Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2021:12493

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
18-06-2021
Datum publicatie
14-01-2022
Zaaknummer
C/15/317446
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

Wrakingskamer. Verzoek afgewezen, nu dit is gegrond op een procesbeslissing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beslissing

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

[jw.sys.1.zaaknr] / [jw.sys.1.rolnummer_rekestnr][datum_beslissing]

Wrakingskamer

zaaknummer / rekestnummer: C/15/317446 / HA RK 21/108

Beslissing van 18 juni 2021

Op het verzoek tot wraking ingediend door:

[verzoekster] ,

wonende te IJmuiden,

verzoekster,

advocaat: mr. J.I. Vervest, kantoorhoudende te Heemskerk.

Het verzoek is gericht tegen:

mr. J.C.M. Swinkels,

mr. C.S. Goedèl

mr. A.J.H. Tuzgöl-Broekhoven,

hierna te noemen: de rechters.

1 Procesverloop

1.1

Verzoekster heeft op 18 juni 2021 ter zitting de wraking verzocht van de rechters in de bij deze rechtbank, team F&J Haarlem, aanhangige zaak met als zaaknummer C/15/307938 / FA RK 20/5175, hierna te noemen: de hoofdzaak.

1.2

De rechters hebben niet in de wraking berust en hebben schriftelijk op het verzoek gereageerd.

1.3

Het verzoek is vervolgens behandeld ter zitting met gesloten deuren van de wrakingskamer van 18 juni 2021. Verzoekster, de rechters en de wederpartij in de hoofdzaak zijn in de gelegenheid gesteld te worden gehoord. Verzoekster is niet verschenen, wel was aanwezig haar advocaat. Voorts is verschenen de wederpartij in de hoofdzaak met zijn advocaat, mr. A.E. Muller, kantoorhoudende te Haarlem.

2 Het standpunt van verzoekster

2.1

Verzoekster heeft ter onderbouwing van het verzoek en toegelicht op de zitting bij de wrakingskamer – samengevat – het volgende aangevoerd. Drie dagen voor de zitting is verzoekster geconfronteerd met stukken van de wederpartij die kort gezegd zouden moeten aantonen dat verzoekster geestelijk niet in orde is en ongeschikt is als opvoeder van de minderjarige dochter van partijen. Genoemde stukken zijn zowel onrechtmatig verkregen als zonder toestemming van verzoekster ingebracht. Verzoekster heeft daarom voorafgaand aan de zitting dringend aan de rechtbank verzocht om de producties 22, 23, 25 en 26 buiten beschouwing te laten en vervolgens niet aan de wederpartij te retourneren, maar te vernietigen. De rechtbank heeft genoemde stukken wel toegelaten. Hiermee bestaat op zijn minst de schijn van vooringenomenheid. Het impliciete oordeel is dat de ongefundeerde zorgen van de wederpartij serieus worden genomen. Verzoekster zou zich hierdoor gedwongen kunnen voelen om zich hiertegen te verdedigen. Het is impliciet ook een oordeel over de waarheidsgetrouwheid van de stukken, de betrouwbaarheid en dus over verzoekster. Op zijn minst bestaat hiermee een aanzienlijk risico op vooringenomenheid van de rechters. Door kennis te nemen van voornoemde stukken en deze in de procedure te betrekken, kan de rechtbank geen onafhankelijk oordeel vellen.

3 De feiten

3.1

De wrakingskamer gaat uit van de volgende feiten.

Verzoekster en de wederpartij hebben een affectieve relatie gehad, uit welke relatie op

[geboortedatum] [naam minderjarige] is geboren. Deze relatie is enige tijd na de geboorte van [naam minderjarige] beëindigd. De wederpartij heeft [naam minderjarige] erkend en oefent met verzoekster gezamenlijk gezag uit over de minderjarige.

De wederpartij in de hoofdzaak heeft op 18 september 2020 een verzoekschrift ingediend op grond van artikel 1:253a van het Burgerlijk Wetboek (BW) strekkende tot vaststelling van de hoofdverblijfplaats van de minderjarige en vaststelling van een zorg- en contactregeling. Bij het verzoekschrift zijn producties 1 tot en met 5 gevoegd.

Verzoekster heeft op 14 oktober 2020 ingediend een verweerschrift hoofdverblijfplaats en zorgregeling, tevens zelfstandige verzoeken ex artikel 253a, met daarbij de producties 1 tot en met 5.

Op 20 oktober 2020 heeft de wederparij ingediend een verweerschrift gericht tegen de tegenverzoeken tevens houdende akte overlegging nadere producties. Het betreft producties 5 tot en met 21.

Op 21 oktober 2020 is het verzoekschrift van de wederpartij behandeld achter gesloten deuren en is de zaak pro forma aangehouden tot 20 januari 2021.

Op 5 februari 2021 heeft verzoekster ingediend aanvullende of gewijzigde verzoeken op grond van artikel 253a BW, met de producties 6 en 7.

Op 10 februari 2021 is ontvangen op de rechtbank productie 22 van de wederpartij.

Op 10 juni 2021 is ontvangen op de rechtbank productie 8 van verzoekster.

Op 14 juni 2021 heeft de wederpartij ingediend een verweerschrift tegen de aanvullende of gewijzigde verzoeken tevens aanvullende verzoeken terzake omgang, met daarbij de producties 22 tot en met 25.

Op 15 juni 2021 is ontvangen op de rechtbank productie 26 van de wederpartij.

Op 17 juni 2021 is op de rechtbank ontvangen een brief van de advocaat van verzoekster met daarin het verzoek om de producties 22, 23, 25 en 26 buiten beschouwing te laten en vervolgens niet aan de wederpartij te retourneren, maar te vernietigen.

Op 18 juni 2021 heeft de zitting plaatsgevonden, waarbij zijn verschenen verzoekster, de wederpartij en hun advocaten en [naam] namens de Raad voor de Kinderbescherming. Ter zitting heeft mr. Vervest bezwaar gemaakt tegen de stukken die mr. Muller op 14 juni 2021 had overgelegd. Een deel van deze stukken betreft volgens mr. Vervest medische gegevens, die onrechtmatig zijn verkregen door de wederpartij. De stukken zijn voorts kort voor de zitting ingediend en daarmee niet tijdig. Mr. Vervest heeft de rechtbank verzocht om deze stukken daarom uit te sluiten. Na beraad heeft de voorzitter meegedeeld dat de rechtbank het indienen van het aanvullend verzoek en de producties niet in strijd acht met het procesreglement. Daarbij heeft de voorzitter opgemerkt dat de citaten van de wederpartij over de psychische gesteldheid van verzoekster geen deskundigenbricht zijn en in die zin voor de rechtbank weinig relevant zijn en dat de rechtbank er nu zo tegenaan kijkt dat er wellicht behoefte is aan een deskundigenbericht in de vorm van een onderzoek door de Raad voor de Kinderbescherming. Verzoekster heeft vervolgens de rechters gewraakt.

4 De beoordeling

4.1

Een rechter kan worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Uitgangspunt daarbij is dat de rechter uit hoofde van zijn aanstelling wordt vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing vormen dat een rechter jegens een partij een vooringenomenheid koestert. Daarnaast kan de vrees voor partijdigheid objectief gerechtvaardigd zijn, indien sprake is van feiten of omstandigheden die, geheel afgezien van de persoonlijke instelling van de rechter in de hoofdzaak, grond geven om te vrezen dat een rechter niet onpartijdig is, waarbij ook de (te vermijden) schijn van partijdigheid van belang is. Die feiten of omstandigheden moeten zwaarwegende redenen opleveren voor objectiveerbare twijfel aan de onpartijdigheid. Het subjectieve oordeel van verzoekster is voor de beoordeling van beide toetsen wel belangrijk maar niet doorslaggevend.

4.2

Het verzoek tot wraking van de rechters is gegrond op hun beslissing ter terechtzitting van 18 juni 2021 om het aanvullend verzoek en de producties als gedingstukken toe te laten tot de procedure. Dit is een proces- of tussenbeslissing.

4.3

Dergelijke tussenbeslissingen kunnen in beginsel geen grond voor wraking vormen (zie onder meer het arrest van de Hoge Raad van 25 september 2018,

ECLI:NL:HR:2018:1413). De vraag of een procesbeslissing al dan niet juist moet worden geacht, mag niet door de wrakingskamer worden beantwoord en kan slechts in een eventueel hoger beroep worden getoetst. De gegeven motivering van een procesbeslissing kan (ook) geen grond vormen voor wraking, ook niet indien wordt aangevoerd dat die motivering onjuist, onbegrijpelijk, gebrekkig of te summier zou zijn of een motivering ontbreekt. Dit is uitsluitend anders indien de motivering van de procesbeslissing in het licht van alle omstandigheden van het geval en naar objectieve maatstaven gemeten – bijvoorbeeld door de in de motivering gebezigde bewoordingen – niet anders kan worden verstaan dan als blijk van vooringenomenheid van de rechters jegens verzoekster. De wrakingskamer is van oordeel dat van de laatstgenoemde situatie in dit geval geen sprake is, zodat de (rechts)klachten van verzoekster tegen de procesbeslissing geen grond voor wraking kunnen vormen.

4.4

Gelet op het voorgaande leveren de door verzoekste aangevoerde feiten en omstandigheden geen grond op voor het oordeel dat de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden en vormen zij derhalve geen grond voor wraking. De rechtbank zal het verzoek daarom afwijzen.

5 Beslissing

De rechtbank

5.1

wijst het verzoek tot wraking van de rechters af,

5.2

beveelt de griffier onverwijld aan verzoekster, de rechters en de wederpartij in de hoofdzaak een voor eensluidende gewaarmerkt afschrift van deze beslissing toe te zenden,

5.3

beveelt dat het proces in de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond ten tijde van het indienen van het verzoek.

Deze beslissing is gegeven door mr. R.H.M. Bruin, voorzitter, mr. H.P. van der Lelie en

mr. F. Kleefmann, leden van de wrakingskamer, in tegenwoordigheid van J.A. Huismans, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 18 juni 2021.[concipiënt_initialen]

griffier voorzitter

Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.