Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2021:11964

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
22-12-2021
Datum publicatie
03-01-2022
Zaaknummer
21-6352 en 21-5418
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Schorsing rijbewijs en onderzoek naar drugsgebruik. Geen reden om te twijfelen aan juistheid processen-verbaal politie. Beroep ongegrond, voorlopige voorziening afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummers: HAA 21/6352 en 21/5418


uitspraak van de voorzieningenrechter van 22 december 2021 op het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[naam 1], uit [woonplaats], eiseres

en

de Algemeen Directeur van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen, verweerder

(gemachtigde: mr. [naam 2]).

Procesverloop

In het besluit van 6 september 2021 (het primaire besluit) heeft verweerder een onderzoek gelast naar drugsgebruik door eiseres en de geldigheid van haar rijbewijs geschorst.

In het besluit van 7 oktober 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld (de zaak met nummer 21/5418). Zij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen (de zaak met nummer 21/6352).

De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 14 december 2021 op zitting behandeld. Eiseres is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Na afloop van de zitting is de voorzieningenrechter tot de conclusie gekomen dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak. De voorzieningenrechter doet daarom niet alleen uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening, maar ook op het beroep1.

Van welke feiten gaat de voorzieningenrechter uit?

2.1.

De politie heeft op 27 augustus 2021 bij verweerder een mededeling gedaan als bedoeld in artikel 130, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994. Aan de mededeling ligt ten grondslag dat eiseres – volgens informatie van de politie eenheid Noord-Holland – in de nacht van 5 augustus 2021 is aangehouden als bestuurder van een auto, vanwege verdenking van het rijden onder invloed van drugs/geneesmiddel al dan niet in combinatie met alcohol. In die nacht is een speekseltest bij eiseres afgenomen die een indicatie gaf voor cannabis (tetrahydrocannabinol). Met toestemming van eiseres is bij haar bloed afgenomen. In haar bloed werd 6,9 microgram cannabis (THC) per liter aangetroffen.

2.2.

Naar aanleiding van die mededeling heeft verweerder eiseres in het primaire besluit een onderzoek naar haar drugsgebruik opgelegd en de geldigheid van haar rijbewijs geschorst.

Eiseres heeft daar bezwaar tegen gemaakt.

2.3.

Bij besluit van 17 november 2021 heeft verweerder vervolgens het rijbewijs van eiseres ongeldig verklaard. De reden daarvoor is dat eiseres de kosten voor het opleggen van het onder 2.2 genoemde onderzoek niet heeft betaald. Tegen dit besluit had eiseres tijdens de mondelinge behandeling van het beroep en de voorlopige voorziening nog geen bezwaar gemaakt.

Wat staat er in het bestreden besluit?

3. In het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen de oplegging van het onderzoek en de schorsing van haar rijbewijs ongegrond verklaard. Verweerder legt daaraan – samengevat – het volgende ten grondslag.

Uit de mededeling van de politie blijkt dat bij eiseres als bestuurder van een motorrijtuig een teveel aan cannabis in het bloed is aangetroffen. Daarom is een onderzoek naar haar geschiktheid opgelegd2. Ook is de geldigheid van haar rijbewijs geschorst3. Verweerder mag uitgaan van de juistheid van politiestukken. Dit is anders als eiseres bewijst of aannemelijk maakt dat daar niet vanuit gegaan kan worden.

Het is niet geloofwaardig dat zij tijdens het wachten op de uitslag van het voorlopig ademonderzoek een joint heeft opgestoken, zoals zij in bezwaar heeft gesteld. Uit het proces-verbaal blijkt dat de speekseltest een minuut na de uitslag van de voorlopige ademtest is uitgevoerd. De agent heeft ook niet aangegeven dat hij in zijn auto is gaan zitten, in afwachting van de uitslag van dat ademonderzoek. De uitslag daarvan is direct zichtbaar. Tijdens het verhoor heeft eiseres niets verklaard over het roken van de joint en ook dan komt dit voor haar risico. Nadat eiseres de verklaring heeft doorgelezen, heeft zij ingestemd met de verklaring en heeft zij die ondertekend. Dat eiseres zich niet alle vragen kan herinneren en dat een deel van haar verklaring daarin niet is opgenomen, komt voor haar rekening en risico.

Als iemand voldoet aan de criteria, moet verweerder een maatregel opleggen of de geldigheid van het rijbewijs schorsen.

Waar gaat het beroep over?

4. Eiseres stelt zich op het standpunt dat het anders is gegaan dan de politie heeft beschreven. Het besluit van verweerder om haar een onderzoek op te leggen en haar rijbewijs te schorsen, is volgens eiseres totaal onrechtvaardig. Zij stelt dat zij pas een joint heeft opgestoken toen zij moest wachten op de uitslag van de ademtest. Op dat moment was zij al op de plaats van bestemming. Eiseres ontkent dat zij de auto heeft bestuurd onder invloed van verdovende middelen.

5. Verweerder betoogt dat het opleggen van een onderzoek naar de rijgeschiktheid in dit geval verplicht is. Het proces-verbaal is op ambtsbelofte opgemaakt en gebaseerd op eigen waarnemingen van de politieagent. De enkele ontkenning van de inhoud van het proces-verbaal door eiseres, is onvoldoende grondslag om aan de juistheid van de inhoud daarvan te twijfelen.

Wat is het oordeel van de voorzieningenrechter?

6.1.

De voorzieningenrechter stelt voorop dat verweerder zich bij de besluitvorming onder meer heeft gebaseerd op het ‘proces-verbaal rijden onder invloed’ en het ‘proces-verbaal van verhoor verdachte’. Deze processen-verbaal zijn op ambtseed opgemaakt. Volgens vaste rechtspraak4 mag een bestuursorgaan – in dit geval het CBR – in beginsel afgaan op de juistheid van de bevindingen in een op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakt en ondertekend proces-verbaal, voor zover deze eigen waarnemingen van de opsteller van het proces-verbaal weergeven. Indien die bevindingen worden betwist, zal moeten worden onderzocht of er, gelet op de aard en inhoud van die betwisting, grond bestaat voor zodanige twijfel aan die bevindingen dat deze niet of niet volledig aan het vermoeden als bedoeld in artikel 130, eerste lid, van de Wvw 1994 ten grondslag kunnen worden gelegd.

6.2.

Uit het ‘proces-verbaal rijden onder invloed’ blijkt – voor zover in dit beroep van belang – het volgende: Tijdens een verkeerscontrole op 5 augustus is bij eiseres een voorlopig ademonderzoek uitgevoerd. Ongeveer één minuut daarna is haar gevraagd om mee te werken aan een speekseltest. Dat heeft zij gedaan. De speekseltest gaf een indicatie voor cannabis. Zij heeft verklaard dagelijks te blowen. In het ‘proces-verbaal van verhoor verdachte’ staat dat zij de vraag ‘Heeft u een voertuig bestuurd terwijl u alcohol, drugs en/of medicijnen had gebruikt’ met ‘ja’ heeft beantwoord. Op de vraag ‘Hoeveel drugs heeft u de afgelopen 48 uur gebruikt’ heeft eiseres geantwoord: ‘Ik denk twee joints over de afgelopen 48 uur’. Op de vraag met welke regelmaat zij die drugs gebruikt, heeft zij geantwoord ‘Elke dag na 19.00 uur een joint’. Eiseres heeft dit proces-verbaal ondertekend voor akkoord.

Deze processen-verbaal zijn op ambtseed opgemaakt. Zoals hiervoor al werd overwogen, mag verweerder in beginsel afgaan op de juistheid daarvan. De stelling van eiseres dat zij de joint pas heeft opgestoken nadat de ademtest was uitgevoerd en zij wachtte op de uitslag daarvan, wordt niet ondersteund door de bevindingen in het proces-verbaal. Zij heeft ook niet op andere manier aannemelijk gemaakt dat het is gegaan zoals zij zegt. Eiseres ontkent dat zij heeft gereden terwijl zij drugs had gebruikt, maar dat staat haaks op wat daarover in het proces-verbaal staat. Op de zitting heeft eiseres verklaard dat zij eigenlijk op het moment van verhoor niet goed begreep wat er gevraagd werd. Ook heeft zij gezegd dat haar verklaring niet volledig was. In de processen-verbaal zijn geen aanwijzingen te vinden dat eiseres de vragen niet goed begreep of de consequenties van haar antwoorden niet kon overzien. Dat eiseres het proces-verbaal heeft ondertekend terwijl haar verklaring er niet goed of niet volledig in stond, komt voor haar risico. De voorzieningenrechter ziet in het standpunt van eiseres geen reden om te twijfelen aan de juistheid van de processen-verbaal.

7. Ook is relevant dat eiseres de uitkomst van het bloedonderzoek niet heeft bestreden. Dit, in combinatie met wat er in de processen-verbaal staat, maakt dat er een

vermoeden was dat zij niet geschikt was om te rijden. Verweerder kon daarom een onderzoek naar haar rijgeschiktheid gelasten. Verweerder was daarom ook bevoegd om het rijbewijs te schorsen. Bij de uitoefening van die bevoegdheid is geen ruimte voor een belangenafweging. Op basis van de wet moest verweerder het rijbewijs wel schorsen.

7. Al het hiervoor vermelde leidt tot de conclusie dat het beroep ongegrond is.

8. Omdat het beroep ongegrond is, is er geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.R. ten Berge, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. F. Vermeij, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op

22 december 2021.

griffier

voorzieningenrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak voor zover daarbij is beslist op het beroep, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.

1 De voorzieningenrechter kan dit doen op grond van artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

2 Op grond van artikel 131 van de Wegenverkeerswet 1994 (Wvw) in combinatie met artikel 23, eerste lid, sub f van de Regeling maatregelen rijvaardigheid en rijgeschiktheid (de Regeling)

3 Op grond van artikelen 5a en 6 van de Regeling.

4 Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van
3 juni 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1319