Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2021:1208

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
27-01-2021
Datum publicatie
15-02-2021
Zaaknummer
C/15/305973 / HA ZA 20-499
Rechtsgebieden
Internationaal privaatrecht
Bijzondere kenmerken
Op tegenspraak
Tussenuitspraak
Inhoudsindicatie

Incident. Exceptie van onbevoegdheid is ten onrechte opgeworpen. IPR. Geen forumkeuze is van toepassing. Artikel 25 herschikte EEX-Vo / artikel 23 Verdrag van Lugano (Zwitserse rechter)

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTHR 2021, afl. 2, p.
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Bewind

Zittingsplaats Alkmaar

zaaknummer / rolnummer: C/15/305973 / HA ZA 20-499

Vonnis in incident van 27 januari 2021

in de zaak van

de vennootschap naar buitenlands recht

CIME ENERGY EFFICIENCY A.S.,

gevestigd te Bratislava (Slowakije),

eiseres in de hoofdzaak,

verweerster in het incident,

advocaat mr. D.J.M. Kulk te Rotterdam,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

FUNDING FOR FUTURE B.V.,

gevestigd te Bergen,

gedaagde in de hoofdzaak,

eiseres in het incident,

advocaat mr. O. Laan te Amsterdam.

Partijen zullen hierna Cime EE en F4Fgenoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding;

  • -

    de (voorwaardelijke) conclusie van antwoord waarbij voor alle weren de exceptie van onbevoegdheid wordt opgeworpen;

  • -

    de conclusie van antwoord in het incident.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.

2 De feiten

2.1.

Cime EE is een naar Slowaaks recht opgerichte vennootschap met beperkte aansprakelijkheid. Cime EE is gevestigd in Slowakije.

2.2.

Cime Capital AG (hierna: Cime Capital) en Cime Equity Partners Kommanditgesellschaft für kollektive Kapitalanlagen (hierna: Cime EP) zijn naar Zwitsers recht opgerichte vennootschappen. Cime EE is een dochtervennootschap van Cime EP.

2.3.

F4F houdt zich onder meer bezig met de renovatie van onroerend goed (hoogbouw) in het voormalig Oostblok. F4F trekt gelden aan en investeert deze gelden in projecten en/of in andere (buitenlandse) vennootschappen, al dan niet door aandelen in deze vennootschappen te verkrijgen.

2.4.

Cime Capital en F4F hebben in 2018 en 2019 gesproken over een samenwerking met betrekking tot een investering in Latvian Baltic Energy Efficiency Facility (LABEEF), een 100% dochtervennootschap van F4F, gevestigd te Letland. De beoogde samenwerking is neergelegd in een Term Sheet.
Op 1 maart 2019 zijn Cime Capital en F4F, vooruitlopend op de totstandkoming van een Investment Agreement, een Framework Service Agreement (hierna ook: de FSA) overeengekomen. Artikel 10 van de FSA luidt als volgt:
“33. This Agreement shall in all respects be governed by and construed in accordance with Swiss law.
34. The courts of Zurich in the Canton of Zurich shall have exclusive jurisdiction for any and all disputes arising out of or in connection with this Agreement.”
2.5. Op 12 april 2019 is een Loan Agreement tussen Cime EE en F4F tot stand gekomen (hierna: de leningsovereenkomst). Artikel 6 van de leningsovereenkomst luidt als volgt: “The validity, construction, and performance of this Loan Agreement shall be interpreted in accordance with and governed in all respects by the laws of Switzerland.”
2.6. Cime EE heeft op dezelfde dag een bedrag van € 30.000,00 aan F4F betaald.*

2.7.

Op 14 mei 2019 is een (concept) Investment Agreement tot stand gekomen waarin de beoogde samenwerking tussen Cime Capital en F4F is vastgelegd. Artikel 14 van de (concept) Investment Agreement luidt als volgt:
“83. This Agreement shall in all respects be governed by and construed in accordance with Swiss law.
84. The courts of Zurich in the Canton of Zurich shall have exclusive jurisdiction for any and all disputes arising out of or in connection with this Agreement.”

2.8.

Cime EP heeft op 3 juli 2019 twee betalingen verricht aan F4F ten bedrage van € 15.000,00 en CHF 2.500 (gelijk aan € 2.208,78).

2.9.

Onder de Investment Agreement zou er aanvullende financiering worden gevraagd van Cime EP. Deze aanvullende financiering is geregeld in de Term Sheet Investment Memorandum. Op grond hiervan is, vooruitlopend op de Investment Agreement, op 1 augustus 2019 een (door Cime Capital en F4F ondertekende) leningsovereenkomst voor een totaalbedrag van € 1.500.000,00 gesloten. Een bedrag van € 500.000,00 is aan F4F betaald.

2.10.

Uiteindelijk zijn de besprekingen tussen Cime Capital en F4F in een impasse geraakt en hebben zij geen overeenstemming kunnen bereiken over de samenwerking.
Cime Capital en F4F hebben de Investment Agreement niet ondertekend.
2.11. Bij brieven van 27 en 31 maart 2020 hebben Cime EE respectievelijk Cime EP verzocht de bedragen van € 30.000,00 respectievelijk € 17.208,78 terug te betalen. F4F heeft aan deze verzoeken geen gehoor gegeven.

2.12.

Cime EE heeft op 13 juli 2020 conservatoir (derden)beslag gelegd ten laste van F4F.

2.13.

Bij akte van 22 juli 2020 heeft Cime EP haar vorderingen op F4F gecedeerd aan Cime EE.

3 De vordering in de hoofdzaak

3.1.

Cime EE vordert, samengevat, dat de rechtbank, bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, F4F veroordeelt
a. aan Cime EE te voldoen een bedrag van € 30.000,00 te vermeerderen met de wettelijke rente (Zwitsers recht) van 5% vanaf 12 april 2019 tot de dag van algehele voldoening;
b. aan Cime EE te voldoen een bedrag van € 17.208,78 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 31 maart 2020 tot de dag van algehele voldoening;
c. tot betaling van de proceskosten (met inbegrip van de beslagkosten) van dit geding, te vermeerderen met de nakosten en de wettelijke rente over de (na)kosten.

3.2.

Cime EE baseert haar vordering onder a. op de tussen Cime EE en F4F gesloten leningsovereenkomst. Op grond van die leningsovereenkomst heeft Cime EE een bedrag van € 30.000,00 betaald aan F4F. F4F heeft het geleende bedrag niet binnen de in de leningsovereenkomst gestelde termijn van twee maanden na ontvangst op 12 april 2019 terugbetaald aan Cime EE.
Aan de vordering onder b. legt Cime EE twee onverschuldigde betalingen ten grondslag. De betalende partij is een aan Cime EE gelieerde (groeps)vennootschap, te weten Cime EP. Cime EP heeft op 3 juli 2019 twee betalingen verricht aan F4F ten bedrage van € 15.000,00 en € 2.208,78. Deze betalingen zijn verricht met het oog op een nog te sluiten investeringsovereenkomst (hierna ook genoemd: de Investment Agreement) waarover F4F en Cime Capital in onderhandeling waren. De investeringsovereenkomst is volgens Cime EE uiteindelijk niet tot stand gekomen. Als gevolg hiervan zijn de betalingen van Cime EP zonder titel en dus onverplicht verricht. Tussen Cime EP en F4F bestaat geen rechtsverhouding uit hoofde waarvan Cime EP gehouden is tot betaling van € 17.208,78 aan F4F. Cime EP heeft haar vorderingen op F4F overgedragen aan Cime EE.

4 De vordering in het incident

4.1.

F4F vordert dat de rechtbank zich onbevoegd verklaart kennis te nemen van de vorderingen die Cime EE heeft ingesteld, met veroordeling van Cime EE in de kosten van het geding.

4.2.

F4F legt aan haar vordering, kort samengevat, ten grondslag dat partijen voor beide vorderingen in de hoofdzaak een forumkeuze hebben gemaakt, die de Zwitserse rechter als bevoegde rechter aanwijst. Volgens F4F is sprake van daadwerkelijke instemming van partijen met de forumkeuze. F4F beroept zich ten aanzien van de vordering op grond van de leningsovereenkomst op de forumkeuze voortvloeiende uit de Framework Service Agreement tussen Cime AG en F4F en de (gedeeltelijk uitgevoerde) Investment Agreement. De leningsovereenkomst maakt volgens F4F onderdeel uit van deze overeenkomsten om de beoogde samenwerking tussen partijen vorm te geven. Partijen hadden bij alle overeenkomsten de bedoeling om de Zwitserse rechter bevoegd te verklaren.
De vordering van Cime EE van € 17.208,78 is gebaseerd op de niet-ondertekende Investment Agreement. Volgens F4F zijn partijen stilzwijgend akkoord gegaan met de inhoud van deze overeenkomst en zijn zij begonnen met de uitvoering ervan.
Op grond hiervan concludeert F4F dat deze rechtbank niet bevoegd is om van de vorderingen van Cime EE kennis te nemen.

4.3.

Cime EE voert verweer en concludeert tot afwijzing van de incidentele vordering, met veroordeling van F4F in de kosten van dit geding, te vermeerderen met de wettelijke rente. Cime EE stelt zich, kort samengevat, op het standpunt dat er geen forumkeuze is waarop F4F een geldig beroep kan doen. De leningsovereenkomst bevat geen forumkeuze en deze kan ook niet worden gefingeerd door te verwijzen naar andere overeenkomsten die F4F heeft gesloten dan wel heeft beoogd te sluiten met Cime Capital. F4F kan eveneens geen beroep doen op een forumkeuze voor de vordering van Cime EE uit hoofde van onverschuldigde betaling, omdat de Investment Agreement nimmer tot stand is gekomen tussen Cime Capital en F4F, maar ook niet tussen Cime EP dan wel Cime EE en F4F.

4.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

5 De beoordeling in het incident

5.1.

Voor alle weren heeft F4F bij incidentele conclusie een exceptie van onbevoegdheid opgeworpen.

5.2.

In het incident gaat het om de vraag of de Nederlandse rechter (internationaal) bevoegd is om kennis te nemen van de vorderingen van Cime EE. Cime EE stelt dat dit het geval is, F4F bepleit het tegendeel.

5.3.

De rechtbank is van oordeel dat de incidentele vordering van F4F moet worden afgewezen. Daartoe is het volgende redengevend.

5.4.

De vraag naar de rechtsmacht van de Nederlandse rechter moet worden beoordeeld aan de hand van de Verordening (EU) Nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (hierna: de (herschikte) EEX-Vo) en het Verdrag betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (hierna: het Verdrag van Lugano 2007/EVEX II). Het betreft hier een burgerlijke of handelszaak waarvan de rechtsvorderingen na 10 januari 2015 respectievelijk 1 januari 2011 zijn ingesteld.
Nu F4F is gevestigd in Bergen, heeft de Nederlandse rechter in beginsel rechtsmacht op grond van artikel 4 lid 1 in samenhang met artikel 63 lid 1 (herschikte) EEX-Vo / artikel 2 lid 1 Verdrag van Lugano 2007/EVEX II. Deze rechtbank is beginsel relatief bevoegd op grond van artikel 99 lid 1 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv).

5.5.

F4F beroept zich er echter op dat de betrokken partijen een forumkeuze voor de Zwitserse rechter zijn overeengekomen. F4F wijst in dit verband op een forumkeuzebeding dat is opgenomen in artikel 10 van de Framework Service Agreement en in artikel 14 van de (draft/concept) Investment Agreement, welk beding de Zwitserse rechter (the courts of Zurich in the Canton of Zurich) aanwijst als de bevoegde rechter.

F4F baseert zich op artikel 23a EEX-Vo Verdrag van Lugano (de rechtbank begrijpt: artikel 23 lid 1 onder a van het Verdrag van Lugano 2007/EVEX II).

5.6.

Cime EE betwist dat een forumkeuzebeding van toepassing is. Zij stelt dat het beroep op artikel 25 lid 1 (herschikte) EEX-Vo / artikel 23 lid 1 Verdrag van Lugano 2007/EVEX II F4F niet kan baten, omdat geen overeenkomst tot aanwijzing van een bevoegd gerecht tussen F4F en Cime EE is gesloten.

5.7.

Artikel 25 (herschikte) EEX-Vo regelt de forumkeuze. Voor zover voor deze zaak van belang, luidt dit artikel als volgt:
“1. Indien de partijen een gerecht van een lidstaat hebben aangewezen voor de kennisneming van geschillen die naar aanleiding van een bepaalde rechtsbetrekking zijn ontstaan of zullen ontstaan, is dit gerecht van die lidstaat bevoegd, tenzij de overeenkomst krachtens het recht van die lidstaat nietig is wat haar materiële geldigheid betreft. Deze bevoegdheid is exclusief, tenzij de partijen anders zijn overeengekomen. De overeenkomst tot aanwijzing van een bevoegd gerecht wordt gesloten:

  1. hetzij bij een schriftelijke overeenkomst of bij een schriftelijk bevestigde mondelinge overeenkomst;

  2. hetzij in een vorm die wordt toegelaten door de handelwijzen die tussen de partijen gebruikelijk zijn geworden;

  3. hetzij, in de internationale handel, in een vorm die overeenstemt met een gewoonte waarvan de partijen op de hoogte zijn of hadden behoren te zijn en die in de internationale handel algemeen bekend is en door partijen bij dergelijke overeenkomsten in de betrokken handelsbranche doorgaans in acht wordt genomen.”

5.8.

Voor Zwitserland als niet-EU lidstaat geldt de (herschikte) EEX-Vo niet, maar het Verdrag van Lugano 2007/EVEX II. Bij dit Verdrag is Nederland partij.
Artikel 23 lid 1 Verdrag van Lugano 2007/EVEX II is in hoge mate gelijk aan artikel 25 lid 1 (herschikte) EEX-Vo.

5.9.

Partijen twisten weliswaar over de toepasselijkheid van een forumkeuze op hun rechtsbetrekking in deze zaak, maar tussen hen is niet in geschil dat op grond van de hiervoor aangehaalde verdragstekst een gedane forumkeuze geldt als een exclusieve forumkeuze in de zin van het bepaalde in lid 1 van artikel 25 (herschikte) EEX-Vo / artikel 23 Verdrag van Lugano 2007/EVEX II. In geval van toepasselijkheid van deze forumkeuze is de rechtbank Noord-Holland dus onbevoegd.

5.10.

De rechter moet een forumkeuzebeding afzonderlijk van de hoofdovereenkomst beoordelen. Uit vaste rechtspraak van het Hof van Justitie EU (en zijn rechtsvoorganger) volgt dat artikel 25 van de (herschikte) EEX-Vo (in navolging van artikel 17 EEX-verdrag en artikel 23 Brussel I-Vo) autonoom dient te worden uitgelegd en dat uit die uitleg voortvloeit dat de aangezochte rechter verplicht is in de eerste plaats te onderzoeken of het beding dat hem (on)bevoegd verklaart, daadwerkelijk het voorwerp is geweest van een wilsovereenstemming tussen partijen die duidelijk en nauwkeurig tot uiting komt. De vormvoorschriften in artikel 25 lid 1 sub a tot en met c (herschikte) EEX-Vo hebben ten doel te waarborgen dat de wilsovereenstemming inderdaad vaststaat en moeten strikt worden uitgelegd. De rechtbank dient dus te onderzoeken of tussen Cime EE en F4F zodanige wilsovereenstemming is ontstaan over een forumkeuze.

Ten aanzien van de vordering van € 30.000,00

5.11.

Tussen partijen is niet in geschil dat in de tussen hen gesloten leningsovereenkomst geen forumkeuze in de zin van het bepaalde in lid 1 van artikel 25 (herschikte) EEX-Vo / artikel 23 lid 1 onder a Verdrag van Lugano 2007/EVEX II is opgenomen. Evenmin is gebleken van een schriftelijk bevestigde mondelinge overeenkomst die een forumkeuzebeding bevat. F4F betoogt dat tussen partijen niettemin wilsovereenstemming is bereikt over een beding waarbij de Zwitserse rechter als de bevoegde rechter is aangewezen voor de kennisneming van geschillen. F4F stelt, onder verwijzing naar de als productie 19 overgelegde Legal Opinion van 18 november 2020 van Dr. Urs Erne, dat volgens Zwitserse jurisprudentie geldt dat een schriftelijke forumkeuze in één van de overeenkomsten behorende tot verschillende overeenkomsten die een nauwe economische relatie hebben, ook van toepassing is op de desbetreffende andere overeenkomsten. Volgens F4F maakt de leningsovereenkomst onderdeel uit van de overeenkomsten (de rechtbank begrijpt: de FSA en de Investment Agreement) om de beoogde samenwerking tussen partijen vorm te geven en hadden partijen bij alle overeenkomsten de bedoeling om de Zwitserse rechter bevoegd te verklaren.

5.12.

F4F doet hiermee kennelijk een beroep op het vormvereiste in lid 1 onder b van artikel 25 (herschikte) EEX-Vo / artikel 23 Verdrag van Lugano 2007/EVEX II, waarbij de overeenkomst tot aanwijzing van een bevoegd gerecht is gesloten in een vorm die wordt toegelaten door de handelwijzen die tussen partijen gebruikelijk zijn geworden.

5.13.

Dit beroep slaagt niet. De vraag of sprake is van een overeenkomst tot aanwijzing van een bevoegd gerecht als bedoeld in lid 1 van artikel 25 (herschikte) EEX-Vo / artikel 23 Verdrag van Lugano 2007/EVEX II moet, anders dan F4F veronderstelt, niet worden beantwoord aan de hand van het interne recht van betrokken staten. De vraag of tussen partijen wilsovereenstemming bestaat over een forumkeuzebeding moet via een autonome uitleg worden beantwoord, zoals hierboven onder 5.10. is overwogen.

F4F heeft onvoldoende onderbouwd dat is voldaan aan het bepaalde in lid 1 onder b van artikel 25 (herschikte) EEX-Vo / artikel 23 Verdrag van Lugano 2007/EVEX II. Gesteld noch gebleken is dat F4F en Cime EE tijdens hun besprekingen voorafgaand aan de sluiting van de leningsovereenkomst op enigerlei hebben gesproken over een forumkeuze voor de Zwitserse rechter. Dat het de intentie van F4F en Cime EE was overeen te komen dat de Zwitserse rechter bevoegd zou zijn en dat partijen vergeten zijn dit op te nemen in de leningsovereenkomst, zoals in voornoemde Legal Opinion wordt gesteld, blijkt nergens uit. Dat in de FSA en de draft Investment Agreement waarbij Cime EE geen partij was, een forumkeuze is gemaakt, maakt niet - zoals Cime EE terecht stelt - dat daarmee ook een forumkeuze is gemaakt die zich uitstrekt over de leningsovereenkomst. Onweersproken is dat de leningsovereenkomst de enige overeenkomst is die F4F en Cime EE met elkaar hebben gesloten. F4F heeft nagelaten feiten en omstandigheden aan te voeren waaruit handelwijzen blijken die tussen de F4F en Cime EE gebruikelijk zijn geworden. De stelling van F4F dat alle (concept)overeenkomsten zijn voorbereid door hetzelfde bedrijf Froriep Legal AG (mevrouw [naam]) is hiervoor onvoldoende.
Dit betekent dat geen forumkeuzebeding van toepassing is en deze rechtbank bevoegd is om van de vordering van € 30.000,00 kennis te nemen.

Ten aanzien van de vordering van € 17.208,78

5.14.

F4F betoogt dat deze rechtbank onbevoegd is om van deze vordering kennis te nemen, omdat de vordering gebaseerd is op de niet-ondertekende draft Investment Agreement, die een forumkeuzebeding voor de Zwitserse rechter bevat.
F4F stelt dat ter uitvoering van de draft Investment Agreement op 3 juli 2019 alvast de twee bedragen (€ 15.000,00 en € 2.208,78) aan haar zijn overgemaakt. Volgens F4F zijn partijen stilzwijgend akkoord gegaan met de inhoud van deze overeenkomst en zijn zij begonnen met de uitvoering ervan. Volgens Zwitsers recht, in het bijzonder artikel 12 CO, is een handtekening niet vereist voor de verbindendheid van een overeenkomst. F4F verwijst ter onderbouwing van deze stelling naar voornoemde Legal Opinion, paragraaf III.

5.15.

Cime EE betwist dat zij stilzwijgend akkoord is gegaan met de Investment Agreement, reeds omdat zij de vordering van € 17.208,78 van Cime EP gecedeerd heeft gekregen. Voor zover F4F doelt op gebondenheid van Cime EP aan de draft Investment Agreement, stelt Cime EE zich op het standpunt dat tussen Cime EP en F4F geen overeenkomst bestaat, noch dat door Cime EP stilzwijgend met de draft Investment Agreement akkoord is gegaan. Volgens Cime EE probeert F4F handelingen van Cime Capital toe te schrijven aan Cime EP dan wel Cime EE. Indien Cime EP al partij zou zijn bij de draft Investment Agreement, stelt Cime EE dat deze niet is ondertekend door partijen en deze daarmee, gelet op artikel 77 van die (concept)overeenkomst, niet tot stand is gekomen. Het stilzwijgend tot stand komen van een overeenkomst vereist volgens Cime EE bovendien dat alle partijen uitvoering moeten hebben gegeven aan de overeenkomst. Dat heeft F4F niet gedaan. Cime EE verwijst in dit verband naar de door haar overgelegde Legal Opinion van FRORIEP van 22 december 2020.

5.16.

Vaststaat dat Cime EP de vennootschap is geweest die de twee betalingen aan F4F heeft gedaan. Nadien is de - in de optiek van Cime EP - daaruit voortvloeiende vordering op grond van onverschuldigde betaling door Cime EP overgedragen aan Cime EE. F4F heeft tegen de geldigheid van deze cessie geen verweer gevoerd.
Terecht stelt Cime EE dat de bevoegdheid van de rechtbank beoordeeld dient te worden aan de hand van de relatie tussen Cime EP en F4F. F4F mag immers - als derde bij de cessie - als gevolg van de cessie niet in een slechtere positie komen te verkeren.
Cime EP heeft haar statutaire zetel in Zwitserland, F4F in Nederland.

5.17.

De rechtbank begrijpt dat F4F met haar stelling dat partijen stilzwijgend akkoord zijn gegaan met de inhoud van de Investment Agreement en daaraan (deels) uitvoering hebben gegeven doelt op partij Cime Capital / Cime EP aan de ene kant en partij F4F aan de andere kant. Daarvan gaat de rechtbank uit.

5.18.

Partijen zijn het erover eens dat de twee betalingen met het oog op de nog te ondertekenen Investment Agreement aan F4F zijn verricht. Deze overeenkomst bevat een forumkeuzebeding, waarbij het gerecht te Zurich wordt aangewezen als de bevoegde rechter ter zake van geschillen tussen de contractanten. Een concept-overeenkomst waarin een forumkeuzebeding is opgenomen levert echter niet een overeenkomst op tot aanwijzing van een bevoegde rechter die voldoet aan de strikte vormvereisten in lid 1, onder a, b of c van artikel 25 (herschikte) EEX-Vo / artikel 23 Verdrag van Lugano 2007/EVEX II.

5.19.

In die - niet-ondertekende - Investment Agreement - die blijkens de Signature Page overigens alleen door Cime Capital en F4F zou worden ondertekend - ligt niet besloten een schriftelijke of een schriftelijk bevestigde mondelinge overeenkomst. Uit het stilzwijgen van Cime Capital/EP en het gedeeltelijk uitvoeren van de draft Investment Agreement door Cime EP kan geen uitdrukkelijke instemming met de forumkeuze worden afgeleid. Zoals hierboven reeds is overwogen, moet de vraag of sprake is van een overeenkomst tot aanwijzing van een bevoegde rechter, anders dan partijen kennelijk veronderstellen, onafhankelijk van het Zwitserse recht worden beantwoord. De verwijzingen naar de Legal Opinions gaan op dit punt daarom niet op. Hetgeen F4F heeft aangevoerd maakt verder niet dat is voldaan aan het schriftelijkheidsvereiste van onderdeel a van bovengenoemde bepalingen.

5.20.

Er is evenmin sprake van een overeenkomst tot aanwijzing van een bevoegde rechter die is aangegaan in een vorm die door de handelwijzen van partijen gebruikelijk is geworden, zoals bedoeld in onderdeel b van bovengenoemde bepalingen. F4F en Cime Capital/EP hebben juist níet door middel van een concept een overeenkomst met F4F gesloten, laat staan dat dit tussen hen gebruikelijk was. Uit de verklaring van F4F dat de samenwerking is beëindigd nadat F4F niet akkoord was met de wijziging die Cime Capital/EP wilde doorvoeren blijkt ook dat de inhoud van de te sluiten overeenkomst nog voorwerp van debat was.
Dat F4F en Cime Capital/EP een overeenkomst hebben gesloten in een vorm overeenstemmend met een algemeen bekende gewoonte in de internationale handel, zoals bedoeld in onderdeel c van bovengenoemde bepalingen, is al helemaal niet aan de orde.

5.21.

Dit betekent dat geen forumkeuzebeding van toepassing is en deze rechtbank bevoegd is om van de vordering van € 17.208,78 kennis te nemen.

Conclusie
5.22. De exceptie van onbevoegdheid is ten onrechte opgeworpen. De rechtbank zal de incidentele vordering afwijzen.

Proceskosten

5.23.

F4F zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van het incident worden veroordeeld.

De rechtbank zal deze kostenveroordeling, zoals door Cime EE verzocht, vermeerderen met de wettelijke rente als na te melden en uitvoerbaar bij voorraad verklaren.

6 De beoordeling in de hoofdzaak

6.1.

De rechtbank zal in de hoofdzaak een mondelinge behandeling gelasten voor de enkelvoudige kamer om inlichtingen over de zaak te vragen en om te onderzoeken of partijen het op een of meer punten met elkaar eens kunnen worden.

6.2.

De rechtbank wijst erop dat zij uit een niet verschijnen van een partij op de mondelinge behandeling de gevolgtrekkingen - ook in het nadeel van die partij - kan maken die zij geraden zal achten.

6.3.

De mondelinge behandeling van de zaak zal in beginsel de volgende onderwerpen bevatten. De rechter zal beginnen met een aantal formaliteiten. Vervolgens zal de rechter zo nodig vragen stellen over de feiten en over de standpunten van partijen waarin inzicht moet bestaan om tot een oordeel te kunnen komen.

6.4.

Vervolgens zal aan de advocaten van partijen de gelegenheid worden geboden om voor zover nodig de vordering of het verweer nader toe te lichten. Indien gewenst kan daarbij gebruik worden gemaakt van korte spreekaantekeningen, niet langer dan vier bladzijden.

6.5.

Op de mondelinge behandeling zal, eventueel aan de hand van een voorlopig oordeel over de zaak, worden nagegaan hoe de verdere gang van de procedure moet zijn. Daarbij kan ook aan de orde komen of een schikking (al dan niet op onderdelen) mogelijk is. Partijen moeten er op voorbereid zijn, dat de rechtbank een mondeling tussenvonnis kan wijzen. De zitting eindigt met een aantal formaliteiten.

6.6.

De rechtbank wijst partijen er op dat zij schriftelijk en gemotiveerd om extra behandeltijd kunnen vragen indien zij van mening zijn dat de geplande 1,5 uur voor de mondelinge behandeling niet toereikend is.

6.7.

Partijen wordt verzocht er zorg voor te dragen dat bescheiden die voor de zaak van belang zijn - voor zover deze nog niet zijn overgelegd - uiterlijk twee weken voor de mondelinge behandeling in het bezit zijn van de rechtbank en de wederpartij.

7 De beslissing

De rechtbank

in het incident

7.1.

wijst de vordering af,

7.2.

veroordeelt F4F in de kosten van het incident, aan de zijde van Cime EE tot op heden begroot op € 543,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW met ingang van veertien dagen na de betekening van dit vonnis tot aan de voldoening;

7.3.

verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,

in de hoofdzaak

7.4.

beveelt een verschijning van partijen, bijgestaan door hun advocaten, voor het geven van inlichtingen en ter beproeving van een minnelijke regeling op de mondelinge behandeling van rechter mr. A.C. Haverkate van deze rechtbank in het gerechtsgebouw te Alkmaar aan de Kruseman van Eltenweg 2 op vrijdag 16 april 2021 van 09.30 tot 11.00 uur;

7.5.

bepaalt dat partijen dan vertegenwoordigd moeten zijn door iemand die van de zaak op de hoogte is en hetzij rechtens hetzij op grond van een bijzondere schriftelijke volmacht bevoegd is haar te vertegenwoordigen;

7.6.

bepaalt dat de partij die op genoemde datum en tijdstip niet kan verschijnen, binnen veertien dagen na de datum van dit vonnis schriftelijk aan de rechtbank ter attentie van de zittingsadministratie handel van de sector civiel - om een andere zittingsdatum dient te vragen middels een B5-formulier vanuit het roljournaal.

Het verzoek wordt alléén in behandeling genomen als de verzoeker het standpunt van de wederpartij bekend maakt én de verhinderdata (zoveel mogelijk in dagdelen) opgeeft van alle betrokkenen over de komende vier maanden volgend op de datum van het uitstelverzoek;

7.7.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.C. Haverkate en in het openbaar uitgesproken op 27 januari 2021.1

1 type: ST coll: ACH