Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2021:1213

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
27-01-2021
Datum publicatie
15-02-2021
Zaaknummer
8075981 \ CV FORM 19-14596
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Beschikking
Inhoudsindicatie

Luchtvaartclaim. Het intrekken en het opleggen van een later slot kan worden gezien als een besluit van de luchtverkeersleiding ten aanzien van een specifiek vliegtuig op een specifieke dag in de zin van overweging 15 van de considerans van de Verordening.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Insolventie

locatie Haarlem

Zaaknr./rolnr.: 8075981 \ CV FORM 19-14596

Uitspraakdatum: 27 januari 2021

Beschikking van de kantonrechter in de zaak van:

1 [passagier sub 1] ,

2. J [passagier sub 2],

beiden [woonplaats]

verzoekende partij

verder te noemen: de passagiers

gemachtigde: ARAG Legal Services B.V. (Flight Claim)

tegen

de buitenlandse rechtspersoon

Deutsche Lufthansa Aktiengesellschaft (A.G.)

gevestigd te Keulen (Duitsland)

onder andere kantoorhoudende te Schiphol

verwerende partij

verder te noemen: de vervoerder

gemachtigde: mr. E.C. Douma

1 Het procesverloop

Dit verloop blijkt uit:

  • -

    het vorderingsformulier (formulier A), ingekomen ter griffie op 26 september 2019;

  • -

    het antwoordformulier (formulier C), ingekomen ter griffie op 12 december 2019;

  • -

    schriftelijke reactie aan de zijde van de passagiers, ingekomen ter griffie op 31 januari 2020;

  • -

    schriftelijke reactie aan de zijde van de vervoerder, ingekomen ter griffie op 29 april 2020.

2 De feiten

2.1.

De passagiers hebben met de vervoerder een vervoersovereenkomst gesloten op grond waarvan de vervoerder de passagiers diende te vervoeren van Amsterdam-Schiphol Airport via Frankfurt (Duitsland) naar Verona (Italië) op 8 mei 2019.

2.2.

De vlucht van Amsterdam naar Frankfurt is met vertraging uitgevoerd, waarna de passagiers de aansluitende vlucht heeft gemist. De passagiers zijn omgeboekt en met een vertraging van meer dan drie uur op de eindbestemming aangekomen.

2.3.

De passagiers hebben compensatie van de vervoerder verzocht in verband met voornoemde vertraging.

2.4.

De vervoerder heeft geweigerd tot betaling over te gaan.

3 Het verzoek en het verweer

3.1.

De passagiers verzoeken de vervoerder te veroordelen tot betaling van:

- € 532,70, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 juli 2019 tot aan de dag der algehele voldoening;
- € 79,90 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 8 mei 2019 tot de datum van betaling van de kosten;
- de proceskosten;

3.2.

De passagiers baseren het verzoek op de Verordening (EG) nr. 261/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels inzake compensatie en bijstand aan luchtreizigers bij instapweigering en annulering of langdurige vertraging van vluchten en tot intrekking van de verordening (EEG) nr. 295/91 (hierna: de Verordening) en de daarop betrekking hebbende rechtspraak van het Europese Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof).

3.3.

De passagiers stellen dat de vervoerder vanwege de vertraging van de vlucht gehouden is compensatie te betalen conform artikel 7 van de Verordening tot een bedrag van € 500,00. Voorts vorderen de passagiers op grond van artikel 8 in samenhang met artikel 9 van de Verordening vergoeding van additionele kosten, te weten maaltijdkosten, ter hoogte van € 32,70. Daarnaast maken de passagiers aanspraak op betaling door de vervoerder van de buitengerechtelijke kosten en de wettelijke rente.

3.4.

De vervoerder betwist de verschuldigdheid en de hoogte van het verzochte. Op het verweer wordt - voor zover relevant - bij de beoordeling van het geschil ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

De kantonrechter stelt ambtshalve vast dat de Nederlandse rechter in deze zaak bevoegd is om van het verzoek kennis te nemen.

4.2.

De kern van het geschil is of de vervoerder de passagiers compensatie verschuldigd is in verband met de vertraging van meer dan drie uur op de eindbestemming. De vervoerder is niet verplicht compensatie te betalen, als zij kan aantonen dat de vertraging het gevolg is van buitengewone omstandigheden in de zin van artikel 5, lid 3, van de Verordening, die ondanks het treffen van alle redelijke maatregelen niet konden worden voorkomen.

4.3.

In de punten 14 en 15 van de considerans van de Verordening staat dat omstandigheden als bedoeld in artikel 5 lid 3 van de Verordening zich onder meer kunnen voordoen in geval van weersomstandigheden die de uitvoering van de vlucht in kwestie verhinderen en wanneer een besluit van de luchtverkeersleiding voor een specifiek toestel op een specifieke dag een langdurige vertraging, een vertraging van een nacht of de annulering van één of meer vluchten van dat vliegtuig veroorzaakt.

4.4.

De vervoerder voert aan dat de voorafgaande vlucht van Frankfurt naar Amsterdam met een vertraging van 11 minuten is vertrokken vanwege beperkingen op de luchthaven van bestemming. De luchtverkeersleiding heeft als gevolg hiervan meerdere malen een nieuw slot opgelegd. De vlucht in kwestie kreeg vervolgens te maken met 27 minuten vertraging vanwege de vertraging van de voorafgaande vlucht en 17 minuten vertraging omdat de luchtverkeersleiding ook aan de vlucht in kwestie een nieuw slot heeft opgelegd. Hoewel het vluchtrapport een vertrekvertraging van 44 minuten noemt, is de werkelijke vertrekvertraging groter; in plaats van het oorspronkelijke slot van 08:00 uur UTC werd een slot van 08:54 uur UTC aangewezen, aldus de vervoerder. De passagiers kwamen vervolgens om 09:47 uur UTC in Frankfurt aan. De vlucht naar Verona stond gepland om 10:10 uur UTC. De minimum overstaptijd in Frankfurt is 45 minuten. De passagiers hebben dan ook als gevolg hiervan de aansluitende vlucht gemist. De vervoerder heeft de passagiers vervolgens omgeboekt naar de eerstvolgende vlucht (met plaats) naar Verona, aldus nog steeds de vervoerder.

4.5.

De kantonrechter overweegt dat het intrekken en het opleggen van een later slot kan worden gezien als een besluit van de luchtverkeersleiding ten aanzien van een specifiek vliegtuig op een specifieke dag in de zin van overweging 15 van de considerans van de Verordening, zodat het een buitengewone omstandigheid kan opleveren. Naar het oordeel van de kantonrechter heeft de vervoerder voldoende aangetoond dat luchtverkeersbeheer als gevolg van beperkingen op de luchthaven van bestemming en capaciteitsproblemen meerdere malen een nieuw slot heeft opgelegd aan zowel de voorafgaande vlucht als de vlucht in kwestie en dat geen sprake is van algemene restricties zoals de passagiers stellen. De vervoerder heeft daarnaast tegenover de stelling van de passagiers voldoende onderbouwd dat ook het inzetten van een ander toestel de vertraging niet had kunnen beperken. De kantonrechter is dan ook van oordeel dat de vertraging op de eindbestemming is ontstaan door het intrekken van de oorspronkelijke slottijden en dat deze omstandigheden kunnen worden aangemerkt als een buitengewone omstandigheid.

4.6.

Vervolgens dient te worden beoordeeld of de vervoerder in het onderhavige geval alle redelijke maatregelen heeft getroffen om de vertraging te voorkomen. De kantonrechter beantwoordt deze vraag bevestigend. Niet valt in te zien welke maatregelen de vervoerder in dit geval had moeten nemen om de vertraging te voorkomen. De vervoerder heeft geen invloed kunnen uitoefenen op de luchtverkeersleiding. Onweersproken is dat de vervoerder de passagiers heeft omgeboekt naar de eerste beschikbare vlucht, waarna de passagiers met een vertraging van 4 uur en 20 minuten op de eindbestemming zijn aangekomen. De kantonrechter is dan ook van oordeel dat de vervoerder alle redelijke maatregelen heeft genomen om de vertraging te beperken. De vordering op grond van artikel 7 van de Verordening wordt dan ook afgewezen.

4.7.

De gevorderde additionele kosten op grond van artikel 9 van de Verordening ter hoogte van € 32,70 zijn als onvoldoende gemotiveerd weersproken toewijsbaar. De verzochte wettelijke rente over dit bedrag is eveneens als onvoldoende gemotiveerd weersproken toewijsbaar.

4.8.

De passagiers hebben een bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten verzocht. Omdat het onderhavige verzoek geen betrekking heeft op één van de situaties waarin het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten van toepassing is, zal de kantonrechter de vraag of buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd zijn toetsen aan de eisen zoals deze zijn geformuleerd in het rapport Voorwerk II. De vervoerder heeft dit verzoek (gemotiveerd) betwist. De passagiers hebben hiertegenover onvoldoende aangetoond en onderbouwd dat de verrichte werkzaamheden meer hebben omvat dan de verzending van een enkele (eventueel herhaalde) aanmaning, het enkel doen van een schikkingsvoorstel, het inwinnen van eenvoudige inlichtingen of het op gebruikelijke wijze samenstellen van het dossier. Het verzoek tot vergoeding van buitengerechtelijke kosten en de daarover gevorderde rente moet daarom worden afgewezen.

4.9.

Nu partijen ieder voor een deel in het ongelijk zijn gesteld zullen de proceskosten worden gecompenseerd, in de zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

4.10.

Op verzoek van de passagiers zal een certificaat als bedoeld in artikel 20 lid 2 van de Verordening (EG) nr. 861/2007 tot vaststelling van een Europese procedure voor geringe vorderingen aan deze beschikking worden gehecht.

5 De beslissing

De kantonrechter:

5.1.

veroordeelt de vervoerder tot betaling aan de passagiers van € 32,70, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 14 juli 2019 tot aan de dag van de algehele voldoening;

5.2.

bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;

5.3.

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. M.M. Kruithof, kantonrechter, en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.

De griffier De kantonrechter

Tegen deze beschikking staat geen hoger beroep open