Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2021:1232

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
10-02-2021
Datum publicatie
16-02-2021
Zaaknummer
8756799 \ CV EXPL 20-4657
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

disculperende stilstand, bijzondere manoeuvre, artikel 54 RVV

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2021-0165
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Bewind

locatie Alkmaar

Zaaknr./rolnr.: 8756799 \ CV EXPL 20-4657 (TB)

Uitspraakdatum: 10 februari 2021

Vonnis van de kantonrechter in de zaak van:

[eiser]

wonende te [woonplaats]

eiseres

verder te noemen: [woonplaats]

gemachtigde: mr. C.G.A. Mattheussens

[toevoeging: 1IZ2061]

tegen

de coöperatie Coöperatie Noordhollandsche van 1816 U.A.

gevestigd te Oudkarspel

gedaagde

verder te noemen: Nh1816

gemachtigde: mr. N.J.C. Settels

1 Het procesverloop

1.1.

[woonplaats] heeft bij dagvaarding van 1 september 2020 een vordering tegen Nh1816 ingesteld. Nh1816 heeft schriftelijk geantwoord.

1.2.

[woonplaats] heeft hierop schriftelijk gereageerd, waarna Nh1816 een schriftelijke reactie heeft gegeven.

2 De feiten

2.1.

Op 13 januari 2020 is [woonplaats] met haar auto in botsing gekomen met een andere auto, die een parkeervak uitreed. Nh1816 is de verzekeraar van de bestuurder van de andere auto.

2.2.

Bij de aanrijding die zich heeft voorgedaan reed [woonplaats] vooruit weg uit een parkeervak. De bestuurder van de andere auto reed achteruit uit een parkeervak.

3 De vordering

3.1.

[woonplaats] vordert dat de kantonrechter Nh1816 veroordeelt tot betaling van € 1.332,49, vermeerderd met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 13 januari 2020, althans vanaf de dag van dagvaarding tot aan de dag van algehele voldoening, met veroordeling van Nh1816 in de kosten van deze procedure.

3.2.

[woonplaats] legt aan de vordering ten grondslag – kort weergegeven – dat Nh1816 gehouden is tot betaling van de gehele schade welke is veroorzaakt doordat de bestuurder van een andere auto, een client van Nh1816, een botsing heeft veroorzaakt met haar auto en [woonplaats] dientengevolge schade heeft geleden. De bestuurder van de andere auto reed achteruit een parkeervak uit en kwam, ondanks dat [woonplaats] stilstond en toeterde, met de achterzijde van haar auto in botsing met de voorzijde van de auto van [woonplaats] . [woonplaats] stond ten tijde van de aanrijding stil (disculperende stilstand). Aan de zijde van [woonplaats] is geen sprake van een bijzondere manoeuvre zodat Nh1816 gehouden is tot betaling van de volledige schade.

4 Het verweer

4.1.

Nh1816 betwist de vordering (gedeeltelijk). Zij voert aan – samengevat – dat beide voertuigen ten tijde van de aanrijding een bijzondere manoeuvre uitvoerden zodat beide partijen voor 50% aansprakelijk zijn. In artikel 54 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV) staat dat wegrijden en achteruitrijden bijzondere verrichtingen zijn. Dat [woonplaats] stilstond ondanks het wegrijden en er sprake was van disculperende stilstand wordt door [woonplaats] niet ondersteund door bewijsmiddelen. De getuigenverklaring die door [woonplaats] in het geding is gebracht is tegenstrijdig en toont niet aan dat sprake was van disculperende stilstand.

5 De beoordeling

5.1.

Ter beoordeling ligt de vraag voor of Nh1816 de gehele schade van [woonplaats] moet vergoeden of zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat [woonplaats] voor 50% aansprakelijk is voor de schade die het gevolg is van de botsing op 13 januari 2020. De kantonrechter overweegt als volgt.

5.2.

Voor het vaststellen van aansprakelijkheid zijn de wettelijke regels in verkeerssituaties van belang. In artikel 54 RVV is het volgende opgenomen: ‘Bestuurders die een bijzondere manoeuvre uitvoeren, zoals wegrijden, achteruitrijden, uit een uitrit de weg oprijden, van een weg een inrit oprijden, keren, van de invoegstrook de doorgaande rijbaan oprijden, van de doorgaande rijbaan de uitrijstrook oprijden en van rijstrook wisselen, moeten het overige verkeer voor laten gaan.’

5.3.

Zoals in de feiten weergegeven reed [woonplaats] vooruit het parkeervak uit en reed de bestuurder van de andere auto achteruit een parkeervak uit. Zowel [woonplaats] als de bestuurder van de andere auto waren bezig met een zogenaamde ‘bijzondere manoeuvre’. Niet van belang is dat de neus van de auto zich aan de voorzijde/uitrijzijde van het parkeerpak bevond en [woonplaats] dus niet achteruit reed. Immers wilde [woonplaats] uit een parkeervak de weg oprijden. De bestuurder van de andere auto reed achteruit een parkeervak uit. Daarbij hadden [woonplaats] en de bestuurder van de andere auto beiden de verplichting voorrang te verlenen aan het overige verkeer. Nh1816 heeft dan ook terecht aangevoerd dat [woonplaats] ook een bijzondere manoeuvre verrichtte in de zin van artikel 54 RVV. Dat beide auto’s een bijzondere manoeuvre uitvoerden maakt echter niet dat reeds daarom ieder voor de helft van de schade aansprakelijk is.

5.4.

[woonplaats] stelt zich voorts op het standpunt dat zij haar, zo al sprake zijn van een bijzondere manoeuvre aan de zijde van [woonplaats] , bijzondere manoeuvre had beëindigd omdat zij stilstond en wel dusdanig lang dat sprake is van de zogenaamde disculperende stilstand waardoor zij volledig schadeloos gesteld moet worden. Dat [woonplaats] ten tijde van de botsing stilstond en dat sprake was van een disculperende stilstand, wordt door Nh1816 betwist.

5.5.

[woonplaats] heeft ter onderbouwing van de disculperende stilstand een verklaring van een getuige overgelegd (productie 5 bij dagvaarding). De getuige, [XX] , heeft schriftelijk verklaard over de toedracht van de botsing waarbij zij melding maakt dat [woonplaats] even stil stond omdat een andere auto bezig was met achteruitrijden. Daarnaast meldt [XX] dat [woonplaats] claxonneerde naar de bestuurder van de andere auto en zij op dat moment stil stond.

5.6.

Nh1816 heeft betoogd dat de door [woonplaats] overgelegde getuigenverklaring niet overeenstemt met hetgeen door [woonplaats] wordt gesteld. De kantonrechter volgt Nh1816 hier niet in. De verklaring is wellicht op enkele punten niet heel duidelijk, maar voldoende duidelijk is wel dat [woonplaats] stilstond voordat de botsing plaatsvond en ten tijde van de botsing.

5.7.

Gelet op het voorgaande is de kantonrechter van oordeel dat Nh1816 de getuigenverklaring, die het standpunt van [woonplaats] dat zij langere tijd stilstond voldoende onderbouwt, onvoldoende gemotiveerd heeft betwist. De kantonrechter is van oordeel dat voldoende aannemelijk is dat [woonplaats] ten tijde van de botsing stilstond. De verzekerde van NH1816 is dus tegen de stilstaande [woonplaats] opgereden, zodat de vordering van [woonplaats] zal worden toegewezen.

5.8.

[woonplaats] heeft wettelijke rente gevorderd vanaf de datum van de botsing. Nh1816 is wettelijke rente verschuldigd vanaf de datum dat de schade geleden is. De wettelijke rente zal worden toegewezen vanaf 13 januari 2020.

5.9.

De proceskosten komen voor rekening van Nh1816, omdat zij ongelijk krijgt.

6 De beslissing

De kantonrechter:

6.1.

veroordeelt Nh1816 tot betaling aan [woonplaats] van € 1.332,49, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 13 januari 2020 tot aan de dag van de gehele betaling;

6.2.

veroordeelt Nh1816 tot betaling van de proceskosten, die de kantonrechter aan de kant van [woonplaats] tot en met vandaag vaststelt op:

dagvaarding € 106,47

griffierecht € 83,00

salaris gemachtigde € 374,00;

6.3.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

6.4.

wijst de vordering voor het overige af.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.S. Reid en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.

De griffier De kantonrechter