Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2021:1246

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
12-01-2021
Datum publicatie
24-02-2021
Zaaknummer
8812763 \ AO VERZ 20-167
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Beschikking
Inhoudsindicatie

Arbeidsrecht. Ontbinding op de e-grond. Baliemedewerkster van een bankfiliaal handelt ernstig verwijtbaar door in strijd met kenbaar beleid van de bank een klant die een biljet van € 500 wilde wisselen in kleine coupures voor te stellen 1 US Dollar aan te kopen met dat € 500 Euro biljet, zodat kleine Euro coupures konden worden teruggegeven. Geen transitievergoeding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2021-0221
Prg. 2021/100
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Insolventie

locatie Haarlem

Zaaknr./repnr.: 8812763 \ AO VERZ 20-167

Uitspraakdatum: 12 januari 2021

Beschikking van de kantonrechter in de zaak van:


de naamloze vennootschap

ABN AMRO Bank N.V.

gevestigd te Amsterdam

verzoekster

verder te noemen: ABN AMRO

gemachtigde: mr. M.J.M.T. Keulaerds

tegen

[werkneemster]

wonende te [woonplaats]

verweerster

verder te noemen: [werkneemster]

gemachtigde: mr. P. Koog-van Keulen (ARAG Rechtsbijstand)

Samenvatting

Baliemedewerkster van een bankfiliaal op Schiphol handelt ernstig verwijtbaar door in strijd met kenbaar beleid van de bank een klant die een biljet van € 500 euro wilde wisselen in kleine coupures voor te stellen 1 US Dollar aan te kopen met dat € 500 Euro biljet, zodat kleine Euro coupures konden worden teruggegeven (zonder commissie in rekening te brengen). Geen transitievergoeding verschuldigd.

1 Het procesverloop

1.1.

ABN AMRO heeft een verzoek gedaan om de arbeidsovereenkomst tussen partijen te ontbinden. [werkneemster] heeft een verweerschrift en een tegenverzoek ingediend. Op 8 december 2020 heeft een zitting plaatsgevonden. Partijen hebben daar hun standpunten toegelicht en vragen beantwoord. De griffier heeft daarvan aantekeningen gemaakt. Partijen hebben ook pleitaantekeningen overgelegd. Vóór de zitting heeft ABN AMRO bij brief van 2 december 2020 nog stukken toegezonden.

2 De feiten

2.1.

[werkneemster] , geboren [in 1976] , is sinds 1 november 2002 in dienst bij ABN AMRO. Zij werkte laatstelijk als Baliemedewerker Schiphol en verdiende daarmee een bruto salaris van € 3.153,79 per maand, inclusief vakantiegeld en overige emolumenten.

2.2.

Als Baliemedewerker Schiphol voerde [werkneemster] valutawissels en cashtransacties uit volgens bepaalde legitimatieprocedures. [werkneemster] beheerde een eigen werkvoorraad kasgeld van circa
€ 5.000,-. Vóór Covid-19 deed handelde [werkneemster] gemiddeld 50 transacties af in een dienst van acht uur.

2.3.

ABN AMRO heeft via een e-learningsprogramma, Sharp, [werkneemster] steeds interactieve trainingen over risico’s gegeven. Ook moest [werkneemster] via het programma Permanent Actueel haar kennis van de Wet op het financieel toezicht (Wft) up to date houden. [werkneemster] moest op de testen van Sharp en Permanent Actueel minimaal een score van 70% behalen.

2.4.

Aan het eind van iedere dienst maakt een Baliemedewerker Schiphol de kas op. Wanneer er een kasverschil is dat de baliemedewerker niet zelf kan verklaren, moet de baliemedewerker dit aan de leidinggevende melden.

2.5.

Voor een baliemedewerker bij ABN AMRO gelden kwaliteitseisen. Minimaal 85% van de diensten moet in één keer goed zijn, de zogenaamde “First time fix”. Verder mag in niet meer dan één op duizend transacties een kasverschil aanwezig zijn, dat maximaal € 150,- per kwartaal mag bedragen (de zogenaamde “reële kasverschillen”). In 2017 heeft ABN AMRO met [werkneemster] besproken dat zij het aantal en het volume van de kasverschillen moest verkleinen om aan de kwaliteitsnormen van haar functie te voldoen. Op 25 juni 2017 is in dit kader een verbeterplan opgesteld.

2.6.

Op 1 mei 2018 heeft [werkneemster] in strijd met hoofdstuk 5 van het Zakboek Safety & Security, haar Schipholpas uitgeleend aan haar zus.

2.7.

Voor werknemers die werkzaam zijn bij het Wisselbedrijf op Schiphol zijn twee WhatsApp-groepen ingesteld, eén centrale groep voor alle werknemers van het Wisselbedrijf en een groep per afzonderlijk team. In de tweede groepsapp wordt relevante werkinformatie gedeeld. Op 15 oktober 2018 is [werkneemster] zonder vooraankondiging uit de tweede WhatsApp groep gestapt. [leidinggevende] , de leidinggevende van [werkneemster] , heeft [werkneemster] daar per e-mail van 22 oktober 2018 op aangesproken en medegedeeld dat hij haar weer aan de groep zou toevoegen, omdat daarin belangrijke werkinformatie wordt gedeeld. Op 2 mei 2019 heeft [werkneemster] zonder vooraankondiging de WhatsApp groep van haar team verlaten.

2.8.

[werkneemster] heeft kasverschillen op 18 januari 2019 en 22 april 2019 niet bij [leidinggevende] gemeld. Zij is hierop bij e-mails van 18 januari en 24 april 2019 aangesproken.

2.9.

Op 12 juli 2019 heeft ABN AMRO [werkneemster] een officiële waarschuwing gegeven voor de onder 2.7. en 2.8. weergegeven gebeurtenissen.

2.10.

Op 11 januari 2020 heeft [werkneemster] haar werkdienst met een kasverschil afgesloten zonder haar leidinggevende hiervan op de hoogte te stellen. Op 8, 19 en 30 mei en op 8 en 9 juni 2020 heeft [werkneemster] een werkdag met een kasverschil afgesloten.

2.11.

Op 1 april 2020 is het beleid omtrent wisseltransacties (cash-for-cash) binnen ABN AMRO aangepast in die zin dat ABNAMRO vanaf deze datum in het geheel geen wisseltransacties meer uitvoerde. Aanleiding voor dit nieuwe beleid was een aanscherping van de regelgeving voor wisseltransacties door de DNB. De nieuwe regels houden in dat bij iedere wisseltransactie moet worden vastgelegd wie de klant is, waarom deze geld wil wisselen en wat de herkomst van het geld is.

2.12.

Het aangepaste beleid over wisseltransacties (cash-for-cash) is voor het eerst bij e-mail van 11 maart 2020 met de medewerkers gedeeld. Vervolgens is dit ook in een PowerPoint-presentatie uiteengezet, waarin onder andere het volgende staat:
Op basis van de vereiste en operationele impact is er besloten op per direct te stoppen met het wisselen bankbiljetten (groot naar klein).

 Dit betekent dat er geen euro’s of vreemde valuta biljetten van groot naar klein (of andersom) worden gewisseld. Ook niet als het geld afkomstig is uit onze eigen geldautomaat!

De DNB heeft vastgesteld dat dit een hoog-risico handeling betreft, aangezien grote biljetten vaak gebruikt worden in situaties waar witwassen en criminaliteit aan de orde is.’

2.13.

Op 8 april 2020 heeft [werkneemster] bevestigd dat zij zich heeft ingelezen in de nieuwe regels over cash-for-cash en dat zij de training heeft gevolgd.

2.14.

Op 7 juli 2020 heeft een klant bij [werkneemster] verzocht om een biljet van € 500,- te wisselen voor kleinere biljetten. [werkneemster] heeft deze klant in eerste instantie laten weten dat dit niet mocht. Nadat de klant voor de tweede keer bij [werkneemster] is teruggekomen heeft [werkneemster] aangegeven dat de wissel wel mogelijk is als de klant er een transactie aan zou verbinden. Vervolgens heeft de klant $1,- gekocht hiervoor met het biljet van € 500,- betaald. [werkneemster] heeft voor deze transactie geen commissie in rekening gebracht.

2.15.

Bij e-mail van 14 juli 2020 heeft een Senior collega van [werkneemster] aan [werkneemster] het volgende geschreven:
‘Subject: Feedback (verkoop 1$)
Gisteren vertelde jij aan [voornaam] en mij dat jij een klant hebt geholpen die € 500 wilde wisselen van groot naar klein.
Vervolgens heb jij voor deze klant $1 verkocht.
Ik heb hier gisteren goed over nagedacht en kom daarom vandaag hier bij je op terug.Wij moeten ons ervan bewust zijn dat de richtlijnen van de DNB er niet voor niets zijn.
Jij bent hier als kassier voor verantwoordelijk maar ook ik als controleur in mijn functie als medewerker 2.
Dit omdat wij ons aan de gedragsregels van de ABNAMRO BANK moeten houden en indien wij dit niet doen zijn wij hiervoor aansprakelijk.
Ik wil je daarom vragen om dit niet meer op deze manier te doen.’

2.16.

Op 16 juli 2020 heeft ABN AMRO met [werkneemster] gesproken over de transactie op 7 juli 2020. In dit gesprek is aan [werkneemster] een aantal keer de vraag gesteld of zij dit vaker heeft gedaan, waarop [werkneemster] ontkennend heeft geantwoord. [werkneemster] is na dit gesprek op non actief gesteld.

2.17.

Uit het onderzoek dat ABN AMRO heeft verricht naar de transactie van 7 juli 2020 is gebleken dat [werkneemster] op 6 juli 2020 een valutatransactie heeft uitgevoerd waarbij een klant $1,- bij [werkneemster] heeft gekocht en heeft betaald met een biljet van € 200,-, eveneens zonder dat [werkneemster] commissie in rekening heeft gebracht. Op 30 juli 2020 heeft [werkneemster] desgevraagd aangegeven dat zij zich de transactie op 6 juli 2020 niet kon herinneren en hier ook geen kwaad in te zien.

2.18.

Bij brief van 4 augustus 2020 heeft ABN AMRO [werkneemster] een beëindigingsvoorstel gedaan. Partijen hebben geen overeenstemming bereikt.

3 Het verzoek

3.

3.1.

ABN AMRO verzoekt primair de arbeidsovereenkomst met [werkneemster] te ontbinden vanwege – kort gezegd – verwijtbaar handelen, disfunctioneren en een verstoorde arbeidsverhouding. Subsidiair verzoekt ABN AMRO ontbinding vanwege een combinatie van de genoemde gronden. Ingeval de arbeidsovereenkomst wordt ontbonden op grond van verwijtbaar handelen of nalaten verzoekt ABN AMRO: i) een verklaring voor recht dat zij op grond van artikel 7:673 lid 7 sub c BW geen transitievergoeding is verschuldigd en ii) om bij de einddatum van de arbeidsovereenkomst geen rekening te houden met de opzegtermijn op de voet van artikel 7:671b lid 9 sub b BW. Dit alles met veroordeling van [werkneemster] in de proceskosten. ABN AMRO heeft daarbij het volgende naar voren gebracht.

3.2.

Volgens ABN AMRO heeft [werkneemster] verwijtbaar gehandeld omdat zij, samengevat,

( a) op 1 mei 2018 haar Schipholpas heeft uitgeleend aan haar zus,

( b) op 15 oktober 2018 en 2 mei 2019 – zonder vooraankondiging en zonder toestemming- uit de WhatsApp-groepen van het Wisselbedrijf is gestapt,

( c) op 18 januari 2019, 22 april 2019 en 11 januari 2020 werkafspraken met betrekking tot de handelswijze bij een kasverschil niet nageleefd, en

( d) op 6 en 7 juli 2020 doelbewust en in strijd met alle regels het wisselbeleid van ABN AMRO heeft omzeild.

3.3.

Ten aanzien van het disfunctioneren (artikel 7:669 lid 3 sub d BW) heeft ABN AMRO aangevoerd dat [werkneemster] te vaak te veel kasverschillen heeft. In de periode van juni 2019 tot juni 2020 heeft [werkneemster] slechts twee van de dertien maanden de First time fix-norm van 85% gehaald. Het beheren van een kas is een van de kerntaken van een Baliemedewerker Schiphol en [werkneemster] schiet op dit vlak al jaren te kort. Ook is de werkhouding van [werkneemster] onvoldoende. Ze leeft werkafspraken niet na en kan niet tegen kritiek. ABN AMRO heeft [werkneemster] voldoende begeleiding geboden. Tweemaal is een verbeterplan opgesteld en is [werkneemster] door collega’s begeleid en ondersteund.

3.4.

Over de verstoorde arbeidsverhouding (artikel 7:669 lid 3 sub g BW) voert ABN AMRO aan dat de houding en het gedrag van [werkneemster] al geruime tijd te wensen over laat. Dit manifesteert zich op werkinhoudelijk vlak, in die zin dat [werkneemster] zich niet naar behoren inzet om haar functioneren te verbeteren, maar komt ook tot uiting in de interactie tussen [werkneemster] en haar collega’s. Omdat [werkneemster] niet kan omgaan met kritiek, is er steeds gedoe rondom [werkneemster] .

3.5.

Ten aanzien van de combinatie van disfunctioneren, verwijtbaar handelen of nalaten en/of een verstoorde arbeidsverhouding (artikel 7:669 lid 3 sub i BW) voert ABN AMRO aan dat hier sprake is van een situatie waarin de arbeidsovereenkomst met [werkneemster] redelijkerwijs moet eindigen. Voor zover niet reeds een van deze gronden op zichzelf de verzochte ontbinding kan dragen, rechtvaardigt deze combinatie van omstandigheden ontbinding van de arbeidsovereenkomst.

4 Het verweer en het tegenverzoek

4.1.

[werkneemster] verzoekt primair om afwijzing van het verzoek. Op haar verweer zal bij de beoordeling nader worden ingegaan.

4.2.

Subsidiair verzoekt [werkneemster] om ABN AMRO te veroordelen tot betaling van een transitievergoeding van € 24.246 en, voor zover op de i-grond wordt ontbonden, de helft van de transitievergoeding toe te wijzen. Ook verzoekt [werkneemster] om toekenning van een billijke vergoeding van € 48.000,- bruto. Daarbij verzoekt [werkneemster] om bij het bepalen van de ontbindingsdatum rekening te houden met de opzegtermijn van vier maanden. Tot slot verzoekt [werkneemster] ABN AMRO te veroordelen binnen een maand na einde arbeidsovereenkomst aan [werkneemster] een schriftelijke en deugdelijke netto/bruto specificatie te verstrekken betreffende de betaling van de transitievergoeding en billijke vergoeding, op straffe van een dwangsom. Dit alles met veroordeling van ABN AMRO in de proceskosten.

5 De beoordeling

het verzoek en het tegenverzoek

5.1.

Naar het oordeel van de kantonrechter leveren de hierboven onder 3 (a), (c) en (d) genoemde feiten en omstandigheden een redelijke grond voor ontbinding op, zoals bedoeld in artikel 7:669 lid 3, onderdeel e BW. De gedraging onder (b), het uit de Whatsappgroep stappen is ergerlijk en onhandig, maar betekent niet dat [werkneemster] niet op de hoogte was van belangrijke informatie, omdat die informatie immers ook per mail en via een ander forum werd gedeeld. Het uitlenen van de Schipholpas is, zoals [werkneemster] ook heeft betoogd, weliswaar al enige tijd geleden, maar daarom niet minder kwalijk. Het is in strijd met de Schipholregels en het betekent dat iemand die daarvoor niet geautoriseerd is in een gebied komt waar zij niets te zoeken heeft. Ook het handelen in strijd met de regels in het geval van een kasverschil door niet de leidinggevende te informeren, is verwijtbaar. Zelfs nadat zij een officiële waarschuwing had ontvangen voor het niet melden van kasverschillen op 18 januari 2019 en 22 april 2019, ging [werkneemster] op 11 januari 2020 weer in de fout.

5.2.

De onder (d) genoemde gedragingen, de wisseltransacties op 6 en 7 juli 2020, vindt de kantonrechter ernstig verwijtbaar. Ter toelichting dient het volgende. In de bancaire sector zijn integriteit en vertrouwen van groot belang. Voor werknemers van financiële instellingen geldt het bankentuchtrecht (artikel 3:17c Wft) en zij zijn wettelijk verplicht de Bankierseed af te leggen (artikel 3:17b Wft). Met die eed, die ook [werkneemster] heeft afgelegd, belooft de bankmedewerker onder meer zijn of haar functie integer en zorgvuldig te zullen uitvoeren en zich te zullen gedragen naar de wetten, reglementen en gedragscodes die op hem of haar van toepassing zijn. Omdat de bancaire sector, en daarmee ABN AMRO, de laatste jaren onder een vergrootglas ligt, geldt dit meer dan ooit. Het belang dat ABN AMRO heeft bij naleving van (integriteits)regels en procedures door haar medewerkers is evident, omdat sprake is van streng toezicht op naleving van dergelijke regels en schending hiervan ingrijpende gevolgen voor ABN AMRO kan hebben.

5.3.

De valutatransacties die [werkneemster] op 6 en 7 juli 2020 heeft uitgevoerd zijn in flagrante strijd met het beleid dat ABN AMRO in grote rode letters op 11 maart 2020 heeft afgekondigd (zie de feiten). Dat aangescherpte beleid ten aanzien van cash-for-cash (dat mede te maken heeft met het risico op witwassen) moet, anders dan [werkneemster] ter zitting heeft betoogd, voor [werkneemster] volstrekt duidelijk zijn geweest. Het beleid is haar bij e-mail van 11 maart 2020 meegedeeld, [werkneemster] heeft de PowerPoint-presentatie gevolgd, zij heeft een training met controlevragen afgerond en op 8 april 2020 aangegeven dat de regels voor haar duidelijk zijn. De verwijzing naar de mail van haar collega van 14 juli 2020 (zie de feiten) maakt dit niet anders. Desondanks heeft [werkneemster] op 6 en 7 juli 2020 klanten die een biljet van respectievelijk € 200 en € 500 wilden wisselen in kleine coupures, voorgesteld om met dat 200 respectievelijk 500 Eurobiljet 1 USD te kopen, zodat [werkneemster] kleine eurobiljetten terug kon geven. Op deze manier is in feite een wissel van groot naar klein gerealiseerd. Dat [werkneemster] dit heeft gedaan om de klanten ter wille te zijn verklaart haar gedraging maar levert daarvoor geen rechtvaardiging op.

Transitievergoeding en datum ontbinding

5.4.

ABN AMRO hoeft aan [werkneemster] geen transitievergoeding te betalen, omdat de kantonrechter van oordeel is dat de valutatransacties die [werkneemster] op 6 en 7 juli 2020 heeft verricht ernstig verwijtbaar handelen opleveren in de zin van art. 7:673 lid 7 (zie ook ECLI:NL:HR:2019:203 en Kamerstukken II 2013/14, 33818, nr. 3, p. 34 en 40, en nr. 4, p. 15-16, en de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 3.29-3.36). [werkneemster] heeft in strijd gehandeld met in de praktijk toegepaste en voor haar kenbare gedragsregels van ABN AMRO, welk gedrag heeft geleid tot een onherstelbare vertrouwensbreuk. Daarbij kan het niet anders dan dat [werkneemster] het onoorbare van haar gedrag heeft ingezien. Zij heeft haar handelswijze waarbij zij zelf kennelijk ook vraagtekens had, op 13 juli 2020 aan een collega, zoals blijkt uit de e-mail van 14 juli 2020, voorgelegd. Ook staat vast dat [werkneemster] de klant op 7 juli 2020 in eerste instantie heeft weggestuurd met de mededeling dat een cash-for-cash wissel niet is toegestaan, waarna zij, toen de betreffende klant bij haar terugkwam met hetzelfde verzoek, heeft voorgesteld om de wissel van het € 500 biljet te laten plaatsvinden door hieraan een valutawissel ter waarde van $1 te koppelen. [werkneemster] heeft de commissie die gebruikelijk voor een valutawissel verschuldigd is niet in rekening gebracht. Al deze omstandigheden duiden erop dat [werkneemster] heel goed wist dat zij iets deed wat niet mocht. Vervolgens heeft [werkneemster] ook nog eens niet de waarheid verklaard op de vraag van ABN AMRO op 16 juli 2020 of de transactie op 7 juli 2020 een incident was. [werkneemster] heeft immers niet weersproken dat op 6 juli, de dag daarvoor, een soortgelijke transactie heeft plaatsgevonden. De gedragingen van [werkneemster] op 6 en 7 juli 2020 liggen op één lijn met de voorbeelden uit de parlementaire geschiedenis. [werkneemster] heeft in de ogen van de kantonrechter met deze gedragingen ernstig verwijtbaar gehandeld, zodat ABN AMRO geen transitievergoeding is verschuldigd en geen rekening zal worden gehouden met de opzegtermijn. De arbeidsovereenkomst zal worden ontbonden met ingang 15 januari 2021.

5.5.

De proceskosten in het verzoek komen voor rekening van [werkneemster] , omdat zij in het ongelijk wordt gesteld.

5.6.

Gelet op alles wat hiervoor is overwogen zal het tegenverzoek van [werkneemster] worden afgewezen. De proceskosten die aan de kant van ABN AMRO op nihil worden gesteld komen voor rekening van [werkneemster] .

6 De beslissing

De kantonrechter:

het verzoek

6.1.

ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen partijen met ingang van 15 januari 2021;

6.2.

verklaart voor recht dat ABN AMRO op grond van artikel 7:673 lid 7 sub c BW geen transitievergoeding aan [werkneemster] is verschuldigd;

6.3.

veroordeelt [werkneemster] tot betaling van de proceskosten, die de kantonrechter aan de zijde van ABN AMRO tot en met vandaag vaststelt op:
griffierecht € 124,00;

salaris gemachtigde € 720,00;

6.4.

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

het tegenverzoek

6.5.

wijst het verzoek af;

6.6.

veroordeelt [werkneemster] in de proceskosten die aan de kant van ABN AMRO op nihil worden begroot.


Deze beschikking is gegeven door mr. W. Aardenburg en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.

De griffier De kantonrechter