Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2021:11923

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
15-12-2021
Datum publicatie
05-01-2022
Zaaknummer
C/15/316289 / HA ZA 21-277
Rechtsgebieden
Burgerlijk procesrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Onrechtmatige daad Hoogheemraadschap door niet-naleving onderhoudsverplichting en niet treffen van onderhoudsmaatregelen aan de beschoeiing en oever? De rechtbank oordeelt van niet. Niet wordt voldaan aan het relativiteitsvereiste.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Prg. 2022/46
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Bewind

Zittingsplaats Alkmaar

zaaknummer / rolnummer: C/15/316289 / HA ZA 21-277

Vonnis van 15 december 2021

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats] , gemeente [gemeente] ,

eiser,

advocaat mr. T.A.M. van Oosterhout te Utrecht,

tegen

de publiekrechtelijke rechtspersoon

HOOGHEEMRAADSCHAP HOLLANDS NOORDERKWARTIER,

gevestigd te Heerhugowaard,

gedaagde,

advocaat mr. G.J.M. de Jager te Rotterdam.

Partijen zullen hierna [eiser] en HHNK genoemd worden.

De zaak in het kort

Deze zaak draait om de vraag of HHNK jegens [eiser] een onrechtmatige daad heeft gepleegd. In de visie van [eiser] handelt HHNK met het afzien van vervanging van de beschoeiing dan wel het treffen van andere onderhoudsmaatregelen aan de oever van de [de sloot] in strijd met haar onderhoudsverplichting uit de Keur Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier 2016 en de Legger Wateren 2018, in strijd met de maatschappelijke zorgvuldigheid en in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. De rechtbank oordeelt dat de verwijten aan het adres van HHNK niet leiden tot toewijzing van de vorderingen van [eiser] op grond van onrechtmatige daad.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 6 mei 2021 met producties 1-18;

- de conclusie van antwoord met producties 1-6;

- het tussenvonnis van 14 juli 2021;

- het bericht van [eiser] van 20 oktober 2021 met producties 19-22;

- de mondelinge behandeling op 4 november 2021, waar zijn verschenen [eiser] , vergezeld van mr. Van Oosterhout, en namens HHNK de heer [juridisch adviseur] , juridisch adviseur, en de heer [adviseur peilbeheer] , adviseur peilbeheer, vergezeld van mr. De Jager. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat partijen ter toelichting van hun standpunten naar voren hebben gebracht.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eiser] is eigenaar van het perceel gelegen aan de [adres] te [plaats] . Op het perceel is een monumentale woonboerderij gevestigd.

2.2.

De woonboerderij ligt op een paar meter afstand van de [de sloot] . De [de sloot] is een primaire watergang, een zogenoemde tochtsloot (een hoofdafvoersloot).

2.3.

Circa veertig jaar geleden heeft het toenmalige waterschap de Waterlanden - de rechtsvoorganger van HHNK - aan de oever van de [de sloot] een houten walbeschoeiing geplaatst (hierna: de beschoeiing).

2.4.

HHNK is eigenaar van de beschoeiing. De strook grond waartegen de beschoeiing is bevestigd, is ook in eigendom van HHNK. De strook grond is gelegen tussen het water en het perceel van [eiser] en heeft een breedte van ongeveer anderhalve meter en een lengte van ongeveer zeventien meter.

2.5.

Bij brief van 11 november 2018 heeft [eiser] HHNK verzocht om de beschoeiing te vervangen. [eiser] heeft in zijn brief aangegeven dat de beschoeiing als gevolg van de sterke stroming van de watergang in slechte staat verkeert en geen functie meer heeft. Dat leidt tot afkalving van zijn perceel, waardoor de stolpboerderij het risico op verzakking loopt, aldus [eiser] .

2.6.

HHNK heeft het verzoek van [eiser] bij brief van 24 januari 2019 afgewezen. HHNK ziet geen noodzaak tot vervanging. HHNK heeft aangegeven dat de waterstaatkundige situatie normaal is en dat geen sprake kan zijn van het toebrengen van schade aan het perceel van [eiser] of van uitzonderlijke afslag aan de oever.

2.7.

[eiser] heeft hiertegen bezwaar gemaakt.

2.8.

Op 15 april 2019 heeft er een overleg plaatsgevonden tussen partijen. In dat overleg is afgesproken dat HHNK op verzoek van [eiser] zou onderzoeken of er sprake is van uitzonderlijke waterstaatkundige omstandigheden die nopen tot vervanging van de beschoeiing.

2.9.

Bij brief van 25 juni 2019 heeft HHNK aan de voormalige advocaat van [eiser] als volgt bericht over het uitgevoerde onderzoek naar de water aan- en afvoer:
“(…) Gebleken is dat de waterstaatkundige omstandigheden niet vergelijkbaar zijn met de omstandigheden ten tijde van de oorspronkelijke plaatsing van de beschoeiing (…) De water aan- en afvoer verliep destijds door 1 duiker onder de [straatnaam] . Nadien is deze duikercapaciteit vergroot door het aanbrengen van een tweede duiker, waardoor een volstrekt normale aan- en afvoer van water plaatsvindt. Van belang is dat, door wijzigingen in het waterstaatkundig systeem, sprake van vermindering van afvoer van water via de hoofdwaterloop ter plaatse van het perceel [adres] .
In de jaren 2009-2012 is het watersysteem in de Beemster aanzienlijk aangepast. Hierdoor wordt een oppervlakte van circa 700 hectare niet meer afgevoerd door de waterloop bij de beschoeiing, maar via een alternatief tracé. Hierdoor is de stroomsnelheid in de waterloop vertraagd, waardoor de waterstaatkundige situatie gebruikelijk is. (…) De conclusie van de afdeling Watersystemen is dan ook dat sprake is van een normale waterstaatkundige situatie. (…)”
2.10. Bij besluit van 30 oktober 2019 heeft HHNK het bezwaar van [eiser] niet-ontvankelijk verklaard, omdat haar reactie van 24 januari 2019 niet kan worden beschouwd als een besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht waartegen bezwaar kan worden gemaakt. Tegen dit besluit op bezwaar heeft [eiser] geen beroep bij de rechtbank ingesteld.

2.11.

[eiser] heeft advies- en ingenieursbureau Tauw verzocht onderzoek te doen naar de situatie ter plaatse en te beoordelen welke risico’s er zijn voor standzekerheid van de woonboerderij en de andere opstallen. De heer [nnn] , als consultant geotechniek en waterbouwkundige werkzaam bij Tauw, heeft zijn bevindingen neergelegd in een rapport van 29 juni 2020 (hierna: het rapport van Tauw).

2.12.

Bij brief van 3 juli 2020 heeft de advocaat van [eiser] het rapport van Tauw aan HHNK toegezonden en HHNK gevraagd om in overleg te gaan om een minnelijke oplossing te bereiken over te treffen maatregelen. [eiser] heeft HHNK in deze brief op voorhand aansprakelijk gesteld voor alle mogelijke schade die hij lijdt door de handelwijze van HHNK.

2.13.

HHNK heeft geen aanleiding gezien om in minnelijk overleg te treden.

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert na eiswijziging - samengevat - dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad,
I. voor recht verklaart dat
1) er voor HHNK een onderhoudsverplichting geldt ten aanzien van de walbeschoeiing en de strook direct gelegen aan de waterkant, grenzend aan het perceel van [eiser] ;
2) indien onderhoud het komende jaar aan genoemde beschoeiing uitblijft, schade aan het perceel van [eiser] te verwachten valt;
II. HHNK beveelt om
(primair) passende maatregelen te treffen binnen een termijn van zes maanden na betekening van dit vonnis, in die zin dat (primair) schade, (subsidiair) verdere schade aan het perceel van [eiser] voor nu en in de toekomst wordt voorkomen, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom;
(subsidiair) haar onderhoudsverplichting na te leven ten aanzien van de walbeschoeiing en de strook direct gelegen aan de waterkant, grenzend aan het perceel van [eiser] ;
III. HHNK veroordeelt in de kosten van deze procedure.

3.2.

[eiser] legt aan zijn vorderingen, samengevat, het volgende ten grondslag.
HHNK heeft als aanliggend eigenaar op grond van de Keur Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier 2016 van 21 september 2016 (hierna: de Keur) en de Legger Wateren 2018 van het HHNK (hierna: de Legger) een onderhoudsverplichting voor de beschoeiing. De beschoeiing is aan vervanging toe; zij is verrot. Hierdoor spoelt de grond aan de waterkant weg en ontstaan zichtbaar inhammen die tegen het perceel van [eiser] aan zitten. Het rapport van Tauw en foto’s en beelden van de situatie ter plaatse tonen aan dat sprake is van gevaarzetting en dat, indien er niet tijdig onderhoudsmaatregelen worden genomen, het perceel en de woonboerderij van [eiser] beschadigd kunnen raken. Om de gevaarzetting en daarmee het (verhoogd) risico op schade weg te nemen, is het treffen van onderhoudsmaatregelen nodig. Door hiertoe niet bereid te zijn, handelt HHNK onrechtmatig jegens [eiser] . HHNK handelt namelijk in strijd met de eigen onderhoudsverplichting, met de maatschappelijke zorgvuldigheid en met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.

3.2.1.

HHNK betwist dat zij onrechtmatig heeft gehandeld en stelt dat er geen noodzaak is invulling te geven aan haar onderhoudsverplichting. Dat de beschoeiing momenteel van mindere kwaliteit is, betekent niet dat HHNK de op haar rustende zorgplicht heeft geschonden. Het treffen van onderhoudsmaatregelen aan de beschoeiing is namelijk niet nodig voor de waterkering en een deugdelijke waterhuishouding. Er is sprake van een juiste stroomsnelheid in de sloot, zodat geen vrees bestaat voor afkalving van de oever. HHNK stelt dat de onderhoudsplicht die zij heeft er niet toe leidt dat op dit moment de beschoeiing moet worden vervangen of andere onderhoudsmaatregelen moeten worden getroffen. Het verhinderen van afslag of het uitspoelen van grond, anders dan ter voorkoming van het belemmeren van de waterhuishouding, behoort immers niet tot haar taak. Daarom betoogt HHNK, onder verwijzing naar artikel 6:163 Burgerlijk Wetboek (BW), dat door haar geen zorgvuldigheidsnorm wordt geschonden die [eiser] beoogt te beschermen tegen de eventueel door hem geleden (of nog te lijden) schade. HHNK beroept zich hierbij op het arrest van het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch van 13 april 2021, ECLI:NL:GHSHE:2021:1083 (hierna: het arrest van 13 april 2021). Dat arrest gaat uit van een enge uitleg van de onderhoudsplicht van een waterschap. HHNK voert verder als verweer dat een deugdelijke onderbouwing van de door [eiser] gestelde schade ontbreekt.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4
4. De beoordeling

4.1.

In de Keur staan de regels die HHNK hanteert bij de bescherming van waterkeringen, watergangen en bijbehorende kunstwerken. Als regel in de Keur is vermeld dat degenen die in de Legger zijn aangewezen als onderhoudsplichtigen, verplicht zijn tot het verrichten van gewoon of buitengewoon onderhoud. In de Legger is het gewoon onderhoud verder opgedeeld in nat onderhoud, droog onderhoud en baggeren.

4.2.

Vast staat dat HHNK als eigenaar van het anderhalve meter brede perceel, grenzend aan de [de sloot] , aan te merken is als aanliggend eigenaar die op grond van de Legger verantwoordelijk is voor het uitvoeren van het gewoon droog onderhoud. Op HHNK rust daarmee op grond van de Keur en de Legger - dat is tussen partijen ook niet in geschil - de onderhoudsplicht om de oevers en taluds behoorlijk in stand te houden, voor zover dat nodig is om te voorkomen dat door inzakking of uitspoeling de afvoer, aanvoer of berging van water wordt gehinderd of aangelegde onderhoudsstroken of afrasteringen door inzakking worden bedreigd. Partijen zijn het er verder over eens dat op verschillende manieren aan de onderhoudsplicht kan worden voldaan, bijvoorbeeld door periodiek onderhoud, het herprofileren van het talud of het aanleggen van een natuurlijke oever.

4.3.

Partijen verschillen echter van mening over hoe de onderhoudsplicht in dit geval moet worden ingevuld.

4.4.

HHNK stelt zich, kort gezegd, op het standpunt dat zij geen (onderhouds)maatregelen aan de waterkant en de beschoeiing hoeft te nemen ter voorkoming van schade aan het perceel van [eiser] , omdat deze niet nodig zijn voor de waterkering en het waterhuishoudkundig functioneren van de wateren. De zorgplicht van HHNK reikt volgens HHNK niet verder en dient niet ter bescherming van [eiser] tegen de inbreuk op het door hem gestelde belang.

4.5.

[eiser] verwijt HHNK dat zij zich aan haar onderhoudsplicht onttrekt met een beroep op de enge uitleg die het gerechtshof ’s-Hertogenbosch in het arrest van 13 april 2021 heeft gegeven aan de onderhoudsplicht (zorgplicht) die op grond van de Waterwet op een waterschap rust. Volgens [eiser] doen zich in dit geval bijzondere omstandigheden voor die een ruimere uitleg rechtvaardigen. Het gaat hier namelijk om een hoofdsloot die altijd stroomt en turbulentie geeft. HHNK heeft erkend (o.a. in haar brief van 25 juni 2019) dat dertig jaar lang - tot 2012 - sprake was van een ongebruikelijke, extreme (waterstaatkundige) situatie waarin de stroomsnelheid van de [de sloot] te hoog was. HHNK heeft deze situatie zelf gecreëerd en haar fouten hersteld door maatregelen te treffen, waaronder de realisering van de beschoeiing. Nu deze maatregelen niet langer afdoende zijn, moet er van de kant van HHNK op relatief korte termijn iets gebeuren om verdere afkalving van de walkant te voorkomen. HHNK weigert dit ten onrechte, aldus [eiser] .

4.6.

Kern van dit geschil is de vraag of HHNK jegens [eiser] een onrechtmatige daad heeft gepleegd door geen invulling aan de onderhoudsplicht te geven op de manier zoals [eiser] voorstaat. De rechtbank beantwoordt deze vraag ontkennend. Zij licht dit oordeel als volgt toe.

Geschonden norm

4.7.

[eiser] baseert zijn vorderingen op onrechtmatig handelen, althans nalaten, van HHNK. Aan de vorderingen ligt daarom ten grondslag dat HHNK een jegens [eiser] in acht te nemen norm schendt. Deze norm laat zich, zo volgt uit de vordering, omschrijven als de plicht om zorg te dragen voor passende maatregelen ten aanzien van de beschoeiing en de (bij HHNK in eigendom zijnde) strook grond direct gelegen aan de waterkant, één en ander ter voorkoming dat grond van het perceel van [eiser] kan uitspoelen in het water en daarmee schade aan zijn perceel en aan zijn woonboerderij (door verzakkingen) kan ontstaan.

Relativiteitsvereiste
4.8. Van aansprakelijkheid voor schade op grond van artikel 6:162 BW is geen sprake, als niet ook wordt voldaan aan het relativiteitsvereiste. HHNK betwist dat dit het geval is.

4.9.

Het relativiteitsvereiste houdt in dat de geschonden norm moet strekken tot bescherming tegen de schade zoals die zich heeft voorgedaan of zich kan voordoen.
Bij de beoordeling van de vraag of in dit geval aan het relativiteitsvereiste is voldaan komt het aan op het doel en de strekking van de geschonden norm, aan de hand waarvan moet worden onderzocht tot welke personen en tot welke schade en welke wijzen van ontstaan van schade de daarmee beoogde bescherming zich uitstrekt. De norm waarop [eiser] zich beroept is hiervoor onder 4.7 omschreven.

4.10.

De rechtbank onderscheidt - net als het hof in het arrest van 13 april 2021 heeft gedaan - twee bronnen voor deze norm: een bij regelgeving opgedragen taak en, in het algemeen, een plicht om niet te handelen in strijd met een maatschappelijke zorgvuldigheidsnorm, waaronder de plicht om geen inbreuk te maken op andermans eigendomsrecht, althans maatregelen te treffen om een dergelijke inbreuk te voorkomen.


De taak van HHNK

4.11.

Wat betreft de eerste bron sluit de rechtbank aan bij wat het hof in het arrest van 13 april 2021 heeft geoordeeld over de taak van het waterschap en welke verplichtingen daaruit jegens perceeleigenaren voortvloeien. Kort samengevat komt dit oordeel, toegespitst op deze zaak, erop neer dat uit de wet- en regelgeving met betrekking tot de taken van het waterschap niet voortvloeit dat HHNK verplicht is langs oevers beschoeiingen op te richten en in stand te houden dan wel andere onderhoudsmaatregelen aan oevers te treffen met het doel om te voorkomen dat perceeleigenaren schade leiden als gevolg van het uitspoelen van grond en/of verzakkingen.

4.12.

Partijen zijn het erover eens dat het aan HHNK is om bij het uitvoeren van haar onderhoudstaak te bepalen op welke manier dat onderhoud plaatsvindt, dus door – in dit geval – vervanging van de bestaande (door haar rechtsvoorganger aangebrachte) beschoeiing langs de [de sloot] of door het treffen van andere onderhoudsmaatregelen. Die taak tot onderhoud reikt - zoals HHNK onder verwijzing naar het arrest van 13 april 2021 terecht stelt – hoe dan ook niet verder dan nodig is voor de waterkering en voor een deugdelijke waterhuishouding. Dat als gevolg van de gebrekkige beschoeiing of het uitblijven van andere onderhoudsmaatregelen de waterhuishouding op het perceel van [eiser] , op de anderhalve meter brede strook grond van HHNK of in het door HHNK beheerde water in relevante mate is verstoord of dat sprake is van een onvoldoende waterkering naar het perceel van [eiser] , is gesteld noch gebleken. HHNK heeft haar zorgplicht in die zin niet verzaakt.


Maatschappelijke zorgvuldigheidsnorm

4.13.

Ook is niet komen vast te staan dat het handelen of nalaten van HHNK heeft geleid tot schending van een plicht om niet te handelen in strijd met een maatschappelijke zorgvuldigheidsnorm, waaronder de plicht om geen inbreuk te maken op het eigendomsrecht van [eiser] , althans maatregelen te treffen om een dergelijke inbreuk te voorkomen (de hierboven genoemde tweede bron).

4.13.1.

Als er al van wordt uitgegaan dat, zoals [eiser] stelt, door fouten van HHNK tot 2012 sprake is geweest van een ongebruikelijke (extreme) situatie waarin de stroomsnelheid in de [de sloot] dermate hoog was dat er ontgronding in de [de sloot] ontstond van ongeveer acht meter diep en er verzakkingen waren, dan nog leveren deze omstandigheden op zich geen schending van de zorgplicht door HHNK jegens [eiser] op. Die situatie is destijds hersteld door onder meer het storten van puin in het gat dat door de ontgronding was ontstaan, de aanleg van de beschoeiing en het bijplaatsen van een tweede duiker. Niet gebleken is dat dit gevolgen voor het perceel van [eiser] heeft gehad.

4.13.2.

Weliswaar staat niet ter discussie dat de beschoeiing langs de [de sloot] op dit moment in slechte staat verkeert, maar dat als gevolg daarvan sprake is van gevaarzetting en schade aan het perceel van [eiser] valt uit de door [eiser] overgelegde processtukken niet af te leiden. De foto’s en het filmpje ter zitting tonen dit ook niet aan. Evenmin blijkt dit, anders dan [eiser] meent, uit het rapport van Tauw. Daarin wordt geconcludeerd dat, als de beschoeiing haar functie volledig verliest, constructieve schade aan de voorzijde van de boerderij niet volledig is uit te sluiten en er aan de achterzijde van de boerderij een beperkt verhoogd risico is voor ongebruikelijke (horizontale) belasting op de fundering van de boerderij, met als mogelijk gevolg constructieve schade. Er zijn volgens het rapport geen aanwijzingen dat de stroomsnelheid te hoog is, ook niet bij extreme omstandigheden. Op grond hiervan kan niet worden geoordeeld dat inbreuk wordt gemaakt op het eigendomsrecht van [eiser] dan wel dat maatregelen nodig zijn ter voorkoming van een dergelijke inbreuk.

Slotsom

4.14.

Het voorgaande leidt tot de slotsom dat de norm die volgens [eiser] zou zijn geschonden en waar hij zijn vorderingen op grondt, niet dient tot bescherming van het belang dat volgens [eiser] is geschonden. Dit betekent dat niet wordt voldaan aan de relativiteitseis en daarmee niet aan de vereisten van (schadevergoeding op grond van) onrechtmatige daad. Het beroep van [eiser] op de algemene beginselen van behoorlijk bestuur stuit hierop ook af. Daarmee komt de grondslag aan de vorderingen onder II, die gaan over de naleving van de onderhoudsverplichting van HHNK en het treffen van (onderhouds)maatregelen aan de beschoeiing en de oever, te ontvallen. Bij de onder I. sub 1) gevorderde verklaring voor recht heeft [eiser] onvoldoende belang in de zin van artikel 3:303 BW. De rechtbank zal deze vorderingen daarom afwijzen.

4.15.

De onder I. sub 2) gevorderde verklaring voor recht dat schade aan het perceel van [eiser] te verwachten valt, indien onderhoud het komende jaar aan genoemde beschoeiing uitblijft, is evenmin toewijsbaar. Niet is komen vast te staan dat schade aan het perceel van [eiser] te verwachten valt (zie hiervoor onder 4.13.2). De onderbouwing die [eiser] hiervoor heeft gegeven, is onvoldoende. Bovendien hangt die vordering samen met de uitleg die [eiser] aan de onderhoudsverplichting van HHNK geeft. Zoals hiervoor is overwogen, deelt de rechtbank deze uitleg niet.

Proceskosten

4.16.

[eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van HHNKL worden begroot op:

- griffierecht € 667,00

- salaris advocaat € 1.126,00 (2,0 punten × tarief € 563,00)

Totaal € 1.793,00


De rechtbank zal deze kostenveroordeling vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente, die toewijsbaar is met ingang van de veertiende dag na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling.

De gevorderde nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente, zullen worden toegewezen als na te melden.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

wijst de vorderingen af,

5.2.

veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van HHNK tot op heden begroot op € 1.793,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dit bedrag met ingang van veertien dagen na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

5.3.

veroordeelt [eiser] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 163,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [eiser] niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 85,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak, en te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de nakosten met ingang van veertien dagen na de betekening van dit vonnis tot aan de voldoening,

5.4.

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.M. Auwerda en in het openbaar uitgesproken op 15 december 2021.1

1 type: ST coll: SA