Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2021:11654

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
22-12-2021
Datum publicatie
31-12-2021
Zaaknummer
9294045
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Verrekeningsverweer slaagt deels. Factuur te hoog: ex aequo et bono geschat.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Insolventie

locatie Haarlem

Zaaknr./rolnr.: 9294045 \ CV EXPL 21-4226

Uitspraakdatum: 22 december 2021

Vonnis van de kantonrechter in de zaak van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
Stucadoorsbedrijf [eiseres]

gevestigd te [plaats]

eiseres

verder te noemen: [eiseres]

gemachtigde: mr. C.I. Burger

tegen


de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[gedaagde] Bouw B.V.

gevestigd te [plaats]

gedaagde

verder te noemen: [gedaagde]

gemachtigde: mr. G.P. Poiesz

1 Het procesverloop

1.1.

[eiseres] heeft bij dagvaarding van 17 juni 2021 een vordering tegen [gedaagde] ingesteld. [gedaagde] heeft schriftelijk geantwoord.

1.2.

Op 24 november 2021 heeft een zitting plaatsgevonden. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat partijen ter toelichting van hun standpunten naar voren hebben gebracht. Voorafgaand aan de zitting heeft [eiseres] bij brief van 13 november 2021 nog stukken toegezonden.

2 De feiten

2.1.

Partijen hebben op verschillende projecten samengewerkt waarbij [eiseres] onder andere stucwerkzaamheden heeft verricht in opdracht van aannemer [gedaagde] . De stucwerkzaamheden zijn door [eiseres] uitgevoerd in drie woningen in: Amstelveen, Overveen en Warder.

2.2.

Voor de werkzaamheden heeft [eiseres] een viertal facturen aan [gedaagde] gestuurd:
- 20/00451 op 11 november 2020 ad € 7.493,80;
- 20/00533 op 11 januari 2021 ad € 10.000,00;
- 21/00019 op 27 januari 2021 ad € 5.750,00;
- 21/00071 op 4 maart 2021 ad € 1.260,00.

2.3.

De bewoonster van de woning in Warder heeft onder andere op 10 oktober 2020, 18 oktober 2020 en 18 november 2020 tegen [gedaagde] geklaagd over het stucwerk dat door [eiseres] is uitgevoerd.

2.4.

Op 24 december 2020 heeft [schilder] schilders B.V. een factuur ad € 6.034,70 opgemaakt welke ziet op werkzaamheden aan de woning in Warder. [gedaagde] heeft deze factuur betaald.

2.5.

Per Whatsappbericht heeft [gedaagde] [eiseres] erop gewezen dat er beschadigingen op de tegels waren veroorzaakt in de woning in Overveen. [eiseres] heeft per Whatsapp geantwoord dat zij deze ruimtes niet hebben gestuct.

2.6.

Omdat de facturen niet betaald werden, heeft [eiseres] [gedaagde] op 26 april 2021 gesommeerd tot betaling. [gedaagde] heeft hier per e-mail op gereageerd en aangegeven dat zij nog enkele facturen nodig hadden, waaronder de eindafrekening, en dat er nog twee creditfacturen openstaan waarmee [gedaagde] de facturen deels wilde verrekenen.

2.7.

Per brief d.d. 3 mei 2021 heeft de gemachtigde van [eiseres] de eindafrekening verstuurd en betwist dat de facturen konden worden verrekend.

2.8.

Op 3 mei 2021 heeft [gedaagde] een bedrag van € 12.213,57 betaald.

2.9.

Per brief d.d. 4 juni 2021 heeft de gemachtigde van [eiseres] [gedaagde] gesommeerd tot betaling van het openstaande bedrag.

3 De vordering

3.1.

[eiseres] vordert dat de kantonrechter [gedaagde] veroordeelt tot betaling van
€ 6.796,43 te vermeerderen met de wettelijke (handels)rente vanaf 3 mei 2021 en tot betaling van € 755,51 aan buitengerechtelijke incassokosten te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 17 juni 2021 met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten en nakosten.

3.2.

[eiseres] legt aan de vordering ten grondslag – kort weergegeven – dat [eiseres] vier facturen heeft gestuurd aan [gedaagde] voor werkzaamheden die [eiseres] in opdracht van [gedaagde] heeft uitgevoerd. De werkzaamheden bestonden uit het aanbrengen van stucwerk in een pand te Warder en in een pand te Amstelveen en het repareren van stucwerk in een pand te Overveen. [gedaagde] heeft ondanks sommaties de facturen niet volledig voldaan en een bedrag van € 6.796,43 onbetaald gelaten. Van verrekening van facturen is geen sprake nu [eiseres] niet in gebreke is gesteld noch in de gelegenheid is gesteld om de werkzaamheden te herstellen. Omdat [eiseres] buitengerechtelijke incassohandelingen heeft verricht om [gedaagde] ertoe te bewegen te betalen, is [gedaagde] inmiddels ook de buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd.

4 Het verweer

4.1.

[gedaagde] betwist de vordering (gedeeltelijk) en voert aan – samengevat – dat [eiseres] in haar verplichtingen met betrekking tot de werkzaamheden voor twee projecten tekort geschoten is waardoor schade is ontstaan waarvoor [eiseres] aansprakelijk is. Zo heeft een medewerker van [eiseres] op het project te Overveen het tegelwerk beschadigd. Bij het project te Warder heeft [eiseres] stucadoorswerkzaamheden uitgevoerd maar deze werkzaamheden zijn ondeugdelijk uitgevoerd. Dit bleek pas toen de schilder reeds een groot deel van de muren had geschilderd. [eiseres] heeft het stucwerk gerepareerd maar hierdoor moesten de muren opnieuw geschilderd worden. Omdat [eiseres] in eerste instantie het werk ondeugdelijk had uitgevoerd en dat de reden is dat de muren opnieuw geschilderd moesten worden, komt deze factuur ad € 6.034,70 voor rekening van [eiseres] .

4.2.

Gelet op het bovenstaande mocht [gedaagde] haar betalingsverplichting jegens [eiseres] in eerste instantie opschorten. [gedaagde] doet nu een beroep op verrekening van de schade met de facturen van [eiseres] .

5 De beoordeling

5.1.

Tussen partijen is niet in geschil dat [eiseres] werkzaamheden in opdracht van [gedaagde] heeft uitgevoerd. Ook heeft [gedaagde] de hoogte van de facturen niet betwist. Derhalve is de vordering van [eiseres] in beginsel toewijsbaar. [gedaagde] heeft echter een beroep gedaan op verrekening met de factuur van de schilderwerkzaamheden en de schade van de tegels. Dit verweer slaagt deels; de kantonrechter is van oordeel dat de vordering van [gedaagde] die ziet op de schade aan de tegels niet eenvoudig vast te stellen is. Gelet op de gemotiveerde betwisting door [eiseres] van de (vermeende) schade aan de tegels en de stelling dat zij die ruimte helemaal niet heeft gestuct, is voor de beoordeling van het beroep op verrekening immers bewijslevering nodig. De kantonrechter zal het verrekeningsverweer ten aanzien van de schade aan de tegels dan ook met toepassing van artikel 6:136 BW passeren.

5.2.

Voor wat betreft de factuur van de schilder slaagt het verrekeningsverweer wel. [eiseres] heeft immers erkend dat het stucwerk niet goed uitgevoerd was en dat zij dit hebben gerepareerd nadat de schilder was geweest. Gelet op deze erkenning verwerpt de kantonrechter het verweer van [eiseres] dat zij niet in gebreke zijn gesteld en niet in de gelegenheid gesteld zijn om de gebreken te herstellen. Het komt de kantonrechter aannemelijk voor dat de muren, na reparatie door [eiseres] , opnieuw geverfd moesten worden met dien verstande dat factuur van € 6.034,70 als hoog wordt aangemerkt en [eiseres] de hoogte van deze factuur ook heeft betwist. Om deze reden zal de kantonrechter geen aansluiting zoeken bij het bedrag van de factuur maar zal hij de kosten voor het oververven van de gestucte wanden ex aequo et bono schatten op een bedrag van
€ 4.500,00. Met dit bedrag zal de vordering van [eiseres] worden verrekend, zodat een bedrag van € 2.296,43 aan hoofdsom zal worden toegewezen. De wettelijke handelsrente zal als onvoldoende gemotiveerd betwist worden toegewezen.

5.3.

Wat partijen verder nog naar voren hebben gebracht behoeft geen bespreking meer, nu dit in het licht van wat in dit vonnis is vastgesteld en overwogen, niet tot een andere beslissing kan leiden.

5.4.

Het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten zal worden toegewezen volgens het wettelijke tarief dat hoort bij de hoofdsom waartoe [gedaagde] zal worden veroordeeld. Derhalve wordt een bedrag van € 344,46 aan buitengerechtelijke incassokosten toegewezen.

5.5.

De conclusie is dat de kantonrechter de vordering van [eiseres] deels zal toewijzen.

5.6.

Nu partijen over en weer op punten in het ongelijk zijn gesteld, is de kantonrechter van oordeel dat het redelijk is dat partijen ieder de eigen proceskosten dragen.

6 De beslissing

De kantonrechter:

6.1.

veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan [eiseres] van € 2.296,43 te vermeerderen met de wettelijke handelsrente over dat bedrag vanaf 3 mei 2021 tot aan de dag van de gehele betaling;

6.2.

veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan [eiseres] van € 344,46 aan buitengerechtelijke incassokosten te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 17 juni 2021;

6.3.

bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;

6.4.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

6.5.

wijst de vordering voor het overige af.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.N. Schipper en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.

De griffier De kantonrechter