Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2021:12036

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
24-12-2021
Datum publicatie
04-01-2022
Zaaknummer
HAA- 20/5280
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Beroep gegrond. Periodieke giftenaftrek. Giften bestaande uit kwijtschelding huurpenningen. In schenkingsakte opgenomen beëindigingsclausule staat niet in de weg aan kwalificatie als periodieke gift.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 5-1-2022
FutD 2022-0120 met annotatie van Fiscaal up to Date
V-N Vandaag 2022/47
NTFR 2022/404 met annotatie van mr. J.A.W. Vrolijks
NLF 2022/0196 met annotatie van Peter Jansen
V-N 2022/10.21.4
Vp-bulletin 2022/10 met annotatie van S.G.M.J. Rebbens, J.M.P. Tobben
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank noord-holland

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 20/5280, HAA 20/5281, HAA 20/5282, HAA 20/5283 en HAA 20/5284

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 december 2021 in de zaken tussen

[eiseres] , wonende te [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. M. Koeslag),

en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Eindhoven, verweerder.

Procesverloop

HAA 20/5280

Verweerder heeft aan eiseres voor het jaar 2013 met dagtekening 4 mei 2019 een navorderingsaanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekering (hierna: ib/pvv) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 14.851 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 68.811.

HAA 20/5281

Verweerder heeft aan eiseres voor het jaar 2014 met dagtekening 4 mei 2019 een navorderingsaanslag ib/pvv opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 14.994 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 67.376.

HAA 20/5282

Verweerder heeft aan eiseres voor het jaar 2015 met dagtekening 1 mei 2019 een navorderingsaanslag ib/pvv opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 14.992 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 67.725.

HAA 20/5283

Verweerder heeft aan eiseres voor het jaar 2016 met dagtekening 4 mei 2019 een aanslag ib/pvv opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 15.323 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 64.408.

HAA 20/5284

Verweerder heeft aan eiseres voor het jaar 2017 met dagtekening 16 juli 2019 een aanslag ib/pvv opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 21.390 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 69.436.

Alle zaken

Verweerder heeft met dagtekening 31 augustus 2020 bij afzonderlijke uitspraken op bezwaar de navorderingsaanslagen en de aanslagen gehandhaafd.

Eiseres heeft daartegen beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 oktober 2021 te Haarlem.

Eiseres is verschenen, bijgestaan door mr. [naam 1] en haar gemachtigden

mr. M. Koeslag en drs. B.J. Radstaken. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde [naam 2] .

Overwegingen

Feiten

1. Eiseres heeft op 1 juni 2011 het vruchtgebruik van het onroerend goed aan de [adres] (hierna: het pand) verworven. Haar vier kinderen hebben het bloot eigendom van het pand verkregen.

2. Sinds juli 2011 heeft eiseres het pand verhuurd aan Stichting [naam 3] (hierna: de stichting). De stichting beschikt over een ANBI-status.

3. In 2012 is de verhuur schriftelijk vastgelegd in een overeenkomst, daarbij is een maandelijkse huur van € 6.537,87 per maand afgesproken.

4. Eiseres heeft over de jaren 2011 en 2012 een deel van de door de stichting verschuldigde huurbedragen kwijtgescholden.

5. Op 2 januari 2012 is een schenkingsovereenkomst tussen eiseres en de stichting opgesteld, welke is ondertekend op 13 december 2013 en waarin is vastgelegd dat over de jaren 2013 tot en met 2017 een deel van de verschuldigde huur wordt kwijtgescholden (hierna: de schenkingsovereenkomst).

6. Op 29 november 2013 is bij de notaris een akte van schenking verleden waarin de periodieke giften zijn vastgelegd (hierna: akte van schenking). De ingangsdatum van de schenking is 1 januari 2013 en de einddatum 31 december 2017. De schenkingsovereenkomst is als bijlage bij de akte gevoegd.

7. De akte van schenking bevat, in afwijking van de schenkingsovereenkomst, de volgende passage (hierna: de beëindigingsclausule):

“Indien op redelijke gronden aangenomen mag worden dat de uitkeringen niet gebruikt worden voor het doel waartoe deze verstrekt worden, kan schenker bij aangetekend schrijven de uitkeringen beëindigen per direct.”

8. Eiseres heeft in haar aangiften ib/pvv over de jaren 2013 tot en met 2017 jaarlijks een bedrag aan kwijtgescholden huur als periodieke gift in aftrek gebracht. Het gaat om de volgende als periodieke giften in aanmerking genomen bedragen:

- 2013: € 48.454

- 2014: € 43.454

- 2015: € 38.454

- 2016: € 33.454

- 2017: € 33.454

9. Verweerder heeft op 15 januari 2019 naar aanleiding van de aangifte ib/pvv 2016 via een e-mailbericht verzocht om informatie over (onder andere) de in aanmerking genomen periodieke giften. Verweerder verzocht eiseres om schriftelijke bewijsstukken en een notariële akte van schenking of onderhandse akte van schenking te verstrekken.

10. Gemachtigde van eiseres heeft op dit verzoek gereageerd via een e-mailbericht verstuurd op 25 januari 2019 en de akte van schenking en facturen van de verschuldigde huur verstrekt.

11. Op 4 april 2019 heeft verweerder via een e-mailbericht aangekondigd voornemens te zijn af te wijken van de aangifte ib/pvv 2016 en de giften niet als periodieke giften aan te merken maar als ‘gewone’ giften (hierna: de correctie). Eiseres heeft op 10 april 2019 via een e-mailbericht op dit voornemen gereageerd. Op 12 april 2019 heeft verweerder brieven verstuurd met de aankondiging dat hij voornemens is navorderingsaanslagen op te leggen over de jaren 2013, 2014 en 2015 en daarbij dezelfde correctie door te voeren. Op 11 juni 2019 heeft verweerder kenbaar gemaakt tevens voor het jaar 2017 voornemens te zijn dezelfde correctie door te voeren.

12. Verweerder heeft met dagtekening 1 mei 2019, overeenkomstig de aankondiging, een navorderingsaanslag ib/pvv 2015 opgelegd en met dagtekening 4 mei 2019, tevens overeenkomstig de aankondigingen, de aanslag ib/pvv 2016 en navorderingsaanslagen ib/pvv over de jaren 2013 en 2014 opgelegd. Verweerder heeft op 16 juli 2019 een aanslag ib/pvv 2017 opgelegd, wederom overeenkomstig de aankondiging.

13. Eiseres heeft op 29 mei 2019 bezwaar gemaakt tegen de navorderingsaanslagen ib/pvv 2013 tot en met 2015 en tegen de aanslag ib/pvv 2016. Eiseres heeft op 26 juli 2019 bezwaar gemaakt tegen de aanslag ib/pvv 2017.

14. Verweerder heeft op 14 juli 2020 kenbaar gemaakt voornemens te zijn de bezwaren af te wijzen. Naar aanleiding van deze mededeling heeft op 19 augustus 2020 nogmaals een gesprek plaatsgevonden. Verweerder heeft de bezwaren op 31 augustus 2020 afgewezen.

Geschil
15. In geschil is of verweerder terecht de aftrek van de kwijtgescholden huurpenningen als periodieke giftenaftrek heeft geweigerd en terecht de bedragen als ‘andere giften’ heeft aangemerkt.

16. Eiseres stelt dat de door haar verleende kwijtschelding van huurgelden voldoet aan de voorwaarden voor periodieke giftenaftrek zoals die uit de wet en het beleid van de staatssecretaris voortvloeien. Tevens is de kwijtschelding in lijn met doel en strekking van de periodieke giftenaftrek.

De beëindigingsclausule in de akte van schenking maakt geen inbreuk op de verplichting van eiseres om gedurende vijf jaar een gift te doen aan de stichting en is in feite een dode letter, aldus eiseres. Daarnaast stelt eiseres dat de beëindigingsclausule in lijn is met het besluit van de staatssecretaris (Besluit Staatssecretaris van Financiën van 19 december 2014, nr. BLKB2014/1415M, Stcrt. 2014, 36877). In dit besluit is vastgelegd dat het is toegestaan om af te spreken dat bij verlies van de ANBI-status de schenkingsverplichting eindigt. Eiseres stelt dat de strekking van de beëindigingsclausule gelijk is aan de bepaling genoemd in dit besluit, omdat in het geval dat het pand voor een andere bestemming zou worden gebruikt, de stichting zijn ANBI-status zou verliezen. Subsidiair neemt eiseres het standpunt in dat, indien geen sprake is van aftrekbare periodieke giften vanwege de beëindigingsclausule in de akte van schenking, eiseres gedwaald heeft wat betreft de inhoud van de akte van schenking.

Eiseres concludeert tot gegrondverklaring van de beroepen, vernietiging van de uitspraken op bezwaar en vermindering van de belastingaanslagen.

17. Verweerder stelt dat de giften niet gedurende vijf of meer jaren zijn verstrekt, omdat de akte van schenking de beëindigingsclausule bevat, met als gevolg dat niet voldaan is aan de voorwaarden voor aftrek van periodieke giften. De kwijtgescholden huurgelden kwalificeren daarom als andere giften, hetgeen leidt tot een lagere aftrek en een hoger belastbaar inkomen. Subsidiair stelt verweerder dat als wel sprake is van periodieke giften, er geen sprake is van een gelijkmatige gift en de aftrek daarom beperkt moet worden tot het laagste jaarlijks kwijtgescholden bedrag.

Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

18. Voor het overige verwijst de rechtbank naar de gedingstukken.

Beoordeling van het geschil

19. Op grond van artikel 6.32 van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB) zijn aftrekbare giften periodieke giften of andere giften. Artikel 6.34 van de Wet IB definieert periodieke giften als giften in de vorm van vaste en gelijkmatige periodieke uitkeringen die uiterlijk eindigen bij overlijden, aan instellingen of verenigingen. In artikel 6.38, eerste lid, van de Wet IB is bepaald dat periodieke giften in aanmerking worden genomen indien zij berusten op een bij notariële of onderhandse akte van schenking aangegane verplichting om de uitkeringen of verstrekkingen gedurende vijf of meer jaren ten minste jaarlijks uit te keren. Tot 2014 gold dat slechts sprake was van een periodieke gift als de verplichting vastgelegd was in een notariële akte. Met ingang van januari 2014 is het voldoende als de verplichting vastgelegd is in een onderhandse akte.

20. Op grond van artikel 6.35 van de Wet IB worden giften aan instellingen of aan steunstichtingen SBBI als andere giften aangemerkt. Ingevolge artikel 6.39, eerste lid, van de Wet IB worden andere giften in aanmerking genomen voor zover zij met schriftelijke bescheiden kunnen worden gestaafd en voor zover zij samen zowel € 60 als 1% van het verzamelinkomen van de belastingplichtige en diens partner, vóór toepassing van de persoonsgebonden aftrek, te boven gaan, met een maximum van 10% van het (gezamenlijke) verzamelinkomen vóór toepassing van de persoonsgebonden aftrek.

De aftrek van periodieke giften kent geen beperkingen wat betreft de omvang van de aftrek.

21. Tussen partijen is niet in geschil dat in alle onderhavige jaren eiseres, door het kwijtschelden van verschuldigde huurpenningen, giften heeft gedaan aan de stichting. Partijen houdt verdeeld of de kwijtgescholden huurgelden kwalificeren als periodieke giften of als andere giften.

22. Verweerder stelt dat eiseres geen verplichting is aangegaan om gedurende een periode van vijf jaren of meer ten minste jaarlijks de huur kwijt te schelden. Vanwege het opnemen van de beëindigingsclausule kan eiseres namelijk de looptijd van de gift beïnvloeden, waardoor de looptijd korter dan vijf jaar kan zijn. Dit is niet in overeenstemming met het karakter van de regeling en daarom kunnen de giften niet als periodieke giften aangemerkt worden. Eiseres stelt daarentegen dat de beëindigingsclausule niet het gevolg heeft dat niet voldaan is aan de voorwaarde dat op eiseres de verplichting moet rusten om gedurende minimaal vijf jaar een gift te doen aan de stichting. De beëindigingsclausule is in onderhavige zaak een dode letter nu de gift bestaat uit een kwijtschelding van de verschuldigde huurpenningen en er dus geen liquide middelen ter beschikking worden gesteld aan de stichting. Zodoende kan de situatie dat de stichting de gift besteed in strijd met het doel waarvoor de gift gedaan is, zich niet voordoen. Eiseres kan bovendien niet zelf beslissen om te stoppen met de giften, aldus eiseres.

23. De gedachte achter de eis dat de verplichting voor ten minste vijf jaren aangegaan moet worden is dat er sprake moet zijn van een wezenlijke onzekerheid voor de schenker. In de regel zal bij jaarlijkse uitkeringen gedurende een termijn van ten minste vijf jaren aan de eis van materiële onzekerheid worden voldaan, mits de giften eindigen bij overlijden van de schenker (zie Gerechtshof ’s-Hertogensbosch, 31 december 2020, ECLI:NL:GHSHE:2020:4059, r.o. 4,6). De rechtbank zal beoordelen of in onderhavige zaak sprake is van een notariële of onderhandse akte, van schenking waarin een verplichting is aangegaan om de kwijtschelding gedurende vijf of meer jaren ten minste jaarlijks te doen.

24. De rechtbank oordeelt dat de schenkingsverplichting is aangegaan voor een periode van vijf jaren. De beëindigingsclausule maakt dit niet anders. Wat betreft de beëindigingsclausule overweegt de rechtbank het volgende. Eiseres heeft onbetwist gesteld dat de huurovereenkomst voor (ten minste) vijf jaren is aangegaan en dat tevens is vastgelegd dat het pand enkel als kerk gebruikt mag worden. Zij kan de huurovereenkomst niet zonder geldige reden eenzijdig opzeggen of de bestemming en het gebruik van het pand wijzigen. De kwijtgescholden bedragen kunnen onder de gegeven omstandigheden niet worden gebruikt voor een ander doel dan waarvoor ze zijn gegeven. De rechtbank is daarom van oordeel dat de beëindigingsclausule geen betekenis heeft voor de beoordeling van de vraag of sprake is van een periodieke gift. Gesteld noch gebleken is dat eiseres op andere wijze de looptijd van de periodieke verplichtingen kan beïnvloeden. Zij is bijvoorbeeld geen bestuurder van de stichting (vgl. Gerechtshof ’s-Hertogensbosch, 31 december 2020, ECLI:NL:GHSHE:2020:4059).

25. Nu de door eiseres aangegane schenkingsverplichting voldoet aan de wettelijke voorwaarden, zijn de kwijtgescholden huurpenningen als periodieke giften aan te merken. Gelet op dit oordeel komt de rechtbank niet toe aan het beroep van eiseres op het besluit van de staatssecretaris.

Hoogte van de aftrek

26. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat de periodieke giften aftrekbaar zijn voor zover het gaat om vaste en gelijkmatige periodieke bedragen. Aldus dient het laagste bedrag aan giften in aanmerking te worden genomen, dat wil zeggen een bedrag van € 33.454 per belastingjaar. Ter zitting heeft eiseres aangegeven hiermee akkoord te gaan. Nu partijen op dit punt niet van mening verschillen en dit in lijn is met de jurisprudentie (vgl. Hoge Raad, 1 mei 1996, ECLI:NL:HR:1996:AA2032), oordeelt de rechtbank dat eiseres recht heeft op een aftrek van periodieke giften voor een bedrag van € 33.454 per belastingjaar.

27. Ter zitting heeft eiseres het standpunt ingenomen dat voor zover de kwijtgescholden huurpenningen de bedragen die als periodieke gift in aftrek kunnen worden gebracht overschrijden, het verschil als ‘andere gift’ in aanmerking moet worden genomen. Verweerder heeft dit niet weersproken. De rechtbank volgt eiseres hierin. Deze situatie doet zich voor in de jaren 2013, 2014 en 2015. Hierbij dient in aanmerking te worden genomen dat ‘andere giften’ in aanmerking komen voor zover zij samen 1% van het verzamelinkomen vóór aftrek toepassing van de persoonsgebonden aftrek te boven gaan, en vervolgens tot ten hoogste 10% van het verzamelinkomen van het desbetreffende belastingjaar.

28. Gelet op het voorgaande zullen de (navorderings)aanslagen als volgt worden verminderd:

28.1.

Met betrekking tot 2013 is in totaal een bedrag van € 48.454 als periodieke giften aangegeven. Dit betekent dat € 15.000 (€ 48.454 minus € 33.454) als ‘andere giften’ in aanmerking dient te worden genomen boven op het reeds als ‘andere giften’ in aanmerking genomen bedrag van € 4.490. De drempel bedraagt 1% van € 92.958 (24.147 + 68.811) is

€ 929, zodat het in aanmerking te nemen bedrag aan ‘andere giften’ € 18.561 (€ 19.490 minus € 929) is. Hierbij geldt als maximum 10% van € 92.958 = € 9.296. Verweerder heeft de aangifte ook gevolgd voor zover daarin de verhoging als bedoeld in artikel 6.39a Wet IB is toegepast op de periodieke giften. Nu verweerder op dat punt geen beroep op interne compensatie heeft gedaan, volgt de rechtbank de aangifte ook in zoverre. Voor 2013 bedraagt het totaal aan aftrekbare giften (persoonsgebonden aftrek):

andere giften € 9.296

periodieke giften € 33.454

verhoging € 1.250

Totaal € 44.000

Het inkomen uit werk en woning vóór persoonsgebonden aftrek 2013 bedraagt € 24.147. Na aftrek van de persoonsgebonden aftrek (de aftrekbare giften), bedraagt het inkomen uit werk en woning nihil. Het voordeel uit sparen en beleggen 2013 bedraagt € 68.811. Na aftrek van het restant persoonsgebonden aftrek van € 19.853 (€ 44.000 minus € 24.147) bedraagt het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen € 48.958 (€ 68.811 minus € 19.853).

28.2.

Met betrekking tot 2014 is in totaal € 43.454 als periodieke giften aangegeven. Dit betekent dat € 10.000 (€ 43.454 minus € 33.454) als ‘andere giften’ in aanmerking dient te worden genomen boven op het reeds als ‘andere giften’ in aanmerking genomen bedrag van € 4.560. De drempel bedraagt 1% van € 91.523 (€ 24.147 + € 67.376) is € 915, zodat het in aanmerking te nemen bedrag aan ‘andere giften’ is € 13.645 (€ 14.560 minus € 915). Hierbij geldt als maximum 10% van € 91.523 = € 9.152. Voor 2014 bedraagt het totaal aan aftrekbare giften (persoonsgebonden aftrek):

andere giften € 9.152

periodieke giften € 33.454

Totaal € 42.606

Het inkomen uit werk en woning vóór persoonsgebonden aftrek 2014 bedraagt € 24.147. Na aftrek van de persoonsgebonden aftrek (de aftrekbare giften), bedraagt het inkomen uit werk en woning nihil. Het voordeel uit sparen en beleggen 2014 bedraagt € 67.376. Na aftrek van het restant persoonsgebonden aftrek van € 18.459 (€ 42.606 minus € 24.147) bedraagt het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen € 48.917 (€ 67.376 minus € 18.459).

28.3.

Met betrekking tot 2015 is in totaal € 38.454 als periodieke giften aangegeven.

Dit betekent dat € 5.000 (€ 38.454 minus € 33.454) als ‘andere giften’ in aanmerking dient te worden genomen boven op het reeds als ‘andere giften’ in aanmerking genomen bedrag van € 5.095. De drempel bedraagt 1% van € 91.908 (€ 24.183 + € 67.725) is € 919, zodat het in aanmerking te nemen bedrag aan ‘andere giften’ is € 9.180 (€ 10.095 minus € 915). Hierbij geldt als maximum 10% van € 91.908 = € 9.190. Voor 2015 bedraagt het totaal aftrekbare giften (persoonsgebonden aftrek):

andere giften € 9.191

periodieke giften € 33.454

Totaal € 42.645

Het inkomen uit werk en woning vóór persoonsgebonden aftrek 2015 bedraagt € 24.183. Na aftrek van de persoonsgebonden aftrek (de aftrekbare giften), bedraagt het inkomen uit werk en woning nihil. Het voordeel uit sparen en beleggen 2015 bedraagt € 67.725. Na aftrek van het restant persoonsgebonden aftrek van € 18.462 (€ 42.645 minus € 24.183) bedraagt het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen € 49.263 (€ 67.725 minus € 18.462).

28.4.

Met betrekking tot 2016 dient het belastbaar inkomen conform de aangifte en het subsidiaire standpunt van verweerder te worden vastgesteld, dat wil zeggen dat het totaal aftrekbare giften (na aftrek drempel) € 37.089 bedraagt, het belastbaar inkomen uit werk en woning nihil en het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen € 51.502.

28.5.

Met betrekking tot 2017 dient het belastbaar inkomen conform de aangifte en het subsidiaire standpunt van verweerder te worden vastgesteld, dat wil zeggen dat het totaal aftrekbare giften (na aftrek drempel) € 37.395 bedraagt, het belastbaar inkomen uit werk en woning nihil en het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen € 63.522.

29. Gelet op het vorenoverwogene dienen de beroepen gegrond te worden verklaard.

Proceskosten

30. De rechtbank ziet aanleiding verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. De zaken worden op de voet van artikel 3, eerste lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb), beschouwd als één zaak, omdat ze nagenoeg gelijktijdig zijn behandeld door het bestuursorgaan en de rechter en de werkzaamheden voor rechtsbijstand in elk van de zaken ook nagenoeg identiek konden zijn. De rechtbank stelt de kosten op grond van het Bpb voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 3.846 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting met een waarde per punt van € 534, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 748 en een wegingsfactor van 1,5 vanwege de samenhang en een wegingsfactor 1 voor het gemiddelde gewicht van de zaken.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart de beroepen gegrond;

- vernietigt de uitspraken op bezwaar;

- vermindert de navorderingsaanslag ib/pvv 2013 naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van nihil en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 48.958;

- vermindert de navorderingsaanslag ib/pvv 2014 naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van nihil en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 48.917;

- vermindert de navorderingsaanslag ib/pvv 2015 naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van nihil en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 49.263;

- vermindert de aanslag ib/pvv 2016 naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van nihil en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 51.502;

- vermindert de aanslag ib/pvv 2017 naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van nihil en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 63.522;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres voor een bedrag van € 3.846, en

- veroordeelt verweerder tot vergoeding van het door eiseres betaalde griffierecht van € 48.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.A. Fase, rechter, in aanwezigheid van

mr. T. van Opzeeland, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 24 december 2021.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312,

1000 BH Amsterdam.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.