Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2021:10830

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
23-08-2021
Datum publicatie
25-11-2021
Zaaknummer
C/15/318737 HA RK 21/148
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

wrakingsverzoek wordt afgewezen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beslissing

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Wrakingskamer

zaaknummer / rekestnummer: C/15/318737 HA RK 21/148

Beslissing van 23 augustus 2021

op het verzoek tot wraking ingediend door:

[verzoeker],

wonende te [woonplaats],

verzoeker.

Het verzoek is gericht tegen:

mr. N. Cuvelier,

hierna te noemen: de rechter.

1 Procesverloop

1.1.

Verzoeker heeft op 26 juli 2021 schriftelijk de wraking verzocht van de rechter van de zitting van 21 juli 2021 in de bij deze rechtbank, Sectie Familie & Jeugd, locatie Alkmaar, aanhangige zaak met als zaak- en rekestnummer C/15/307639 FA RK 20-5029, hierna te noemen: de hoofdzaak. Verzoeker heeft de wrakingsgronden bij brief van 26 juli 2021 uiteengezet.

1.2.

De rechter heeft niet in de wraking berust.

1.3.

Het verzoek is vervolgens behandeld ter zitting van de wrakingskamer van 23 augustus 2021. Verzoeker en de rechter zijn in de gelegenheid gesteld te worden gehoord. Verzoeker en de rechter zijn beiden verschenen.

1.4.

De wrakingskamer heeft na een schorsing direct na afloop van de mondelinge behandeling van het verzoek uitspraak gedaan.

2 Het standpunt van verzoeker

2.1.

Verzoeker heeft ter onderbouwing van zijn verzoek vijf gronden aangevoerd waaruit zou blijken dat de rechter de schijn van vooringenomenheid heeft gewekt dan wel dat zij partijdig is geweest. Voorafgaand aan de uiteenzetting van de gronden, heeft verzoeker aangevoerd overrompeld te zijn geweest door het feit dat mr. Cuvelier de zaak ter zitting zou behandelen en niet de door hem verzochte regierechter mr. Roubos, die reeds bekend was met het complexe dossier van partijen en de daarin beschreven problematiek.

Verzoeker heeft allereerst gesteld dat de rechter ter zitting meerdere malen heeft aangestuurd op het belang van het opstarten van systeemtherapie, terwijl uit de stukken duidelijk blijkt dat dit geen kans van slagen heeft.

Ten tweede zou de rechter ter zitting hebben aangegeven dat zij er niet op zat te wachten zaken uit het verleden met partijen te bespreken. Dit kan door verzoeker niet in een juridisch context worden geplaatst, aangezien kennis met betrekking tot kwesties uit het verleden van wezenlijk belang zijn bij de besluitvorming omtrent de voorliggende verzoeken.

Ten derde heeft de rechter volgens verzoeker in twijfel getrokken of er in dit geval sprake is van ouderverstoting. De rechter heeft dat namelijk ter zitting gevraagd, terwijl het dossier hiervoor voldoende aanwijzingen bevat. Het schuiven van ouderverstoting onder de noemer dat ouders beter hun best moeten doen geeft aanleiding te twijfelen aan onafhankelijke uitoefening van het voorzitterschap.

Ten vierde heeft de rechter zich tegenover verzoeker laten ontvallen dat zij er niet in was geïnteresseerd hoe ouders over elkaar denken, terwijl verzoeker zich in de stukken juist heeft onthouden van een persoonlijke mening over zijn ex-partner, en zich slechts heeft gebaseerd op bevindingen van hulpverleners en raadsonderzoekers.

Ten vijfde heeft verzoeker gesteld dat de rechter meer dan eens heeft gerefereerd aan het aantal zittingen dat heeft plaatsgevonden, waarbij zij de link leek te willen leggen met de belasting die dit voor de kinderen zou meebrengen. De rechter heeft daarbij ten onrechte gewezen op de gedeelde verantwoordelijkheid van ouders, terwijl uit de stukken blijkt dat de betrokken hulpverlening duidelijk heeft gemaakt dat de kinderen juist de emoties van de moeder als belastend ervaren. Daar komt bij dat de rechter niet aan de kinderen had moeten vragen wat hun mening was over de gezagskwestie, aangezien deze vraagstelling de kinderen juist in een loyaliteitsconflict kan brengen. Dit acht verzoeker onprofessioneel en niet in lijn met verschillende rapporten en onderzoeken (waaronder het rapport ‘Scheiden en de kinderen dan?’ van februari 2018 en het tussenrapportage expertteam ouderverstoting complexe omgangsproblematiek van januari 2021).

Uit voornoemde vijf punten kan volgens verzoeker worden geconcludeerd dat de rechter de stukken niet, althans onvoldoende tot zich heeft genomen, dat zij onvoldoende kennis heeft van de problematiek die speelt, dat zij bepaalde zaken sociaal wenselijk in het midden wil leggen of doelbewust een keuze maakt om de moeder te bevoordelen.

2.2

Al deze omstandigheden leiden naar de mening van verzoeker naar een schijn van partijdigheid en vooringenomenheid van de rechter.

2.3.

Ter zitting heeft verzoeker zijn gronden voor de wraking nader toegelicht en ter onderbouwing tevens gewezen op diverse rapporten en onderzoeken.

3 Het standpunt van de rechter

3.1.

De rechter heeft op 5 augustus 2021 schriftelijk en ter zitting mondeling als volgt gereageerd op het wrakingsverzoek.

Dat mr. Roubos de zaak niet ter zitting heeft behandeld, is een kwestie waar de rechter geen invloed op heeft. De zaak is volgens het rooster aan de rechter toebedeeld. De rechter heeft niet alle oude/onderliggende dossiers gelezen, juist om een frisse blik op de zaak te hebben. Zij heeft aan het begin van de zitting een samenvatting gegeven van de relevante stukken in de aanhangige procedure en de vraagpunten die voorlagen en heeft gevraagd of er aanvullingen of opmerkingen waren, wat niet het geval was. Wat betreft het horen van de kinderen, is verzoeker ter zitting uitgelegd dat kinderen vanaf 12 jaar op grond van de wet in de gelegenheid gesteld worden om hun standpunt naar voren te brengen omtrent het verzoek in de hoofdzaak. In overleg en met toestemming van de kinderen is hun standpunt ter zitting samengevat voor de betrokkenen. De rechter heeft verder benadrukt dat zij vindt dat de behandeling van de zaak ter zitting in een goede sfeer is verlopen en dat zij beide partijen ruimschoots de gelegenheid heeft geboden om hun standpunt naar voren te brengen. Daarbij heeft zij partijen wel kritische vragen gesteld om belangrijke informatie boven tafel te krijgen, wat de taak van de rechter is. Daarnaast heeft de rechter bevestigd dat zij verzoeker een enkele keer heeft onderbroken ter zitting, maar dit deed zij met het doel om standpunten uit te wisselen, wat van belang is voor een zorgvuldige belangenafweging.

4 De beoordeling

4.1.

Ingevolge artikel 37, eerste lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) dient een verzoek tot wraking te worden gedaan zodra de feiten of omstandigheden die grond geven voor de wraking aan de verzoeker bekend zijn geworden. Ter beoordeling staat in de eerste plaats of het wrakingsverzoek tijdig is gedaan.

Uit de inhoud van het verzoek volgt dat het is gedaan naar aanleiding van de zitting van
21 juli 2021. Eerst op 26 juli 2021 heeft verzoeker het wrakingsverzoek ingediend. Verzoeker heeft in het verzoek toegelicht dat het verzoek niet eerder is ingediend omdat hij op de dag van de zitting voor zijn werk naar het buitenland is vertrokken en pas op 25 juli 2021 is teruggekeerd. De wrakingskamer is, gelet op deze toelichting, van oordeel dat het verzoek tijdig is ingediend en zal overgaan tot een inhoudelijke beoordeling van dit verzoek.

4.2.

Een rechter kan worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Uitgangspunt daarbij is dat de rechter uit hoofde van zijn aanstelling wordt vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing vormen dat een rechter jegens een partij een vooringenomenheid koestert (de zogenaamde subjectieve toets). Daarnaast kan de vrees voor partijdigheid objectief gerechtvaardigd zijn indien sprake is van feiten of omstandigheden die, geheel afgezien van de persoonlijke instelling van de rechter, grond geven om te vrezen dat de rechter niet onpartijdig is, waarbij ook de (te vermijden) schijn van partijdigheid van belang is. Die feiten of omstandigheden moeten zwaarwegende redenen opleveren voor objectiveerbare twijfel aan de onpartijdigheid van de rechter (de zogenaamde objectieve toets). Het subjectieve oordeel van verzoeker is voor de beoordeling van beide toetsen wel van belang, maar niet doorslaggevend.

4.3.

Uit het wrakingsverzoek en de toelichting daarop blijkt niet dat er aanwijzingen zijn voor het oordeel dat de rechter jegens verzoeker enige vooringenomenheid koestert dan wel dat haar handelen op zitting grond heeft gegeven voor de vrees dat het haar aan onpartijdigheid ontbreekt. Daartoe wordt het volgende overwogen.

4.4.

De verzoeker heeft er allereerst op gewezen dat niet is gereageerd op zijn schriftelijke verzoek om een regierechter toe te wijzen en dat hij erdoor was overrompeld dat de zaak ter zitting niet door mr. Roubos maar door de rechter werd behandeld. De wrakingskamer stelt vast dat de hoofdzaak door de planning aan de rechter volgens het rooster is toebedeeld en dat de rechter daar geen invloed op heeft gehad. Weliswaar is verzuimd uiterlijk twee werkdagen voor de zitting aan partijen kenbaar te maken welke rechter de zaak ter zitting zou behandelen, zoals voorgeschreven in het geldende zaakstoedelingsreglement, maar dit verzuim is gelegen op organisatieniveau en kan deze individuele rechter niet worden aangerekend.

Ook het feit dat bij de zitting niet de raadsonderzoeker maar een zittingsvertegenwoordiger aanwezig was, is een omstandigheid waar de Raad voor de Kinderbescherming verantwoordelijk voor is en waarop de rechter geen invloed heeft.

4.5.

Vervolgens zal de wrakingskamer ingaan op een aantal inhoudelijke argumenten die verzoeker naar voren heeft gebracht. De door verzoeker aangehaalde rapporten en documenten (o.a. waaronder het rapport ‘Scheiden en de kinderen dan?’ van februari 2018, het tussenrapportage expertteam ouderverstoting complexe omgangsproblematiek van juni 2020 en het rapport van Nick Woodall over kinderen in echtscheidingssituaties) geven -kort samengevat- belangrijke adviezen over hoe zou moeten worden omgegaan met kinderen in echtscheidingssituaties en het effect daarvan op de kinderen. Hoewel het wellicht wenselijk zou zijn om bepaalde onderdelen uit voornoemde rapporten in de wetgeving te implementeren, dient de rechter uit te gaan van wat op dit moment in de wet is bepaald. Zo is in de huidige wetgeving geregeld dat de rechter kinderen van 12 jaar en ouder in de gelegenheid moet stellen hun standpunt over het voorliggende verzoek naar voren te brengen. Dit heeft de rechter gedaan. Uit niets blijkt dat de rechter hierbij onzorgvuldig heeft gehandeld en van enige vorm van partijdigheid en/of vooringenomenheid daarbij is de wrakingskamer niet gebleken.

4.6.

Wat betreft de stelling van verzoeker dat de rechter ter zitting heeft aangestuurd op systeemtherapie terwijl dit volgens verzoeker een gepasseerd station was, oordeelt de wrakingskamer dat de rechter uitging van de informatie die uit de (recente) stukken was gebleken. Zij heeft ter zitting ter bespreking aansluiting gezocht bij het standpunt van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) en de Jeugd & Gezinsbeschermers (hierna: de J&G), die in een dergelijke zaak een informerende en adviserende rol hebben aan de rechtbank. Het is juist de taak van de rechter om partijen voor te leggen wat uit de stukken is gebleken en dit ter zitting te toetsen. Uit het proces-verbaal van de zitting blijkt dat verzoeker ruimschoots de gelegenheid heeft gekregen zijn standpunt over eventuele systeemtherapie naar voren te brengen en dat de rechter aan verzoeker heeft gevraagd welke vorm van therapie hij zelf geschikt zou vinden. Naar het oordeel van de wrakingskamer staat derhalve vast dat het beginsel van hoor en wederhoor op correcte wijze is toegepast en dat zij invulling heeft gegeven aan haar toetsende taak, zonder dat de rechter daarbij blijk heeft gegeven van partijdigheid of vooringenomenheid.

4.7.

Voorts stelt verzoeker dat de rechter ten onrechte in twijfel heeft getrokken dat sprake is van ouderverstoting. Uit het verhandelde ter zitting leidt de wrakingskamer af dat het in dat kader beoogde gezinsonderzoek door Koppejan en Benschop geen doorgang heeft gevonden, waardoor geen objectieve conclusie is getrokken wat betreft ouderverstoting binnen dit gezin. Uit het proces-verbaal van de zitting van 21 juli jl. blijkt wel dat namens de J&G is meegedeeld dat er mogelijk signalen van ouderverstoting aanwezig zijn. De Raad heeft verklaard dat er geen actuele alarmbellen zijn voor ouderverstoting. Naast deze standpunten is een concrete vaststelling van ouderverstoting door een expert vooralsnog achterwege gebleven.

Tegen de achtergrond van deze informatie is de vraagstelling van de rechter of er op dit moment sprake is van ouderverstoting niet onbegrijpelijk, zeker niet nu de vraagstelling ook zag op de andere kinderen in het gezin. De rechter heeft beide partijen vervolgens uitvoerig in de gelegenheid gesteld om hierop te reageren en hun standpunten te onderbouwen. De wrakingskamer ziet in de door de rechter gestelde vragen c.q. gemaakte opmerkingen over ouderverstoting geen aanwijzingen voor het aannemen van (de objectief gerechtvaardigde schijn van) partijdigheid of vooringenomenheid jegens verzoeker. Sterker, als de rechter zonder adequaat en recent concludent rapport en zonder partijen de gelegenheid te bieden zich daarover uit te laten, zou aannemen dat er sprake is van ouderverstoting, zoals verzoeker stelt, dan zou de wederpartij de rechter mogelijk kunnen betichten van vooringenomenheid.

4.8.

Dat de rechter zich tegenover verzoeker zou hebben laten ontvallen dat zij er niet in was geïnteresseerd hoe ouders over elkaar denken, leidt niet tot het oordeel dat zij vooringenomen was. Uit het proces-verbaal van de zitting volgt dat de rechter ook op dit onderdeel hoor en wederhoor heeft toegepast.

4.9.

Verzoeker heeft ter zitting nog aangevoerd dat de rechter ter zitting ten onrechte heeft aangenomen dat bij de moeder van de kinderen, nadat zij uit het ouderlijk gezag was geschorst, sprake is geweest van zelfreflectie. Uit het proces-verbaal van de zitting blijkt dat de rechter naar aanleiding van het pleidooi van de advocaat van de moeder onder meer heeft gezegd: “Dit lijkt toch te getuigen zelfreflectie?” Vervolgens heeft verzoeker hierop kunnen reageren en toelichten dat hij dit anders zag. Ook op dit punt is dus sprake geweest van hoor- en wederhoor, zonder dat de rechter al een oordeel over de zaak heeft gegeven.

4.10.

De door verzoeker aangevoerde feiten en omstandigheden leveren gelet op het voorgaande geen aanwijzingen op voor het oordeel dat de rechter jegens de verzoeker enige vooringenomenheid koestert en de door de verzoeker gestelde vrees van partijdigheid is niet objectief gerechtvaardigd. De rechtbank zal het verzoek daarom afwijzen.

5 Beslissing

De rechtbank

5.1.

wijst het verzoek tot wraking van de rechter af,

5.2.

beveelt de griffier onverwijld aan verzoeker en de rechter in de hoofdzaak een voor eensluidend gewaarmerkt afschrift van deze beslissing toe te zenden,

5.3.

beveelt dat het proces in de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond ten tijde van het indienen van het verzoek en beveelt dat de zaak daartoe in handen wordt gesteld van de voorzitter van het team Familie & Jeugd, locatie Alkmaar.

Deze beslissing is gegeven door mr. L.J. Saarloos, voorzitter, mr. S.I.A.C. Angenent-Bakker, en mr. N. Boots, leden van de wrakingskamer, in tegenwoordigheid van

mr. S. Nourozi Oranje, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 23 augustus 2021.

voorzitter griffier

Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.