien zijn financiële situatie, niet in staat is om de vordering te betalen. Door gezondheidsproblemen en andere privé omstandigheden leven hij en zijn gezin van een uitkering. Daarnaast is hij ook een schuld bij de Belastingdienst aan het aflossen. Als CCV hem eerder had benaderd, dan was het wellicht nog mogelijk geweest om één of twee maanden huur te betalen, maar de huur over deze lange periode kan hij niet opbrengen.

5 De beoordeling

5.1.

Tussen partijen is niet in geschil dat [woonplaats] zijn voornemen om de huurovereenkomst te beëindigen, via een contactformulier op 8 november 2016 op de website van CCV kenbaar heeft gemaakt. In geschil is de vraag of de huurovereenkomst rechtsgeldig door [woonplaats] is beëindigd. De kantonrechter is van oordeel dat dit niet het geval is en licht dat als volgt toe.

5.2.

CCV heeft zich op het standpunt gesteld dat [woonplaats] het aan hem verstrekte beëindigingsformulier – de offerte tot beëindiging – niet ingevuld terug heeft gezonden waardoor de beëindiging niet definitief is geworden. CCV heeft ter zitting toegelicht dat het invullen en versturen van dit formulier noodzakelijk is om te kunnen vaststellen of de huurder de overeenkomst daadwerkelijk wil beëindigen. Wanneer het formulier retour is gekomen, vangt de overeengekomen opzegtermijn van drie maanden aan en stuurt CCV een doosje naar de huurder waarin de pinautomaat kan worden teruggestuurd. Hoewel [woonplaats] heeft betoogd dat hij het formulier terug heeft gestuurd, is dat niet gebleken. [woonplaats] heeft geen stukken overgelegd waaruit volgt dat hij de huurovereenkomst conform de algemene bepalingen, schriftelijk en met in achtneming van een opzegtermijn van drie maanden (zie r.o. 2.3), heeft opgezegd. De enkele stelling van [woonplaats] dat hij dat wel heeft gedaan en dat CCV dit telefonisch aan hem heeft bevestigd, hetgeen door CCV wordt betwist, is in dit geval onvoldoende.

5.3.

Dat laatste geldt ook voor het terug sturen van de pinautomaat. [woonplaats] heeft weliswaar aangevoerd dat hij de pinautomaat per post naar CCV heeft teruggestuurd maar hij heeft dit op geen enkele wijze, bijvoorbeeld door middel van een verzendbewijs, aangetoond. Dat [woonplaats] niet meer beschikt over het verzendbewijs vanwege het tijdsverloop, blijft in dit geval voor zijn risico. Daarbij komt dat CCV ter zitting heeft aangegeven dat zij vaker pinautomaten – ook zonder de vereiste opzegging – ontvangt en dat dit voor haar een signaal is dat de huurder de huurovereenkomst wil opzeggen. Indien zij de pinautomaat van [woonplaats] zou hebben ontvangen, dan had zij een opzegtermijn van drie maanden gehanteerd en de huurovereenkomst alsdan als beëindigd beschouwd, aldus CCV. Nu CCV de pinautomaat niet heeft ontvangen en [woonplaats] niet heeft onderbouwd dat hij deze naar CCV heeft verzonden, moet de kantonrechter er van uitgaan dat de pinautomaat niet is teruggestuurd.

5.4.

Het voorgaande leidt tot het oordeel dat [woonplaats] de huurovereenkomst niet rechtsgeldig heeft opgezegd en dat de huurovereenkomst tot april 2019 heeft voortgeduurd. Dat betekend de vordering toewijsbaar is. Hoe vervelend en verdrietig de financiële en privé omstandigheden van [woonplaats] ook zijn, deze liggen in zijn risicosfeer en staan aan toewijzing van de vordering niet in de weg.

5.5.

CCV maakt aanspraak op de vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De kantonrechter stelt vast dat aan de vereisten zoals gesteld in artikel 6:96 BW is voldaan. Daarmee is de vergoeding verschuldigd en zal het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten van € 182,66 worden toegewezen.

5.6.

CCV vordert ook vergoeding van de wettelijke handelsrente ex artikel 6:119a BW. Voor het toewijzen ervan vereist dat sprake is van een handelsovereenkomst. Van een handelsovereenkomst is volgens de wet sprake als het gaat om een “overeenkomst om baat die een of meer van de partijen verplicht iets te geven of te doen en die tot stand is gekomen tussen een of meer natuurlijke personen die handelen in de uitoefening van een beroep of bedrijf of rechtspersonen.” In dit geval staat vast dat [woonplaats] bij het aangaan van de overeenkomst met CCV handelde in de uitoefening van een cafébedrijf. Dat betekent, nu [woonplaats] de facturen niet binnen de overeengekomen betaaltermijn heeft voldaan, dat ook de gevorderde wettelijke handelsrente zal worden toegewezen.

5.7.

De proceskosten komen voor rekening van [woonplaats] , omdat hij ongelijk krijgt.

6 De beslissing

De kantonrechter:

6.1.

veroordeelt [woonplaats] tot betaling aan CCV van € 1.217,71, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente over dat bedrag vanaf de vervaldatum van de facturen tot aan de dag van de gehele betaling;

6.2.

veroordeelt [woonplaats] tot betaling van de buiten gerechtelijke incassokosten van € 182,66;

6.3.

veroordeelt [woonplaats] tot betaling van de proceskosten, die de kantonrechter aan de kant van CCV tot en met vandaag vaststelt op:

dagvaarding € 89,44

griffierecht € 507,00

salaris gemachtigde € 248,00 (2x € 124,00);

6.4.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

6.5.

wijst de vordering voor het overige af.

Dit vonnis is gewezen door mr J.J. Dijk, kantonrechter en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid de griffier.

De griffier De kantonrechter