Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2021:11868

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
22-12-2021
Datum publicatie
31-12-2021
Zaaknummer
8652469 \ CV FORM 20-5906
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Beschikking
Inhoudsindicatie

Luchtvaartzaak. CTOT onvoldoende onderbouwd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Insolventie

locatie Haarlem

Zaaknr./rolnr.: 8652469 \ CV FORM 20-5906

Uitspraakdatum: 22 december 2021

Beschikking van de kantonrechter in de zaak van:

1 [passagier sub 1]

2. [passagier sub 2] (pro se en in hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger voor zijn minderjarige kinderen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] )

allen wonende te [woonplaats]

3. [passagier sub 3]

4. [passagier sub 4]

beiden wonende te [woonplaats]

verzoekende partij

verder te noemen: de passagiers

gemachtigde: mr. I.G.B. Maertzdorff

tegen

de rechtspersoon naar buitenlands recht

Air France

gevestigd te Parijs (Frankrijk)

verwerende partij

verder te noemen: de vervoerder

gemachtigde: mr. M. Lustenhouwer

1 Het procesverloop

Dit verloop blijkt uit:

  • -

    het vorderingsformulier (formulier A), ingekomen ter griffie op 14 juli 2020;

  • -

    de akte houdende overlegging producties van de passagiers van 16 augustus 2020;

  • -

    het antwoordformulier (formulier C), ingekomen ter griffie op 9 april 2021.

2 De feiten

2.1.

De passagiers hebben met de vervoerder een vervoersovereenkomst gesloten op grond waarvan de vervoerder de passagiers diende te vervoeren van Amsterdam naar Parijs (Frankrijk) op 19 juli 2018 met vluchtnummer AF1141, hierna: de vlucht.

2.2.

De vervoerder diende passagiers sub 1 en 2 aansluitend te vervoeren naar Malaga Airport (Spanje) en passagiers sub 3 en 4 naar S. Seewoosagur Ram. International Airport (Mauritius). De geplande aankomsttijd van passagiers sub 1 en 2 te Malaga Airport was 19 juli 2018 om 23:20 uur lokale tijd. De geplande aankomsttijd van passagiers sub 3 en 4 te S. Seewoosagur Ram. International Airport was 20 juli 2018 om 11:00 uur lokale tijd.

2.3.

De vlucht is vertraagd uitgevoerd. De passagiers hebben hun aansluitende vlucht gemist. Passagiers sub 1 en 2 zijn omgeboekt naar een vervangende vlucht, waarmee zij circa 13 uur later dan gepland op de eindbestemming zijn aangekomen. Passagiers sub 3 en 4 zijn omgeboekt naar een vervangende vlucht, waarmee zij circa 24,5 uur later dan gepland op de eindbestemming zijn aangekomen.

2.4.

De passagiers hebben compensatie van de vervoerder verzocht in verband met voornoemde vertraging.

2.5.

De vervoerder heeft geweigerd tot betaling over te gaan.

2.6.

De passagiers sub 1 en 2 zijn door de kantonrechter gemachtigd de onderhavige procedure namens hun minderjarige kinderen te voeren.

3 Het verzoek en het verweer

3.1.

De passagiers verzoeken de vervoerder te veroordelen tot betaling van:

- € 2.800,00, vermeerderd met de wettelijke rente;
- € 544,50 dan wel € 490,05 aan buitengerechtelijke incassokosten, vermeerderd met de wettelijke rente;
- de proceskosten en de nakosten, vermeerderd met de wettelijke rente.

3.2.

De passagiers baseren het verzoek op de Verordening (EG) nr. 261/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels inzake compensatie en bijstand aan luchtreizigers bij instapweigering en annulering of langdurige vertraging van vluchten en tot intrekking van de verordening (EEG) nr. 295/91 (hierna: de Verordening) en de daarop betrekking hebbende rechtspraak van het Europese Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof).

3.3.

De passagiers stellen dat de vervoerder vanwege de vertraging van de vlucht gehouden is compensatie te betalen conform artikel 7 van de Verordening tot een bedrag van € 400,00 per persoon voor de passagiers sub 1 en 2 en hun minderjarige kinderen en € 600,00 per persoon voor passagiers sub 3 en 4. Daarnaast maken de passagiers aanspraak op betaling door de vervoerder van de buitengerechtelijke kosten en de wettelijke rente.

3.4.

De vervoerder betwist de verschuldigdheid en de hoogte van het verzochte. Op het verweer wordt - voor zover relevant - bij de beoordeling van het geschil ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

De kantonrechter stelt ambtshalve vast dat de Nederlandse rechter in deze zaak bevoegd is om van het verzoek kennis te nemen.

4.2.

In het vorderingsformulier hebben de passagiers aangegeven een mondelinge behandeling te verlangen, indien de vervoerder reageert met stukken ter staving van zijn stellingen welke nieuwe feiten en omstandigheden aan het licht brengen. Gelet op artikel 5 lid 1bis van de Verordening tot vaststelling van een Europese procedure voor geringe vorderingen nr. 861/2007 (EPGV-Verordening) zal de kantonrechter dit verzoek weigeren omdat zij, gezien de omstandigheden van de zaak, van oordeel is dat een eerlijke rechtspleging in deze zaak geen mondelinge behandeling vergt.

4.3.

Vast staat dat de passagiers met een vertraging van meer dan drie uur zijn aangekomen op de eindbestemming, zodat de vervoerder op grond van de Verordening in beginsel gehouden is de compensatie als bedoeld in de Verordening te voldoen. Dit is anders indien de vervoerder kan aantonen dat de vertraging het gevolg is van buitengewone omstandigheden als bedoeld in artikel 5 lid 3 van de Verordening.

4.4.

De vervoerder doet een beroep op buitengewone omstandigheden en voert daartoe het volgende aan. De vlucht is onderdeel is van de rotatievlucht Parijs – Amsterdam – Parijs met vluchtnummers AF1140/AF1141. Deze vluchten werd uitgevoerd met het toestel F-HEPB. Het toestel stond gepland om 14:45 UTC vanaf Parijs naar Amsterdam te vertrekken en stond op tijd gereed voor vertrek. Het toestel kreeg echter om 12:45 UTC van de Europese luchtverkeersleiding een CTOT van 15:14 UTC opgelegd. Als reden voor de CTOT heeft Eurocontrol verwezen naar de regulatie ‘FTB19A’ en als reden voor de regulatie heeft Eurocontrol de code OE81 opgegeven. Code “OE’ staat voor “Other En-route” “This should only be used in exceptional circumstances when no other category is sufficient. An explanatory ANM remark MUST be given to allow post ops analysis”. Code 81 staat voor “ATFM due to ATC ENROUTE DEMAND/CAPACITY”. De CTOT is vervolgens verschillende keren herzien. Het toestel kreeg uiteindelijk om 16:10 UTC toestemming om van de gate te mogen vertrekken. Als gevolg hiervan is de vlucht naar Amsterdam met een vertraging van 1 uur en 8 minuten uitgevoerd. Te Amsterdam is de vertrekprocedure zo spoedig mogelijk uitgevoerd. Ook voor de vlucht in kwestie kreeg het toestel echter een CTOT opgelegd van 18:48 UTC. Dit keer is verwezen naar de regulatie EBUNWC19 met als reden TE82. Dit staat voor een gebrek in de systemen van de luchtverkeersleiding (ATC) “ATC equipment Reduction of expected or declared capacity due to the non-availability or degradation of equipment used to provide an ATC service”. Code 82 staat voor “ATFM due to ATC STAFF/EQUIPMENT ENROUTE”. De CTOT is daarna nog herzien en uiteindelijk kreeg het toestel om 18:11 UTC toestemming om van de gate te vertrekken. De vlucht is vervolgens zo spoedig mogelijk, met een vertraging van 1 uur en 16 minuten uitgevoerd. De passagiers hebben om deze reden hun aansluitende vlucht gemist, aldus de vervoerder. De vervoerder moet de instructies van de luchtverkeersleiding opvolgen. Hij mag hier niet van afwijken. Dergelijke instructies zijn niet inherent aan de normale uitoefening van de activiteiten van de betrokken luchtvaartmaatschappij. De luchtvaartmaatschappij kan daarop geen daadwerkelijke invloed uitoefenen, aldus de vervoerder.

4.5.

In beginsel is het juist dat instructies van de luchtverkeersleiding die een vertraging opleveren, een buitengewone omstandigheid vormen. Dan moet echter wel komen vast te staan dat de vertraging ook daadwerkelijk het gevolg is geweest van (de doorwerking van) die buitengewone omstandigheid. De kantonrechter is van oordeel dat dat in de onderhavige zaak niet is komen vast te staan en overweegt daartoe als volgt. De vervoerder heeft ter onderbouwing van zijn stelling dat sprake was van buitengewone omstandigheden stukken van Eurocontrol overgelegd (producties 2 en 3). Uit deze stukken kan echter niet worden opgemaakt op welke vlucht(en) deze gegevens betrekking hebben. De vluchtnummers worden hier niet in vermeld. Daarnaast zou de vlucht volgens de vervoerder zijn uitgevoerd met toestel F-HEPB, welk toestel werd ingezet voor een rotatievlucht. Ook dit registratienummer is niet terug te vinden in de door de vervoerder overgelegde stukken. Sterker nog, in productie 2 staat ‘aircraft id AFR26RA’ vermeld en in productie 3 ‘aircraft id AFR77GN’. Hieruit leidt de kantonrechter af dat de stukken niet alleen geen betrekking hebben op toestel F-HEPB, maar ook nog eens betrekking hebben op twee verschillende andere toestellen. Dit valt niet goed te rijmen met de stelling van de vervoerder dat het om een rotatievlucht ging. Het had op de weg van de vervoerder gelegen dit nader toe te lichten. Verder worden de tijden van de CTOT’s die volgens de vervoerder uiteindelijk aan vlucht AF1140 en AF1141 zijn opgelegd (16:10 UTC respectievelijk 18:11 UTC) niet in de stukken van Eurocontrol vermeld. Bovendien lijken de stukken die in het verweer zijn ingekopieerd, niet terug te vinden te zijn in de bijgevoegde producties. Daarnaast staat bijvoorbeeld achter 2.4 aangegeven dat het toestel “Op basis van het CTOT (…) van de lokale luchtverkeersleiding en TSAT voor vertrek van de gate (kreeg) om 16:32 UTC”, maar vervolgens is daar een stuk ingekopieerd waarop enkel een TSAT van 1609 vermeld staat.

4.6.

Al met al heeft de vervoerder niet aannemelijk gemaakt dat de vertraging van de vlucht in kwestie is ontstaan door (doorwerking van) buitengewone omstandigheden. De kantonrechter komt daarom niet toe aan de vraag of Air France alle redelijke maatregelen heeft genomen om de vertraging te voorkomen.

4.7.

Nu de vervoerder voor het overige geen verweer heeft gevoerd, zal het verzoek tot betaling van de hoofdsom worden toegewezen. Anders dan de vervoerder is de kantonrechter van oordeel dat de gevorderde wettelijke rente toewijsbaar is met ingang van de datum waarop de passagiers schade hebben geleden, zijnde de datum waarop de passagiers op de eindbestemming hadden moeten aankomen. Het betreft hier een vordering tot vergoeding van forfaitair berekende schade, zodat deze schade gelet op artikel 6:83 sub b BW terstond opeisbaar is. Het verzuim treedt dus zonder ingebrekestelling in op het moment dat de schade geacht wordt te zijn geleden. De wettelijke rente wordt daarom ten aanzien van passagiers sub 1 en 2 toegewezen vanaf 19 juli 2018 en ten aanzien van passagiers sub 3 en 4 met ingang van 20 juli 2018.

4.8.

De passagiers hebben een bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten gevorderd. De vordering heeft geen betrekking op één van de situaties waarin het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit) van toepassing is. Daarom zal de kantonrechter de vraag of buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd zijn toetsen aan de eisen zoals deze zijn geformuleerd in het rapport Voorwerk II. Voor wat betreft passagiers sub 1 en 2 is voldoende aannemelijk gemaakt dat zij buitengerechtelijke werkzaamheden hebben laten verrichten en dat hiervoor kosten zijn gemaakt. Dit geldt niet ten aanzien van passagiers sub 3 en 4. De passagiers hebben onvoldoende aangetoond en onderbouwd dat de verrichte werkzaamheden voor passagiers sub 3 en 4 meer hebben omvat dan de verzending van een enkele (eventueel herhaalde) aanmaning. De vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke kosten moet daarom worden afgewezen ten aanzien van passagier sub 3 en 4. De gevorderde rente over de buitengerechtelijke kosten wordt afgewezen, omdat niet is gesteld of gebleken dat deze kosten daadwerkelijk zijn betaald.

4.9.

De omvang van de buitengerechtelijke incassokosten moet worden getoetst aan de tarieven zoals vervat in het Besluit in plaats van aan de tarieven van het rapport Voorwerk II; de tarieven neergelegd in het Besluit worden geacht redelijk te zijn. Het verzochte bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten is hoger dan het in het Besluit bepaalde tarief. Daarbij geldt dat de hoogte van de buitengerechtelijke incassokosten moet worden vastgesteld aan de hand van de toegewezen hoofdsom voor passagiers sub 1 en 2 en hun minderjarige kinderen van € 1.600,00. De kantonrechter zal het verzochte bedrag dan ook toewijzen tot het wettelijke tarief, te weten € 290,40 (inclusief btw) en voor het overige afwijzen.

4.10.

De proceskosten komen voor rekening van de vervoerder, omdat hij grotendeels ongelijk krijgt. Ook de nakosten kunnen worden toegewezen, voor zover deze kosten daadwerkelijk door de passagiers worden gemaakt. De gevorderde rente over de toe te wijzen proceskosten is niet toewijsbaar met ingang van 7 september 2018, omdat de vervoerder ten aanzien van deze kosten toen nog niet in verzuim was, zodat aan de eisen van art. 6:119 BW niet is voldaan. De gevorderde rente is toewijsbaar met ingang van de datum gelegen 14 dagen na betekening van deze beschikking.

4.11.

Op verzoek van de passagiers zal een certificaat als bedoeld in artikel 20 lid 2 van de Verordening (EG) nr. 861/2007 tot vaststelling van een Europese procedure voor geringe vorderingen aan deze beschikking worden gehecht.

5 De beslissing

De kantonrechter:

5.1.

veroordeelt de vervoerder tot betaling aan de passagiers sub 1 en 2 van € 1.890,40, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 1.600,00 vanaf 19 juli 2018 tot aan de dag van de algehele voldoening;

5.2.

veroordeelt de vervoerder tot betaling aan de passagiers sub 3 en 4 van € 1.200,00, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 20 juli 2018 tot aan de dag van de algehele voldoening;

5.3.

veroordeelt de vervoerder tot betaling van de proceskosten die aan de kant van de passagiers tot en met vandaag worden begroot op € 236,00 aan griffierecht en € 218,00 aan salaris gemachtigde van de passagiers, en veroordeelt de vervoerder tot betaling van € 109,00 aan nakosten voor zover deze kosten daadwerkelijk door de passagiers worden gemaakt, vermeerderd met de wettelijke rente over deze bedragen vanaf de datum gelegen 14 dagen na betekening van deze beschikking tot aan de dag van de algehele voldoening;

5.4.

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. J.A.M. Jansen, kantonrechter, en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.

De griffier De kantonrechter

Tegen deze beschikking staat geen hoger beroep open