Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2021:11363

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
08-12-2021
Datum publicatie
16-12-2021
Zaaknummer
8838520 \ CV EXPL 20-5655
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eiser vordert vergoeding van immateriële schade, die hij stelt geleden te hebben doordat hij is mishandeld door gedaagden. De vordering wordt afgewezen, omdat niet is komen vast te staan dat eiser immateriële schade heeft geleden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2022-0003
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Bewind

locatie Alkmaar

Zaaknr./rolnr.: 8838520 \ CV EXPL 20-5655 BL

Uitspraakdatum: 8 december 2021

Vonnis van de kantonrechter in de zaak van:

[eiser]

wonende te [woonplaats]

eiser

verder te noemen: [eiser]

gemachtigde: mr. M. Raaijmakers

toevoeging: 4NV6911

tegen

1. E.C.C. Koppes, h.o.d.n. Optima Bewindvoering Alkmaar te Heerhugowaard, in haar hoedanigheid van bewindvoerder over de goederen van [rechthebbende] wonende te [woonplaats]

gedaagde sub 1

verder te noemen: de bewindvoerder q.q. en [rechthebbende]

gemachtigde: mr. H. van Lingen

2 [gedaagde 2]

wonende te Alkmaar

gedaagde sub 2

verder te noemen: [gedaagde 2]

niet verschenen

De zaak in het kort

[eiser] vordert vergoeding van immateriële schade, die hij stelt geleden te hebben doordat hij is mishandeld door [rechthebbende] en [gedaagde 2] . De vordering wordt afgewezen, omdat niet is komen vast te staan dat [eiser] immateriële schade heeft geleden.

1 Het procesverloop

1.1.

[eiser] heeft bij dagvaarding van 7 oktober 2020 een vordering tegen [rechthebbende] en [gedaagde 2] ingesteld. [rechthebbende] heeft mondeling geantwoord.

1.2.

Op 27 mei 2021 heeft een zitting plaatsgevonden, waar zijn verschenen de gemachtigde van [eiser] , en [rechthebbende] in persoon. [gedaagde 2] is (na afbericht) niet verschenen. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat namens [eiser] en door [rechthebbende] naar voren is gebracht.

1.3.

Naar aanleiding van het tussenvonnis van 23 juni 2021 heeft [eiser] de bewindvoerder q.q. in het geding opgeroepen, die vervolgens (aanvullend) schriftelijk heeft gereageerd.

1.4.

Op 9 november 2021 heeft opnieuw een zitting plaatsgevonden, waar alleen [rechthebbende] is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. [eiser] en zijn gemachtigde zijn, ondanks daartoe behoorlijk te zijn opgeroepen, niet ter zitting verschenen. Ook [gedaagde 2] is (na afbericht) niet verschenen. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat ter toelichting van de standpunten van [rechthebbende] naar voren is gebracht.

2 De vordering en het verweer

2.1.

[eiser] vordert dat de kantonrechter [rechthebbende] en [gedaagde 2] hoofdelijk veroordeelt tot betaling van € 2.000,00 als vergoeding voor door [eiser] geleden immateriële schade, en € 300,00 voor buitengerechtelijke incassokosten. [eiser] legt aan de vordering – kort weergegeven – ten grondslag dat [rechthebbende] en [gedaagde 2] onrechtmatig hebben gehandeld door [eiser] op 5 juli 2019 te mishandelen, zodat zij de door hem geleden immateriële schade moeten vergoeden.

2.2.

[rechthebbende] betwist de vordering, en voert daartoe – samengevat – aan dat [eiser] geen immateriële schade heeft geleden.

3 De beoordeling

3.1.

De kantonrechter stelt voorop dat een vordering betreffende een gedaagde partij van wie de goederen onder bewind zijn gesteld, moet worden ingesteld tegen de bewindvoerder. [eiser] heeft alleen [rechthebbende] gedagvaard, maar de bewindvoerder q.q. is vrijwillig in de procedure verschenen. Daarmee moet de bewindvoerder q.q. als (formele) procespartij worden aangemerkt (HR 7 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:525). De aanhef van dit vonnis is hierop aangepast. Dit brengt verder met zich dat [eiser] niet-ontvankelijk wordt verklaard in zijn vordering tegenover [rechthebbende] .

3.2.

Inhoudelijk gaat het in deze zaak om de vraag of [eiser] tegenover [rechthebbende] en [gedaagde 2] aanspraak kan maken op een immateriële schadevergoeding. De kantonrechter oordeelt van niet, en overweegt daarover het volgende.

3.3.

Vast staat dat op 5 juli 2019 sprake is geweest van een incident in een park in [plaats] , waarbij de drie partijen in deze zaak betrokken waren. [rechthebbende] erkent dat hij strafrechtelijk is veroordeeld voor openlijke geweldpleging die dag. Uit de stukken blijkt dat dit geweld zich tegen [eiser] heeft gericht. Daarmee moet als vaststaand worden aangenomen dat [rechthebbende] onrechtmatig heeft gehandeld tegenover [eiser] . Hetzelfde geldt voor [gedaagde 2] , omdat hij dit niet heeft betwist. Het uitgangspunt is daarmee, dat [rechthebbende] en [gedaagde 2] de schade moeten vergoeden die [eiser] door hun onrechtmatig handelen heeft geleden. [eiser] vordert alleen vergoeding van immateriële schade.

3.4.

Artikel 6:106 onder b van het Burgerlijk Wetboek bepaalt dat voor nadeel dat niet in vermogensschade bestaat (immateriële schade), de benadeelde recht heeft op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding, indien de benadeelde lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast.

3.5.

[eiser] heeft niet gesteld dat hij lichamelijk letsel heeft opgelopen. Hij voert aan dat hij pijnscheuten voelde. Dat [eiser] ten tijde van het incident pijn heeft ervaren wil de kantonrechter wel aannemen, maar dit is op zichzelf onvoldoende om hem een immateriële schadevergoeding toe te kennen. [eiser] stelt verder dat de pijn zodanig ernstig was dat hij daardoor buiten bewustzijn is geraakt. [rechthebbende] betwist uitdrukkelijk dat [eiser] buiten bewustzijn is geweest, en [eiser] heeft geen stukken overgelegd waaruit dit blijkt.

3.6.

Verder voert [eiser] in de dagvaarding aan dat hij zich vernederd voelt, en na de mishandeling last heeft van angst en psychische klachten. Meer zegt [eiser] hier niet over, en er zijn ook geen stukken overgelegd die het gestelde psychisch letsel onderbouwen. Op de zitting van 27 mei 2021 is [eiser] zelf niet verschenen, vanwege detentie. Op die zitting is mr. Raaijmakers wel verschenen, maar is de zaak niet inhoudelijk behandeld. Het ging toen slechts over de onderbewindstelling van [rechthebbende] . Op de zitting van 9 november 2021 is de kwestie inhoudelijk behandeld. Op die zitting is van de zijde van [eiser] echter niemand verschenen, en is geen afbericht ontvangen. Ook na de zitting is niets meer van [eiser] vernomen. In reactie op het verweer van [rechthebbende] heeft [eiser] de door hem gestelde klachten dus ook niet nader toegelicht.

3.7.

Gelet op het voorgaande is naar het oordeel van de kantonrechter niet komen vast te staan dat [eiser] immateriële schade heeft geleden als gevolg van het onrechtmatig handelen van [rechthebbende] en [gedaagde 2] , zodat de vordering moet worden afgewezen.

3.8.

De proceskosten komen voor rekening van [eiser] , omdat hij ongelijk krijgt.

4 De beslissing

De kantonrechter:

4.1.

verklaart [eiser] niet-ontvankelijk in zijn vordering tegenover [rechthebbende] ;

4.2.

wijst de vordering af;

4.3.

veroordeelt [eiser] tot betaling van de proceskosten, die tot en met vandaag voor de bewindvoerder q.q. worden vastgesteld op een bedrag van € 187,00 aan salaris van de gemachtigde van de bewindvoerder q.q.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.C. van Rijn en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.

De griffier De kantonrechter