Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2021:11262

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
03-12-2021
Datum publicatie
28-01-2022
Zaaknummer
9501506 \ WM VERZ 21-553
Rechtsgebieden
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

WAHV. De kantonrechter is van oordeel dat uit de stukken die zich in het dossier bevinden – met name uit de verklaring van de verbalisant – voldoende blijkt dat de gedraging waarvoor de boete is opgelegd, is verricht. Bij de stukken in het dossier bevinden zich foto’s waarop de gedraging is vastgelegd. Verweer met betrekking tot mandaat treft geen doel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Bewind

locatie Alkmaar

Zaaknummer : 9501506 \ WM VERZ 21-553

CJIB-nummer : 239723338

Uitspraakdatum : 3 december 2021

Uitspraak op een beroep als bedoeld in artikel 9 van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (WAHV) en proces-verbaal van de zitting

in de zaak van

[betrokkene]

gemachtigde : mr. I.N.D.J Rissema, Bezwaartegenverkeersboetes.nl te Dordrecht.

Het verloop van de procedure en het proces-verbaal van de zitting

Aan betrokkene is een administratieve sanctie (hierna te noemen: boete) opgelegd. Betrokkene heeft daartegen beroep ingesteld bij de officier van justitie. De officier van justitie heeft het beroep ongegrond verklaard. Tegen die beslissing is door betrokkene beroep ingesteld bij de kantonrechter.

De zaak is behandeld op de zitting van 26 november 2021. Op de zitting is de vertegenwoordiger van de officier van justitie verschenen. Namens betrokkene is niemand verschenen.

De vertegenwoordiger van officier van justitie heeft op de zitting meegedeeld de beslissing en het standpunt te handhaven en stelt aanvullend dat de foto’s van de gedraging duidelijk zijn en stelt dat de bevoegdheid van de boa het uitgangspunt is. Daarnaast wijst de vertegenwoordiger van de officier van justitie op de door de gemachtigde overgelegde akte van beëdiging en stelt dat hier sprake is van een verlenging, dat is te zien aan het cijfer 1 achter het aktenummer.

De kantonrechter heeft na de zitting uitspraak gedaan.

Overwegingen

De gedraging waarvoor de boete is opgelegd, luidt – kort omschreven – als volgt: doorrijden bij een driekleurig verkeerslicht (stoplicht) dat op rood staat.

Betrokkene is het niet eens met de beslissing van de officier van justitie en heeft in het beroepschrift de gronden daarvoor aangevoerd.

De kantonrechter is van oordeel dat uit de stukken die zich in het dossier bevinden – met name uit de verklaring van de verbalisant – voldoende blijkt dat de gedraging waarvoor de boete is opgelegd, is verricht. Bij de stukken in het dossier bevinden zich foto’s waarop de gedraging is vastgelegd. Op die foto’s is te zien dat het verkeerslicht al 2,9 seconden geel/oranje licht en 1,0 seconden rood licht uitstraalde op het moment dat het voertuig van betrokkene de stopstreep passeerde. Daaruit blijkt dat sprake is geweest van niet stoppen voor rood licht bij een verkeerslicht.

De gemachtigde van de betrokkene voert aan dat in artikel 92 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990) is neergelegd wanneer een overtreding kan worden aangemerkt als een strafbaar feit. Aangezien er geen strafbaar feit is gepleegd, is de boa binnen het domein generieke opsporing niet bevoegd tot het opleggen van de boete voor deze gedraging, zodat de boete niet in stand kan blijven, aldus gemachtigde.

De kantonrechter overweegt dat artikel 92, eerste lid, van het RVV 1990 luidt als volgt:

“Overtreding van de artikelen 3 tot en met 12, 14 tot en met 27, 30, eerste lid, 31 tot en met 43, 45, 46, 49 tot en met 61b, 62, met uitzondering van verkeersbord C22 van bijlage I, 68, zesde lid, 74, tweede lid, 82, 82a, 83 en 86b is een strafbaar feit.”

De onderhavige gedraging betreft een overtreding van artikel 62 jo. artikel 68, eerste lid, aanhef en onder c, van het RVV 1990. Nu een overtreding van artikel 68, eerste lid, aanhef en onder c, van het RVV 1990 valt onder artikel 62 van het RVV – dat weggebruikers verplicht gevolg geven aan de verkeerstekens die een gebod of verbod inhouden – is, in tegenstelling tot dat wat de gemachtigde betoogt, wel degelijk sprake van een strafbaar feit als bedoeld in artikel 92 van het RVV 1990.

De sanctie is opgelegd door een boa die werkzaam is in het domein generieke opsporing. Op grond van artikel 2, tweede lid, van het Besluit administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften in combinatie met artikel 3, eerste lid, jo. artikel 2, eerste lid, van de Wahv zijn boa’s bevoegd voor gedragingen als de onderhavige een administratiefrechtelijke sanctie op te leggen. De Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar verzetten zich evenmin tegen het opleggen van een administratiefrechtelijke sanctie voor een gedraging als de onderhavige door een boa werkzaam in het domein generieke opsporing. De stelling van de gemachtigde dat de ambtenaar die de onderhavige sanctie heeft opgelegd hiertoe niet bevoegd is, volgt de kantonrechter dan ook niet (ECLI:NL:GHARL:2021:5580 d.d. 08 juni 2021).

Daarnaast is volgens de gemachtigde niet gebleken dat de persoon die de buitengewoon opsporingsambtenaar (boa) heeft beëdigd, [naam] , gemandateerd was om dat te doen.

De kantonrechter overweegt dat uit vaste rechtspraak blijkt dat het bestaan van de bevoegdheid van de betreffende ambtenaar ten tijde van het opleggen van de sanctie het uitgangspunt is. Dit is slechts anders indien naar aanleiding van hetgeen wordt aangevoerd gerede twijfel ontstaat over de bevoegdheid van de ambtenaar.

De stelling van de gemachtigde dat [naam] de ambtenaar zou hebben beëdigd, zonder dat van zijn of haar bevoegdheid daartoe is gebleken, mist feitelijke grondslag. Het door de gemachtigde ingebrachte proces-verbaal is voorzien van ‘BOA/Aktenr.: 6039319 /1’ en heeft dus, anders dan de gemachtigde meent, geen betrekking op de beëdiging van de ambtenaar, maar op de uitreiking van de eerst daarop volgende akte van beëdiging.

Niet gebleken is dat de ambtenaar door [naam] is beëdigd. Alleen al daarom hoeft niet te worden nagegaan of [naam] via een geldig mandaat bevoegd was om boa’s te beëdigen (ECLI:NL:GHARL:2020:2405 d.d. 19 maart 2020).

Het verweer van gemachtigde treft dus geen doel.

De boete is terecht opgelegd. De kantonrechter ziet in hetgeen betrokkene heeft aangevoerd ook geen reden om de boete te matigen.

Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard.

Nu het beroep ongegrond wordt verklaard ziet de kantonrechter geen aanleiding om proceskosten toe te kennen.

De uitspraak

De kantonrechter:

‒ verklaart het beroep ongegrond;

‒ wijst het verzoek op vergoeding van de proceskosten af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B. Voogd, kantonrechter, bijgestaan door de griffier, en in het openbaar uitgesproken.

De griffier De kantonrechter

Tegen deze uitspraak kan op grond van artikel 14 WAHV hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, binnen 6 weken na de hieronder vermelde dag van toezending. Hoger beroep is in beginsel alleen mogelijk als de boete in de uitspraak is bepaald op een bedrag van meer dan € 70,00. Het beroepschrift moet worden verzonden aan de afdeling Kanton van de rechtbank Noord-Holland, Postbus 251, 1800 BG Alkmaar. De wet gaat uit van een geheel schriftelijke procedure in hoger beroep, tenzij door u bij het beroepschrift uitdrukkelijk om een mondelinge behandeling van de zaak is verzocht. Het instellen van hoger beroep per e-mail is niet mogelijk.

Datum toezending: