Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2021:11117

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
01-12-2021
Datum publicatie
07-12-2021
Zaaknummer
19/1500
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Einduitspraak na tweede tussenuitspraak. Beroep gegrond. Verwerder heeft nog steeds onvoldoende onderbouwd dat het beoogde gebruik ter plaatse is toegestaan. Geen verwachting meer dat geconstateerde gebreken eenvoudig kunnen worden hersteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 19/1500


uitspraak van de meervoudige kamer van 1 december 2021 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: ),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Wormerland, verweerder.

Tevens heeft als derde-partij aan het geding deelgenomen:

[derde belanghebbende] , rechtsopvolger van [naam 1] .

Procesverloop

In het besluit van 18 februari 2019 (het bestreden besluit I) heeft verweerder aan derde partij een omgevingsvergunning verleend betreffende het adres [adres] te [woonplaats] voor het bouwen van een tankpark voor de opslag van natuurlijke oliën en vetten, voor het bouwen in afwijking van de in het bestemmingsplan opgenomen regels en voor het veranderen van een inrichting.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

[derde belanghebbende] heeft een zienswijze kenbaar gemaakt.

De meervoudige kamer van de rechtbank heeft het beroep op 26 augustus 2020 op zitting behandeld. Eiser is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. drs. [naam 2] , kantoorgenoot van de gemachtigde van eiser. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam 3] , [naam 4] en [naam 5] . Namens [derde belanghebbende] zijn verschenen [naam 6] (adviseur) en [naam 7] en [naam 8] .

Op 26 oktober 2020 heeft de rechtbank een tussenuitspraak gedaan (tussenuitspraak I).

Verweerder heeft op 1 december 2020 een nieuw besluit genomen naar aanleiding van de tussenuitspraak (het bestreden besluit II).

Door en namens eiser is op het nieuwe besluit gereageerd.

Op 19 februari 2021 heeft de rechtbank andermaal een tussenuitspraak gedaan (tussenuitspraak II) en verweerder in de gelegenheid gesteld het in die tussenuitspraak geconstateerde gebrek te herstellen.

Op 31 maart 2021 heeft verweerder naar aanleiding van de tussenuitspraak II een nieuw besluit genomen (het bestreden besluit III). Er is een nieuwe omgevingsvergunning verleend voor het hiervoor genoemde tankpark.

Bij brief van 17 mei 2021 heeft eiser zijn reactie hierop aan de rechtbank kenbaar gemaakt.

De rechtbank heeft het onderzoek gesloten en doet zonder nadere zitting uitspraak.

Overwegingen

1. Deze uitspraak bouwt voort op de hiervoor genoemde tussenuitspraken. De rechtbank blijft bij al wat zij in de tussenuitspraken I en II heeft overwogen en beslist.

2. In tussenuitspraak I heeft de rechtbank - voor zover van belang - overwogen dat de bestreden besluitvorming geen stand kan houden, omdat niet getoetst is aan het bestemmingsplan Bedrijventerreinen van de gemeente Wormerland (het bestemmingsplan Bedrijventerreinen). Daarbij is verweerder in de gelegenheid gesteld om het geconstateerde gebrek te herstellen, door alsnog te toetsen aan het juiste bestemmingsplan.

3. Verweerder heeft in dat kader, ter herstel van het geconstateerde gebrek, het bestreden besluit II genomen, waarbij alsnog is getoetst aan het bestemmingsplan Bedrijventerreinen.

3.1

Op 21 februari 2021 heeft de rechtbank naar aanleiding van dat besluit opnieuw een tussenuitspraak gedaan: tussenuitspraak II. Daarin heeft de rechtbank - voor zover van belang - overwogen dat het geconstateerde gebrek nog niet (volledig) is hersteld, omdat daarin zonder afdoende onderbouwing is aangenomen dat de uitbreiding van de inrichting past binnen de ter plaatse geldende bestemming Bedrijventerrein – 2, als bedoeld in artikel 4 van de planregels van het bestemmingsplan Bedrijventerreinen.

3.2

De rechtbank heeft er daarbij op gewezen dat de vergunde bedrijfsactiviteit “op- en overslag van oliën en vetten” niet als zodanig staat vermeld in “Staat 1: Staat van bedrijfsactiviteiten I – Functiescheiding” (Staat 1) als bedoeld in artikel 4.1, onder a, van de planregels. Verder is de rechtbank niet gebleken dat toepassing is gegeven aan het bepaalde in artikel 4.5 van de planregels door de vergunde bedrijfsactiviteit (het bedrijf) gelijk te stellen met een bedrijfsactiviteit die wel is genoemd in de Staat 1. Indien dat wel is gedaan, is onduidelijk met welke bedrijfsactiviteit de vergunde activiteit (volgens verweerder) is gelijk te stellen. Een afdoende motivering van de stelling dat de activiteit past binnen de bestemming (bedrijventerrein – 2) ontbreekt daarom.

3.3

De rechtbank heeft verweerder daarom met de tussenuitspraak II in de gelegenheid gesteld dit geconstateerde gebrek te herstellen.

4.1

In reactie hierop heeft verweerder andermaal een nieuw besluit genomen (het bestreden besluit III).

4.2

Daarin heeft verweerder - voor zover van belang - overwogen dat [derde belanghebbende] plantaardige vetten en oliën opslaat en overslaat, dat deze vetten en oliën worden gebruikt in de voedingsmiddelenindustrie, de veevoederindustrie en de cosmetica-industrie en dat binnen de inrichting geen verdere bewerkingen van de oliën en vetten plaatsvinden. De vetten worden volgens verweerder alleen opgeslagen in geïsoleerde, verwarmde silo’s.

Deze activiteiten worden volgens verweerder niet letterlijk genoemd in de Staat 1. Er is daarom volgens verweerder strijd met het bepaalde in artikel 4.1a van de planregels. Op grond van het bepaalde in artikel 4.5 van de planregels mag echter toch een omgevingsvergunning verleend worden voor een activiteit die niet wordt genoemd in Staat 1, als het bedrijf, voor wat betreft de aard en omvang van de milieuhinder die het veroorzaakt, gelijk gesteld kan worden met een bedrijf dat wel genoemd is in Staat 1. Dat is volgens verweerder hier het geval.

4.3

De activiteiten van [derde belanghebbende] komen volgens verweerder het meeste overeen met de in Staat 1 genoemde “groothandel in akkerbouwproducten en veevoeders” (SBI 2008 4621-0) en “groothandel in vlees, vleeswaren, zuivelproducten, eieren en spijsoliën” (4632, 4633), omdat de activiteiten zowel bij [derde belanghebbende] als bij genoemde groothandels bestaan uit het voor eigen rekening en risico verhandelen van goederen die buiten de onderneming zijn vervaardigd en aan bedrijfsmatige (niet consumptieve) afnemers wordt afgeleverd. Redengevend hiervoor is ook dat de oliën, zoals die bij [derde belanghebbende] op- en overgeslagen worden, ook worden gebruikt voor het vervaardigen van veevoeders en dat de oliën en vetten van [derde belanghebbende] evenals akkerbouwproducten voortkomen uit geteelde planten (koolzaadolie, palmolie, olijfolie). De activiteiten van [derde belanghebbende] sluiten ook daarom volgens verweerder aan bij de activiteiten van genoemde groothandel in akkerbouwproducten en veevoeders en bij de groothandel in vlees, vleeswaren, zuivelproducten, eieren en spijsoliën.

5. Eiser heeft hierop gemotiveerd gereageerd. Volgens eiser mag artikel 4.5 van de planregels in dit geval niet worden toegepast, omdat verweerder slechts heeft vastgesteld dat de activiteiten het meest overeenkomen met de activiteiten als genoemd in het bestreden besluit III, en dat is niet voldoende. Artikel 4.5 van de planregels mag volgens eiser alleen worden toegepast als de activiteiten qua milieubelasting gelijk te stellen zijn met een categorie van bedrijfsactiviteiten als bedoeld in Staat 1. Daarbij komt dat het bij [derde belanghebbende] niet slechts gaat om een groothandelsfunctie, maar ook een industrieel proces van menging van oliën en vetten, als grondstof of halffabricaat.

6.1

Vast staat dat bij [derde belanghebbende] niet alleen sprake is van opslag en overslag, zoals bij de door verweerder genoemde groothandelsfuncties, maar in ieder geval ook van menging, wat mogelijk als bewerking moet worden gezien. Verweerder heeft aan dit, voor de beoordeling van de milieueffecten mogelijk relevante, onderscheid in het bestreden besluit III geen aandacht geschonken. Vergelijk hiervoor bijvoorbeeld in Staat 1 nr. 4637 “Grth in koffie, thee, cacao en specerijen” (cat. 2) en nr. 1083-2 “theepakkerijen” (cat. 3.2), waarbij - naar het zich laat aanzien - onder andere de menging van de thee (tot blends) een verschil uitmaakt voor de milieucategorie.

6.2

Ook heeft verweerder de verwerkingscapaciteit van de oliën en vetten niet bij zijn oordeelsvorming betrokken, terwijl de capaciteit bij “Grth in akkerbouwproducten en veevoeders” wel van belang wordt geacht voor de categorie-indeling (4621-0 en 4621-1). Zo wordt bij “Grth in akkerbouwproducten en veevoeders” bij een verwerkingscapaciteit van minder dan 500 ton per uur uitgegaan van categorie 3.1 (4621-0), maar bij een hogere capaciteit van categorie 4.2 (4621-1). Verweerder heeft onvoldoende inzichtelijk gemaakt waarom bij de beoordeling aan de verwerkingscapaciteit van [derde belanghebbende] geen aandacht is besteed.

6.3

Daarnaast valt op dat verweerder ook de overslag niet afzonderlijk bij de beoordeling heeft betrokken. In Staat 1 “laad-, los, en overslagbedrijven tbv binnenvaart” (52242) valt op dat alle bedrijven waarbij overslag plaatsvindt vanaf een schip zijn ingedeeld in categorie 4.2 “Goederenwegvervoerbedrijven” met een bedrijfsoppervlak van meer dan 1.000m2 (494) in categorie 3.2 vallen, mogelijk vanwege het af en aan rijden van vrachtwagens; hetgeen bij [derde belanghebbende] ook gebeurt. Voor de rechtbank valt zonder nadere toelichting niet goed in te zien waarom de overslag door [derde belanghebbende] , waar de producten per schip worden aangeleverd, vervolgens worden gelost en opgeslagen in een tank en vervolgens weer in een vrachtwagen (en/of schip) worden afgevoerd, een andere minder zware milieubelasting zou hebben dan die van de hiervoor genoemde activiteiten.

6.4

Ook het feit dat een groothandel in minerale olieproducten (brandstoffen uitgezonderd) in Staat 1 is ingedeeld in categorie 3.2 (46713) en niet in categorie 3.1 vormt voor de rechtbank een aanwijzing dat de milieubelasting van de activiteiten van [derde belanghebbende] mogelijk groter is dan die van een “Grth in akkerbouwproducten en veevoeders” (4621-0).

6.5

Overigens valt ook op dat op de website van [derde belanghebbende] is aangegeven dat hun producten gebruikt kunnen worden als biobrandstof. Een groothandel in brandstoffen is in de Staat 1 ingedeeld in categorie 4.1 (46712-1). Verweerder heeft onder andere de brandbaarheid/ontvlambaarheid van de biobrandstof niet onderzocht, en derhalve niet gemotiveerd waarom niet bij de bedrijfsactiviteiten van een groothandel in brandstoffen zou moeten worden aangesloten. Als dat (deels) zou moeten zou dat mogelijk resulteren in een hogere categorie dan 3.1.

6.6

De rechtbank is mede vanwege de hiervoor genoemde punten van oordeel dat eiser zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de motivering van de toepassing van artikel 4.5 van de planregels ontoereikend is. De rechtbank benadrukt hierbij bovendien dat, zoals eiser terecht heeft gesteld, voor toepassing van artikel 4.5 van de planregels niet zozeer van belang is met welke bedrijfsactiviteiten de activiteiten van [derde belanghebbende] het meeste gelijkenis vertonen, maar dat slechts van belang is of de bedrijfsvoering qua aard en omvang van de milieuhinder gelijk kan worden gesteld met een bedrijfsvoering als genoemd in Staat 1. Niet gebleken is dat verweerder dit zo heeft beoordeeld.

7. Zonder nadere en afdoende toelichting op onder meer bovengenoemde op de milieubelasting betrekking hebbende punten valt niet in te zien waarom de activiteiten van [derde belanghebbende] qua milieubelasting gelijk te stellen zouden zijn met de door verweerder genoemde groothandels (die zijn ingedeeld in categorie 3.1). Nu er ook aanwijzingen zijn dat een hogere milieucategorie passend zou zijn, is die gelijkstelling onvoldoende gemotiveerd.

8. De rechtbank zal het beroep daarom gegrond verklaren. Ook het bestreden besluit III ontbeert een voldoende deugdelijke grondslag en is daarom genomen in strijd met het bepaalde in artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

9.1

De rechtbank zal verweerder niet andermaal in de gelegenheid stellen om het geconstateerde gebrek te herstellen. Redengevend hiervoor is dat verweerder daar al twee maal toe in de gelegenheid is gesteld, maar daar niet in is geslaagd. De rechtbank gaat er mede daarom niet langer meer van uit dat het geconstateerde gebrek zich (eenvoudig) laat herstellen.

9.2

Daarbij komt dat als de milieubelasting van de activiteiten van [derde belanghebbende] toch hoger blijkt dan de belasting behorende bij de ter plaatse toegestane categorie 3.1 als bedoeld in Staat 1, de activiteiten niet vergunbaar zijn met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, ten eerste, van de Wabo. Deze activiteiten kunnen dan, tenzij toepassing kan worden gegeven aan het bepaalde in artikel 2.12, eerste lid, onder a ten tweede van de Wabo, alleen na het doorlopen van een uniforme openbare voorbereidingsprocedure worden vergund. Ook daarom acht de rechtbank het bieden van een (nieuwe) herstelmogelijkheid niet opportuun.

10. De rechtbank zal, gelet op hetgeen in de tussenuitspraken I, II en in deze uitspraak is overwogen, het beroep gegrond verklaren en de bestreden besluiten I, II en III vernietigen.

Dit betekent dat verweerder opnieuw zal moeten besluiten op de aanvraag van [derde belanghebbende] met inachtneming van hetgeen de rechtbank in de tussenuitspraken I en II en in deze uitspraak heeft overwogen.

11. Omdat het beroep gegrond is, zal de rechtbank verweerder veroordelen tot vergoeding van de proceskosten van eiser. De vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht begroot op € 2.244,- punten (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting en 2 maal een 0,5 punt voor de reacties van eiser na de tussenuitspraken I en II, met een waarde per punt van € 748,-, bij een wegingsfactor 1).

12. De rechtbank zal daarbij bepalen dat verweerder eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt de bestreden besluiten I, II en III;

  • -

    draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen op de aanvraag van [derde belanghebbende] met inachtneming van hetgeen de rechtbank in deze uitspraak en de tussenuitspraken I en II heeft overwogen;

  • -

    bepaalt dat verweerder eiser het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van

€ 174,- vergoedt;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser begroot op € 2.244,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.H.A.C. Everaerts, voorzitter, en mr. J.J. Maarleveld en mr. T.J.H. Verstappen, leden, in aanwezigheid van mr. E. Degen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 1 december 2021.

griffier

rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak en de tussenuitspraak/tussenuitspraken, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.