Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2021:1008

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
05-02-2021
Datum publicatie
05-02-2021
Zaaknummer
15/871456-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling voor witwassen van meerdere geldbedragen door deze te investeren in een woning dan wel hiermee luxe auto’s aan te schaffen. Taakstraf 150 uur.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Team Straf, locatie Haarlemmermeer

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/871456-15 (P)

Uitspraakdatum: 5 februari 2021

Tegenspraak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 21 januari 2021 en 22 januari 2021 in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboorteplaats] te [geboortedatum]

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres 1]

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officieren van justitie

mr. J.J. van Bree en mr. M. Oudendijk (hierna verder aangeduid als: de officier van justitie) en van hetgeen de verdachte en haar raadsman mr. R.A. van der Horst, advocaat te Amsterdam, naar voren hebben gebracht.

1 Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

Feit 1:

zij in of omstreeks de periode van 26 juni 2006 tot en met 19 juli 2006, te Zwaag, gemeente Hoorn, althans in Nederland, van een of meer voorwerp(en), te weten, een of meer geldbedrag(en) (met een totaalwaarde van ongeveer 19.404,41 euro), (telkens) heeft overgedragen en/of omgezet en/of hiervan gebruik heeft gemaakt (door met die/deze geldbedrag(en) facturen van Rietdekbedrijf [bedrijf 1] / [naam 1] en/of [bedrijf 2] / [naam 2] ), terwijl zij, verdachte, (telkens) wist, althans redelijkerwijs moest vermoeden, dat die/dat voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig

was/waren uit enig misdrijf;

Feit 2:

zij in of omstreeks de periode van 17 september 2007 tot en met 17 december

2015, te Zwaag, gemeente Hoorn, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, van een of meer voorwerp(en), te weten een of meer geldbedrag(en) (met een totaalwaarde van ongeveer 86.700,00 euro), (telkens) heeft overgedragen en/of omgezet en/of hiervan gebruik heeft gemaakt (door met dit/die geldbedrag(en) de aankoop van (een) (andere/opvolgende) personenauto('s) al dan niet

gedeeltelijk te financieren), en/of van een of meer voorwerp(en), te weten een of meer personenauto('s) (onder meer):

- een Volkswagen Polo (kenteken: [kenteken 1] ) en/of

- een Mini Cooper (kenteken: [kenteken 2] ) en/of

- een Volkswagen Golf (kenteken: [kenteken 3] ) en/of

- een Mercedes-Benz B200 (kenteken: [kenteken 4] ) en/of

- een Mercedes-Benz C 220 (kenteken: [kenteken 5] ) en/of

- een Mercedes-Benz SLK 350 (kenteken: [kenteken 6] ) en/of

- een Mercedes-Benz CLA 200 (kenteken: [kenteken 7] ) en/of

(telkens) heeft overgedragen en/of omgezet en/of hiervan gebruik heeft gemaakt (door met die personenauto('s) te rijden en/of die personenauto('s) in te ruilen bij de aankoop van (een) (andere/opvolgende) personenauto), terwijl zij, verdachte, (telkens) wist, althans redelijkerwijs moest vermoeden, dat die/dat voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf;

Feit 3:

zij in of omstreeks de periode van 16 december 2005 tot en met 17 december 2015, te Zwaag, gemeente Hoorn, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, van een of meer voorwerp(en), te weten een of meer geldbedrag(en) (met een totaalwaarde van ongeveer 26.000,00 euro), (telkens) voorhanden heeft gehad,

heeft overgedragen en/of omgezet en/of hiervan gebruik heeft gemaakt, (telkens) de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding of de verplaatsing heeft verborgen of verhult en/of voorhanden heeft gehad en/of omgezet en/of van gebruik gemaakt, terwijl zij, verdachte, (telkens) wist, althans redelijkerwijs moest vermoeden, dat die/dat voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf.

2 Voorvragen

Geldigheid van de dagvaarding

De raadsman heeft ten aanzien van feit 3 betoogd dat de dagvaarding nietig dient te worden verklaard wegens strijd met het in artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering besloten liggende vereiste van voldoende bepaaldheid. Allereerst is volgens de raadsman onduidelijk over welke in totaal ongeveer € 26.000,- het in de tenlastelegging gaat. Voor zover de rechtbank van oordeel is dat voldoende duidelijk is dat de tenlastelegging verband houdt met een door [naam 3] aan de verdachte verstrekte lening van € 26.000,-, neemt dat de onduidelijkheid niet voldoende weg. In dat geval blijkt immers nog altijd niet welk geldbedrag volgens het openbaar ministerie van misdrijf afkomstig is; het geldbedrag dat [naam 3] (in twee tranches) aan de verdachte heeft uitgeleend of het geld waarmee de verdachte hem in diverse deelbetalingen heeft terugbetaald.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat duidelijk is tegen welk verwijt de verdachte zich dient te verdedigen. Het dossier bevat maar één bedrag van € 26.000,- en dit betreft een lening van [naam 3] aan de verdachte. De begindatum van de ten laste gelegde periode is de dag waarop de eerste tranche van deze lening is verstrekt. Uit de inhoud van het dossier blijkt voldoende dat het verwijt ziet op het terugbetalen van dit geldbedrag door de verdachte.

De rechtbank overweegt hierover als volgt.

De inhoud van de tenlastelegging wordt niet alleen beoordeeld aan de hand van de letterlijke tekst maar moet mede worden bezien in samenhang met de inhoud van het dossier.

De tenlastelegging voldoet naar het oordeel van de rechtbank aan de daaraan te stellen eisen nu deze een voldoende duidelijke alsook een voldoende feitelijke opgave inhoudt van het strafbare feit dat aan de verdachte wordt verweten. De tenlastelegging is dus in zoverre in overeenstemming met de eisen die artikel 261 Sv stelt. Het onderzoek Opus bestaat uit diverse zaaksdossiers. In zaaksdossier 4 met de naam ‘Leningen’ worden meerdere leningen uitgewerkt, waaronder lening 1a + 1b [naam 3] van (in totaal) € 26.000,-. Bezien tegen de achtergrond van de inhoud van dit zaaksdossier en de daarin tegen de verdachte geformuleerde verdenking, kan bij haar redelijkerwijs geen twijfel bestaan dat de in de tenlastelegging neergelegde witwasverdenking betrekking heeft op de (contante) terugbetaling van deze lening aan [naam 3] . Aldus moet het voor de verdachte duidelijk zijn wat haar wordt verweten en waartegen zij zich dient te verdedigen. Dat dit het geval is blijkt ook uit (de inhoud van) het ter zake gevoerde verweer.

De dagvaarding is dus geldig.

Overige voorvragen

Verder is deze rechtbank bevoegd tot kennisneming van de zaak, is het Openbaar Ministerie ontvankelijk in zijn vervolging en zijn er geen redenen voor schorsing van de vervolging.

3 Beoordeling van het bewijs

3.1

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de onder 1 tot en met 3 aan de verdachte ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend kunnen worden bewezen. Hij heeft daartoe, zakelijk weergegeven, het volgende aangevoerd.

Het verwijt dat de verdachte onder feit 1 wordt gemaakt, is dat zij de facturen voor de rietbedekking van de kap van de woning aan de [adres 2] in Zwaag heeft betaald met contante geldbedragen die van misdrijf afkomstig zijn, nu deze betalingen, gelet op haar bescheiden inkomen, niet uit legale bron kunnen worden verklaard. De verdachte heeft over de herkomst van deze geldbedragen pas in een zeer laat stadium, namelijk ter terechtzitting, een verklaring gegeven. Deze verklaring houdt in dat het geld voor de reparatie van het dak destijds contant aan haar is geschonken door haar vader. Het late tijdstip van deze verklaring maakt dat deze niet meer verifieerbaar is. De verklaring kan het vermoeden van witwassen daarom niet ontzenuwen.

Hetzelfde geldt voor de contante gelden tot een totaal van € 26.000, ten laste gelegd onder feit 3, die de verdachte in de loop der jaren aan [naam 3] heeft betaald. Ook hierbij is sprake van een vermoeden van witwassen, nu het inkomen van de verdachte ontoereikend was om deze betalingen te kunnen doen en van een regelmatig patroon van contante opnames om de lening af te lossen niet is gebleken. Op de terechtzitting heeft de verdachte verklaard dat zij jaarlijks contante schenkingen van haar vader ontving en hiermee een gedeelte van de betalingen aan [naam 3] heeft gefinancierd. Het late tijdstip van deze verklaring maakt dat deze niet meer verifieerbaar is, zodat de verklaring het vermoeden van witwassen niet kan ontzenuwen.

Ten aanzien van het onder feit 2 tenlastegelegde heeft de officier van justitie aangevoerd dat de verdachte niet over voldoende legale inkomsten kon beschikken om de (bij)betalingen voor de aanschaf van de in de tenlastelegging genoemde auto’s te voldoen. De pas ter terechtzitting door de verdachte afgelegde verklaringen dat zij over geld kon beschikken door de verkoop van pups en dat een van de betalingen met geld van haar zoon is gedaan, zijn onvoldoende onderbouwd en vanwege het late tijdstip waarop zij zijn gedaan, niet te verifiëren. Voor zover de (bij)betalingen zijn gedaan door [naam 4] , een goede vriend van de familie, is in de visie van de officier van justitie sprake van een schijnconstructie die moet verhullen dat deze (bij)betalingen in werkelijkheid voor rekening van de verdachte zijn gekomen. De officier van justitie is van mening dat het niet anders kan dan dat sprake is van betalingen met geld dat van misdrijf afkomstig is.

3.2

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte integraal moet worden vrijgesproken. Hij heeft hiertoe, zakelijk weergegeven, het volgende aangevoerd.

De verdachte heeft ten aanzien van het onder feit 1 ten laste gelegde contante geldbedrag waarmee zij de rieten kap heeft betaald een concrete, verifieerbare en niet hoogst onwaarschijnlijke verklaring afgelegd, namelijk dat zij in 2006 een bedrag van € 20.000,- geschonken heeft gekregen van haar vader.

Ditzelfde geldt voor de onder feit 3 ten laste gelegde terugbetaling van de geldlening van
€ 26.000,-. De verdachte heeft deze lening maandelijks afgelost met bedragen van minimaal € 200,-. Zij had destijds een regulier inkomen en voerde een gezamenlijke huishouding met haar moeder, die ook inkomsten ontving. Voorts ontving de verdachte jaarlijks een schenking van haar vader.

Ten aanzien van feit 2 heeft de verdediging bepleit dat de verdachte moet worden vrijgesproken omdat geen sprake is van enig uit misdrijf verkregen goed. Ter onderbouwing van dit standpunt is – kort samengevat – het volgende naar voren gebracht.

Auto 1, 2, 4

De verdachte heeft inkomsten gehad uit de verkoop van hondenpups (ras Amerikaanse bulldog). Met dit geld heeft zij de aankoop van de Mercedes B200 (kenteken: [kenteken 8] , auto 4) gefinancierd. Deze Mercedes B200 (auto 4) is vervolgens door [naam 4] voor de verdachte ingeruild voor een bedrag van € 14.500,-. Dit bedrag heeft [naam 4] in contanten aan de verdachte gegeven. De verdachte heeft dat geld gebruikt voor de betalingen bij de aankopen van de Volkswagen Polo (kenteken: [kenteken 1] , auto 1) en daaropvolgend de Mini Cooper (kenteken: [kenteken 2] , auto 2).

Auto 3

De bijbetaling voor de Volkswagen Golf (kenteken: [kenteken 3] , auto 3) is gedaan met geld van de zoon van de verdachte omdat deze auto voor hem was bestemd. Dit geld had hij verdiend door te werken. Omdat haar zoon op het moment van de koop nog geen 18 jaar oud was, is de auto op naam van de verdachte gezet.

Auto 5, 6

De Mercedes C220 (kenteken [kenteken 5] , auto 5) is door [naam 4] gekocht en betaald. Uit het feit dat bij die aankoop de Mercedes B200 (auto 4) is ingeruild kan niet worden afgeleid dat sprake is van een schijnconstructie en de Mercedes C220 (auto 5) in werkelijkheid was bedoeld voor, en betaald door, de verdachte. Dat [naam 4] de Mercedes B200 (auto 4) heeft ingeruild was een vriendendienst, hij kon er een goede prijs voor krijgen. De Mercedes C220 (auto 5) is vervolgens ingeruild door [naam 4] toen hij de Mercedes SLK (kenteken: [kenteken 6] , auto 6) kocht. Ook de bijbetaling voor deze auto is contant door [naam 4] gedaan.

Auto 7

Tot slot is de Mercedes CLA (kenteken: [kenteken 7] , auto 7) aangeschaft door de verdachte. Bij deze aankoop heeft de verdachte de Mercedes SLK van [naam 4] (auto 6) ingeruild. Ook het geld voor de contante bijbetaling kwam van [naam 4] . De bedoeling was dat de verdachte de aankoopprijs (de inruilwaarde van de Mercedes SLK, auto 6, en de contante bijbetaling) aan [naam 4] zou terugbetalen op het moment dat de verzekering geld had uit uitbetaald voor de afgebrande woning van de verdachte ( [adres 2] te Zwaag). Die betaling heeft echter nooit plaatsgevonden.

Concluderend stelt de verdediging dat op geen enkele wijze kan worden vastgesteld dat de in de tenlastelegging onder de feiten 1 en 3 genoemde geldbedragen en het onder feit 2 genoemde geldbedrag en de auto’s uit enig misdrijf afkomstig zijn, zodat verdachte daarvan moet worden vrijgesproken.

3.3

Oordeel van de rechtbank

Beoordelingskader witwassen

Het gaat in deze zaak om drie verdenkingen van witwassen. In dat kader stelt de rechtbank het volgende voorop. Voor een bewezenverklaring van het in de delictsomschrijving van artikel 420bis, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht opgenomen bestanddeel “afkomstig uit enig misdrijf”, is niet vereist dat uit de bewijsmiddelen moet kunnen worden afgeleid dat het desbetreffende voorwerp afkomstig is uit een nauwkeurig aangeduid misdrijf. Wel is voor een veroordeling ter zake van dit wetsartikel vereist dat vaststaat dat het voorwerp afkomstig is uit enig misdrijf.

Dat een voorwerp “afkomstig is uit enig misdrijf”, kan, indien op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen met een bepaald misdrijf, niettemin bewezen worden geacht, indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het in de tenlastelegging genoemde voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is. Het is daarbij aan het openbaar ministerie bewijs aan te dragen van dergelijke feiten en omstandigheden.

Indien door het openbaar ministerie feiten en omstandigheden zijn aangedragen die een vermoeden rechtvaardigen dat het niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is, mag van de verdachte worden verlangd dat hij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is. De omstandigheid dat zo een verklaring van de verdachte mag worden verlangd, houdt niet in dat het aan de verdachte is om aannemelijk te maken dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is.

Hieronder zal per feit worden ingegaan op de vraag of – kort gezegd – sprake is van enig uit misdrijf verkregen goed en van witwassen.

3.3.1

Vrijspraak feit 3

Op basis van de stukken in het dossier en hetgeen de verdachte ter terechtzitting heeft verklaard kan het volgende worden vastgesteld. De verdachte heeft in december 2005 en januari 2006 respectievelijk € 18.000,- en € 8000,- (totaal € 26.000,-) van [naam 3] geleend ten behoeve van de financiering van haar aankoop van de helft van de woning aan de [adres 2] in Zwaag. Dit bedrag zou de verdachte in maandelijkse termijnen van
€ 200,- terugbetalen. De verdachte heeft de lening uiteindelijk op onregelmatige momenten terugbetaald. Het bedrag is in gedeeltes, contant, terugbetaald. Dit gebeurde meestal met bedragen van een paar honderd euro en een enkele keer met grotere bedragen. De lening was tussen 2010 en 2011 geheel afgelost.

Nu het onderzoek in onderhavige zaak geen direct bewijs heeft opgeleverd dat voor de terugbetaling van het bedrag van € 26.000,- geld is gebruikt dat van een bepaald misdrijf afkomstig is, zal eerst moeten worden beoordeeld of er op grond van de feiten en omstandigheden zoals daarvan uit het dossier blijkt, sprake is van een vermoeden van witwassen.

Hiertoe is van belang dat de verdachte in de jaren 2002 tot en met 2012 een gemiddeld bruto jaarinkomen verdiende van € 14.884,-. Zij woonde in de tenlastegelegde periode samen met haar moeder [naam 5] , die in deze jaren een gemiddeld bruto jaarinkomen ontving van
€ 38.922,-. De rechtbank is van oordeel dat de door het openbaar ministerie aangedragen feiten en omstandigheden, die er volgens het openbaar ministerie op neerkomen dat de inkomsten van de verdachte ontoereikend zijn geweest om de genoemde lening (contant) af te lossen, zonder andere bijkomende feiten en omstandigheden - die onvoldoende zijn gebleken -, niet de conclusie rechtvaardigen dat het niet anders kan zijn dan dat het terugbetaalde geld van misdrijf afkomstig is. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking de hoogte van het door de verdachte terug te betalen bedrag, in relatie tot haar inkomsten en de omstandigheid dat zij met haar moeder een gezamenlijke huishouding voerde, hetgeen kostenmatigend werkt, alsook de ruime periode van ten minste vier jaren waarin genoemd geldbedrag in gedeeltes is afgelost. De omstandigheid dat (deel)betalingen steeds contant zijn gedaan maakt dit oordeel niet anders. De rechtbank acht dan ook niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het ten laste gelegde witwassen van het bedrag van € 26.000,- , zodat zij hiervan zal worden vrijgesproken.

3.3.2

Redengevende feiten en omstandigheden

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van de onder feit 1 en feit 2 ten laste gelegde feiten op grond van de bewijsmiddelen die in de bijlage bij dit vonnis zijn vervat.

3.3.3

Bewijsoverweging ten aanzien van feit 1

Bewijsvermoeden

Uit het dossier en de verklaring van verdachte ter terechtzitting blijkt dat in 2006 werkzaamheden zijn verricht aan de rieten kap van de woning aan de [adres 2] in Zwaag, die toebehoorde aan de verdachte en haar moeder [naam 5] . De facturen van de rietdekker, ten bedrage van in totaal € 19.404,41, zijn door de verdachte contant betaald.

Nu het onderzoek in onderhavige zaak geen direct bewijs heeft opgeleverd dat voor de betaling van deze facturen geld is gebruikt dat van een bepaald misdrijf afkomstig is, zal allereerst moeten worden beoordeeld of er op grond van de feiten en omstandigheden zoals daarvan uit het dossier blijkt, sprake is van een vermoeden van witwassen.

De verdachte had in 2006 een gemiddeld bruto jaarinkomen van € 14.884,- en uit het dossier blijkt niet dat zij, in ieder geval na voldoening van de koopsom voor de eigendom van de onverdeelde helft van de woning in februari van 2006, beschikte over substantiële banktegoeden of ander vermogen die voor de betaling van de werkzaamheden aan de kap van de woning hadden kunnen worden opgenomen. De rechtbank is van oordeel dat het hier gaat om een bedrag van een zodanige omvang in relatie tot het inkomen van de verdachte, dat dit een vermoeden rechtvaardigt dat het niet anders kan zijn dan dat de contanten voor de betaling van de werkzaamheden uit misdrijf afkomstig zijn.

Verklaring verdachte

Ter terechtzitting heeft de verdachte over de herkomst van het geld een verklaring afgelegd. Zij heeft verklaard dat er in 2006 een probleem bleek te zijn met het rieten dak van de woning, er was sprake van lekkage en van slechte isolatie. Omdat de verdachte en haar moeder [naam 5] destijds niet beschikten over voldoende geld om voor de werkzaamheden aan het dak te betalen, heeft zij haar vader om hulp gevraagd. De vader van de verdachte, [naam 6] , heeft haar vervolgens € 20.000,- geschonken voor het opnieuw bedekken van het dak.

Ter onderbouwing hiervan is door de verdediging een (kopie van een) schenkingsovereenkomst tussen verdachte en haar vader overlegd, waaruit volgt dat de vader van de verdachte op 1 maart 2006 een bedrag van € 20.000,- aan haar heeft geschonken. Deze overeenkomst is ondertekend op 1 oktober 2018. Dat dit pas jaren later is gebeurd komt volgens de verdediging doordat er in 2006 geen enkele aanleiding was de schenking op papier te zetten. Pas toen eind 2017 door het openbaar ministerie concept tenlasteleggingen waren verspreid werd het de verdachte duidelijk dat van haar een verklaring voor de herkomst van dit contante geldbedrag werd verlangd, zodat de overeenkomst toen alsnog is opgemaakt.

Beoordeling

Bij de beoordeling van deze verklaring van de verdachte acht de rechtbank van belang dat zij hiermee pas ter terechtzitting is gekomen. Tijdens het voorbereidend onderzoek is de verdachte meerdere keren verhoord, maar zij heeft toen nimmer een verklaring willen geven voor de herkomst van dit geldbedrag. Het late tijdstip waarop de verklaring door de verdachte is afgelegd, maakt dat deze verklaring niet meer verifieerbaar is, temeer nu blijkt dat de vader van de verdachte inmiddels (enkele weken na het opstellen van de schenkingsovereenkomst) is overleden. De door de verdachte ter terechtzitting overgelegde schenkingsovereenkomst betreft bovendien geen origineel stuk. Als de verdachte een origineel stuk had willen overleggen, zoals ter terechtzitting alsnog door de raadsman is aangeboden, dan had dat op een tijdstip dienen te gebeuren dat hiernaar nog onderzoek had kunnen worden verricht, hetgeen kennelijk ook mogelijk was nu de kopie van de schenkingsovereenkomst op 10 oktober 2018 is gedateerd. Deze factoren maken dat de verklaring van verdachte naar het oordeel van de rechtbank niet kan gelden als verifieerbaar en doen ook afbreuk aan de aannemelijkheid van de verklaring, zodat de rechtbank daaraan voorbijgaat.

Verder neemt de rechtbank nog in aanmerking dat een schenking van € 20.000,- enkel voldoende zou kunnen worden geacht voor de betaling van de facturen van de rietdekkers, terwijl rietdekker [naam 1] heeft verklaard dat het benodigde materiaal voor de reparatie aan het dak van de woning apart door de verdachte was aangeschaft en de kosten daarvan ongeveer € 12.000,- moeten hebben bedragen. Hoe de verdachte dit heeft kunnen bekostigen is onduidelijk gebleven. Hoewel de betaling van het materiaal niet aan de verdachte ten laste is gelegd, spelen deze kosten niettemin een rol bij de beoordeling van de aannemelijkheid van haar verklaring dat de betaling van de rietdekkers is gefinancierd met een schenking van haar vader.

Nu de verdachte geen afdoende concrete, verifieerbare en niet op voorhand (hoogst) onwaarschijnlijke verklaring heeft gegeven, is het openbaar ministerie niet gehouden nader onderzoek te verrichten. Het onder 1 ten laste gelegde witwassen zal bewezen worden verklaard als hierna onder 3.4 te melden.

3.3.4

Bewijsoverweging ten aanzien van feit 2

Vaststellingen

Voor de inzichtelijkheid heeft de rechtbank bij de hierna volgende vaststellingen een andere volgorde aangehouden dan in de tenlastelegging is gedaan.

Auto 4

De Mercedes B200 (auto 4) is door de verdachte gekocht op 15 mei 2009 (factuurdatum). De verdachte heeft contant een bedrag van € 14.300,- bijbetaald voor de aankoop van deze auto. De auto heeft van 14 mei 2009 tot en met 21 februari 2011 op naam van de verdachte gestaan. De Mercedes B200 (auto 4) is later door [naam 4] ingeruild voor een bedrag van € 14.500,-. Op het moment van inruilen stond de auto op naam van de verdachte.

Auto 1

De Volkswagen Polo (auto 1) is door de verdachte gekocht op 25 februari 2011 (factuurdatum). De verdacht heeft contant een bedrag van € 6.600,- bijbetaald voor de aankoop van deze auto. De Volkswagen Polo (auto 1) is ingeruild bij/ten behoeve van de aankoop van de Mini Cooper (auto 2).

Auto 2

De Mini Cooper (auto 2) is door de verdachte gekocht op 27 juni 2011 (factuurdatum). Bij de aankoop van deze auto is de Volkswagen Polo (auto 1) ingeruild (inruilwaarde: € 10.000,-). De verdachte heeft contant een bedrag van € 5.500,- bijbetaald om de totale koopsom van € 15.500,- te voldoen. De Mini Cooper (auto 2) is ingeruild bij/ ten behoeve van de aankoop van de Volkswagen Golf (auto 3).

Auto 3

De Volkswagen Golf (auto 3) is door de verdachte gekocht op 3 augustus 2012 (factuurdatum). Deze auto heeft van 29 november 2012 tot en met 2 februari 2013 op naam van de verdachte gestaan. Bij de aankoop van deze auto is de Mini Cooper (auto 2) ingeruild (inruilwaarde: €11.250,-). Daarnaast is er contant een bedrag van € 6.500,01 betaald voor de aankoop van de Volkswagen Golf (auto 3).

Auto 5

De Mercedes C220 (auto 5) is gekocht door [naam 4] op 23 februari 2011 (factuurdatum). [naam 4] heeft bij deze aankoop de Mercedes B200 (auto 4), die op naam stond van de verdachte, ingeruild (inruilwaarde: € 14.500,-) en heeft daarnaast contant een bedrag van € 15.500,- betaald.

Auto 6

De Mercedes SLK (auto 6) is gekocht door [naam 4] op 30 november 2013 (factuurdatum). Deze auto heeft van 02 december 2013 tot en met 30 maart 2015 op naam van [naam 4] gestaan en vervolgens van 30 maart 2015 tot en met 1 april 2015 op naam van de verdachte. [naam 4] heeft bij/ten behoeve van de aankoop van deze auto de Mercedes C220 (auto 5) ingeruild (inruilwaarde: € 17.000,-) en contant een bedrag van € 33.000,- bijbetaald.

Auto 7

De Mercedes CLA (auto 7) is door de verdachte gekocht op 30 maart 2015 (factuurdatum). Deze auto heeft van 27 maart 2015 tot en met 4 september 2015 op naam van de verdachte gestaan. De verdachte heeft bij deze aankoop de Mercedes SLK (auto 6) ingeruild (inruilwaarde € 36.500,-).

Beoordeling rechtbank

Zoals hiervoor is vastgesteld heeft de verdachte in een betrekkelijk korte periode verschillende auto’s (uit het duurdere segment) gekocht en heeft zij meermalen relatief grote bedragen contant bijbetaald. Onder verwijzing naar het hiervoor onder 3 opgenomen beoordelingskader overweegt de rechtbank dat het legale inkomen en het legale vermogen van de verdachte in deze periode – in ieder geval zonder nadere toelichting – ontoereikend moet worden geacht voor deze (contante) betalingen, nog daargelaten de kosten die zijn verbonden aan het gebruik van dergelijke auto’s. Weliswaar kan uit het in bewijsmiddel 1 genoemde proces-verbaal worden afgeleid dat de verdachte in 2005/2006 een bedrag van € 53.690,- op haar bankrekening had staan, maar uit het dossier (proces-verbaalnummer 777: proces-verbaal van bevindingen ontvangen stukken rekestenzitting, bijlage 1 - de toelichting op het klaagschrift - onder punt 11, onder verwijzing naar bijlage 9 bij het klaagschrift) blijkt dat vanaf de bankrekening van de verdachte op 6 februari 2006 een bedrag van € 61.990,70 is overgemaakt naar [naam 7] (notaris) vanwege de aankoop van de onverdeelde helft van de [adres 2] . Gelet hierop, en nu het tegendeel op geen enkele wijze uit het dossier blijkt, gaat de rechtbank ervan uit dat de verdachte ten tijde van de aanschaf van de na te noemen auto’s, niet (meer) over (voldoende) legaal vermogen beschikte om de bijbetalingen van auto’s te kunnen voldoen. Uit de verklaring die de verdachte ter terechtzitting heeft afgelegd volgt ook dat zij die betalingen niet heeft gefinancierd uit haar legale, reguliere inkomen uit arbeid of uit haar vermogen. Gelet hierop is naar het oordeel van de rechtbank sprake van feiten en omstandigheden die een vermoeden rechtvaardigen dat het niet anders kan zijn dan dat de door de verdachte gedane contante bijbetalingen uit misdrijf afkomstig zijn. Hieronder zal per auto nader worden ingegaan op de verklaring die de verdediging heeft gegeven over de herkomst van – kort gezegd – de (bij)betalingen aan de auto’s. Verder zal de rechtbank ingaan op de vraag of de verdachte, ook ten aanzien van de auto’s waarvoor zij niet zelf een bijbetaling heeft gedaan, gebruik heeft gemaakt van de in de tenlastelegging genoemde auto’s terwijl zij wist dat die auto’s (middellijk) uit misdrijf afkomstig waren.

Auto 4

De verdachte heeft voor het eerst ter terechtzitting verklaard dat de Mercedes B200 (auto 4) (deels) is gekocht met geld dat zij had verdiend aan de verkoop van hondenpups. Ter onderbouwing van die stelling heeft de verdediging een document overgelegd afkomstig van een dierenarts, waaruit zou kunnen worden afgeleid dat de hond van de verdachte kort voor de aankoop van de Mercedes B200 (auto 4) meerdere pups heeft gekregen. De verdachte heeft echter op geen enkele wijze nader onderbouwd dat zij deze pups vervolgens daadwerkelijk heeft verkocht, en als dat al het geval is geweest wanneer, aan wie en voor hoeveel geld dat is gebeurd. Gelet op het late tijdstip waarop de verklaring door de verdachte is afgelegd en het feit dat de verklaring niet dan wel onvoldoende met concrete gegevens over de beweerdelijke verkopen is onderbouwd en mede daardoor ook niet-verifieerbaar is, is de rechtbank van oordeel dat deze verklaring niet het hiervoor genoemde vermoeden van witwassen weerlegt. De rechtbank komt dan ook tot de conclusie dat het niet anders kan zijn dan dat het contante geld voor de bijbetaling van € 14.300,- (op een totale koopprijs van € 24.300,-) voor de aankoop van de Mercedes B200 (auto 4) uit misdrijf afkomstig is. Nu de Mercedes B200 (auto 4) is gekocht door de verdachte, op haar op naam heeft gestaan en de verdachte ter zitting heeft verklaard dat zij deze auto “had”, gaat de rechtbank ervan uit dat de verdachte deze auto ook heeft gebruikt.

Auto 1 en 2

De verdachte heeft verklaard dat de bijbetalingen voor de aankopen van de Volkswagen Polo (auto 1) en de Mini Cooper (auto 2) (€ 6.600,- respectievelijk € 5.500,-) zijn gedaan met geld dat zij had gekregen van [naam 4] die voor haar de Mercedes B200 (auto 4) had ingeruild. De verdachte heeft ook deze verklaring pas ter terechtzitting afgelegd. Ook deze verklaring is onvoldoende onderbouwd, concreet en verifieerbaar. De rechtbank acht die verklaring bovendien hoogst onwaarschijnlijk. Daarbij neemt de rechtbank het volgende in aanmerking. Uit het dossier blijkt dat de Mercedes B200 (auto 4) door [naam 4] is ingeruild, zoals ook de verdediging zelf heeft aangevoerd ter terechtzitting. De inruilwaarde is in mindering gebracht op het aankoopbedrag van de auto die [naam 4] op dat moment kocht (de Mercedes C220, auto 5). [naam 4] is meerdere keren gehoord door de politie (als verdachte) en heeft ten overstaan van de rechter-commissaris een verklaring als getuige afgelegd, in aanwezigheid van de raadsman van de verdachte. Hij heeft echter op geen enkel moment verklaard dat de hij ‘de inruilwaarde’ van de Mercedes B200 (auto 4) aan de verdachte heeft gegeven. Bovendien is die inruilwaarde in mindering gebracht op de aankoopprijs, zodat [naam 4] ook geen geld in handen heeft gekregen door dit inruilen. Het voorgaande leidt ertoe dat de rechtbank tot de conclusie komt dat het niet anders kan zijn dan dat de bijbetalingen voor de aankopen van de Volkswagen Polo (auto 1) en de Mini Cooper (auto 2) zijn gedaan met geld dat uit misdrijf afkomstig is. Wat betreft de Mini Cooper (auto 2) komt daar bovendien bij dat ook de bij de aankoop ingeruilde auto (de Volkswagen Polo, auto 1) valt aan te merken als uit misdrijf afkomstig, zoals voortvloeit uit het voorgaande. Voor beide auto’s geldt dat de verdachte daarvan gebruik heeft gemaakt en/of deze heeft omgezet reeds omdat de verdachte de beide auto’s heeft ingeruild ten behoeve van de aankoop van andere auto’s.

Auto 3

De verdachte heeft voor het eerst ter terechtzitting verklaard dat de Volkswagen Golf (auto 3) is gekocht voor haar zoon en dat het geld van de bijbetaling van hem afkomstig is. Deze verklaring is op geen enkele wijze nader onderbouwd en bovendien pas afgelegd op een moment waarop nadere verificatie door het openbaar ministerie niet haalbaar is zonder uitstel van de behandeling van de zaak, voor zover nadere verificatie al mogelijk is gelet op de summiere onderbouwing. Wat er echter ook zij van de juistheid van deze verklaring, vaststaat dat bij de aankoop van de Volkswagen Golf (auto 3), de Mini Cooper (auto 2) is ingeruild. Daarmee is het grootste deel van de aankoopsom voldaan (€ 11.250,- op een totaal van € 17.750,01). Hiervoor heeft de rechtbank geoordeeld dat de Mini Cooper (auto 2) is gefinancierd met geld/middelen die uit misdrijf afkomstig zijn. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat bij de aankoop van de Volkswagen Golf gebruik is gemaakt van geld/middelen dat/die uit misdrijf afkomstig zijn.

De rechtbank is bovendien van oordeel dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte op enig moment gebruik heeft gemaakt van deze auto. De verdachte heeft weliswaar verklaard dat de Volkswagen Golf (auto 3) was bedoeld voor haar zoon maar zij heeft ook verklaard dat haar zoon op het moment van de aanschaf van de auto nog geen achttien was. Daar komt nog bij dat uit de bewijsmiddelen blijkt dat de Volkswagen Golf (auto 3) op naam van de verdachte heeft gestaan. De rechtbank is gelet hierop van oordeel dat het redelijkerwijs niet anders kan zijn dan dat de verdachte op enig moment gebruik heeft gemaakt van de auto.

Auto 5 en 6

De Mercedes C220 (auto 5) is gekocht en betaald door [naam 4] . Hiervoor kwam al aan de orde dat [naam 4] deze aankoop mede heeft gefinancierd door inruil van de Mercedes B200 (auto 4) (inruilwaarde € 14.500,-). Daarnaast heeft hij (contant) een bedrag van € 15.500,- betaald. De rechtbank heeft geoordeeld dat de Mercedes B200 (auto 4) door de verdachte is gekocht met geld dat uit misdrijf afkomstig is. Het gaat daarbij in ieder geval om bijna 60% van de aanschafprijs (€ 14.300,- op een bedrag van € 24.300,-; de rechtbank heeft niet kunnen vaststellen dat ook het andere deel van de koopprijs is voldaan met een uit misdrijf verkregen goed). Aldus is sprake van een zodanige vermenging van gelden dat naar het oordeel van de rechtbank ook de opbrengst van de verkoop/inruil van de Mercedes B200 (auto 4) moet worden aangemerkt als geld dat uit misdrijf afkomstig is. Dat leidt er vervolgens toe dat ook ten aanzien van de Mercedes C220 (auto 5) tenminste sprake is van ‘vermenging’ (ervan uitgaande dat het contant door [naam 4] bijbetaalde bedrag een legale herkomst heeft). De rechtbank is daarom van oordeel is dat ook de Mercedes C220 (auto 5) auto (middellijk) afkomstig is uit enig misdrijf. De rechtbank gaat er verder vanuit dat de verdachte wist dat in ieder geval een deel van de Mercedes C220 (auto 5) is ‘betaald’ met geld/een goed dat uit misdrijf afkomstig was, te weten door inruil van de Mercedes B200 (auto 4). Immers, de verdachte heeft zelf verklaard dat [naam 4] de Mercedes B200 (auto 4) voor haar heeft ingeruild terwijl deze auto op het moment van inruilen op haar naam stond. Uit de verklaring van [naam 4] in zijn tweede verhoor bij de politie (p. 2) volgt bovendien dat hij de Mercedes C220 (door [naam 4] de grijze Mercedes coupé genoemd) heeft gekocht om de verdachte en haar partner te helpen. De verdachte was volgens [naam 4] degene die het meest reed in de Mercedes C220 (auto 5). Gelet op het voorgaande komt de rechtbank tot het oordeel dat de Mercedes C220 (auto 5) moet worden aangemerkt als middellijk uit misdrijf afkomstig (al dan niet door vermenging van ‘legale’ en ‘illegale’ gelden), dat de verdachte dit wist en dat zij gebruik heeft gemaakt van de Mercedes C220 (auto 5), en daardoor heeft witgewassen.

Eenzelfde argumentatie volgt de rechtbank als het gaat om de Mercedes SLK (auto 6). [naam 4] heeft deze auto gekocht en betaald. De aankoop heeft [naam 4] gefinancierd door inruil van de Mercedes C220 (auto 5) (inruilwaarde € 17.000,-) en door bijbetaling (contant) van € 33.000,-. Bij de politie heeft [naam 4] verklaard dat hij de Mercedes SLK (auto 6) in samenspraak heeft gekocht met de verdachte, dat hij met haar is meegegaan naar [bedrijf 3] (autobedrijf) en dat daar de 1e grijze Mercedes (de rechtbank begrijpt: de Mercedes C220, auto 5) is ingeruild op de Mercedes SLK (auto 6) (p. 2/3 van zijn tweede verhoor bij de politie). De eigenaar van [bedrijf 3] heeft verklaard dat hij de verdachte in de Mercedes SLK (auto 6) heeft zien wegrijden na de verkoop van deze auto. De rechtbank gaat er daarom vanuit dat de verdachte wist dat de Mercedes C220 (auto 5) is gebruikt om de aankoop van de Mercedes SLK (auto 6) mede mee te financieren. Zoals hiervoor is geoordeeld is de Mercedes C220 aan te merken als een uit misdrijf verkregen goed. De Mercedes SLK (auto 6) is gelet hierop (mede) gefinancierd met een uit misdrijf verkregen goed en daardoor aan te merken als uit misdrijf afkomstig (ook hier: tenminste omdat sprake is van vermenging van ‘legaal’ en ’illegaal geld). De verdachte heeft ook gebruik gemaakt van deze auto, zoals zij zelf ter terechtzitting heeft verklaard.

Auto 7

De Mercedes CLA (auto 7) is door de verdachte gekocht. De verdachte heeft verklaard dat zij de Mercedes SLK (auto 6) van [naam 4] heeft ingeruild (inruilwaarde € 36.500,-) en zij daarom deze auto voorafgaand aan het inruilen voor een zeer korte periode op haar naam heeft gehad. De verdachte heeft niet betwist dat zij de auto heeft gebruikt, sterker nog, zij heeft ter terechtzitting gezegd dat de auto voor haar bedoeld was. Ook hier geldt dat de ingeruilde auto, de Mercedes SLK (auto 6) is aan te merken als een uit misdrijf afkomstig goed, zoals hiervoor is overwogen. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat ook ten aanzien van de Mercedes CLA (auto 7) sprake is van witwassen, bestaande uit het gebruik van deze auto.

Conclusie

Het voorgaande leidt tot de volgende conclusie.

Wat betreft de Mercedes B200 (auto 4), de Volkswagen Polo (auto 1) en de Mini Cooper (auto 2) is de rechtbank van oordeel dat het niet anders kan zijn dan dat de bijbetalingen voor de aankoop van deze auto’s zijn gedaan door de verdachte met geld dat uit misdrijf afkomstig is. Uit de bewijsmiddelen volgt bovendien dat de verdachte deze auto’s heeft gebruikt en/of omgezet (ingeruild).Ten aanzien van de Volkswagen Golf (auto 3) is de rechtbank van oordeel dat deze auto voor het grootste deel is gefinancierd door de inruil van de Mini Cooper (auto 2) waarvan de rechtbank heeft geoordeeld dat die (middellijk) uit misdrijf afkomstig is. Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat de verdachte gebruik heeft gemaakt van deze auto, zoals hiervoor is overwogen. Niet is komen vast te staan dat het contant bijbetaalde bedrag afkomstig is uit misdrijf. Tot slot de Mercedes C220 (auto 5), de Mercedes SLK (auto 6) en de Mercedes CLA (auto 7). Ook deze auto’s zijn aan te merken als (middellijk) uit misdrijf afkomstig. De verdachte wist ook dat dit het geval was. Door gebruik te maken van die auto’s, en wat betreft de Mercedes SLK (auto 6): ook door die om te zetten (inruilen), heeft zij zich schuldig gemaakt aan witwassen. De rechtbank overweegt daarbij omwille van de duidelijkheid dat niet is komen vast te staan dat de ‘bijbetalingen’ voor de aankopen van deze auto’s zijn gedaan met geld dat uit misdrijf afkomstig is.

3.4

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder feit 1 en feit 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat

Feit 1:

zij in de periode van 26 juni 2006 tot en met 19 juli 2006, te Zwaag, gemeente Hoorn, voorwerpen, te weten, geldbedragen (met een totaalwaarde van ongeveer 19.404,41 euro), telkens heeft overgedragen (door met deze geldbedragen facturen van Rietdekbedrijf [bedrijf 1] / [naam 1] en [bedrijf 2] / [naam 2] te betalen), terwijl zij, verdachte, telkens wist dat die voorwerpen - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf.

Feit 2:

zij in de periode van 17 september 2007 tot en met 17 december 2015, te Zwaag, gemeente Hoorn, voorwerpen, te weten geldbedragen, telkens heeft overgedragen en/of omgezet en/of hiervan gebruik heeft gemaakt door met die geldbedragen de aankoop van personenauto's al dan niet gedeeltelijk te financieren, en voorwerpen, te weten personenauto's:

- een Volkswagen Polo (kenteken: [kenteken 1] ) en

- een Mini Cooper (kenteken: [kenteken 2] ) en

- een Volkswagen Golf (kenteken: [kenteken 3] ) en

- een Mercedes-Benz B200 (kenteken: [kenteken 4] ) en

- een Mercedes-Benz C220 (kenteken: [kenteken 5] ) en

- een Mercedes-Benz SLK 350 (kenteken: [kenteken 6] ) en

- een Mercedes-Benz CLA 200 (kenteken: [kenteken 7] )

heeft overgedragen en/of omgezet en/of hiervan gebruik heeft gemaakt door met die personenauto's te rijden en/of die personenauto's in te ruilen, terwijl zij, verdachte, telkens wist, dat die voorwerpen - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en schrijffouten zijn verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in haar verdediging.

Hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4 Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 1: witwassen, meermalen gepleegd

Ten aanzien van feit 2: witwassen, meermalen gepleegd

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is derhalve strafbaar.

5 Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is derhalve strafbaar.

6 Motivering van de sanctie

6.1

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden. De officier van justitie heeft hierbij rekening gehouden met een overschrijding van de redelijke termijn voor berechting.

6.2

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat, voor zover de rechtbank komt tot een bewezenverklaring van één of meerdere feiten, er rekening dient te worden gehouden met de forse overschrijding van de redelijke termijn. De raadsman verzoekt de rechtbank in dat geval een taakstraf te overwegen en geen gevangenisstraf.

6.3

Oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de sanctie die aan de verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen. De verdachte heeft zich gedurende een lange periode schuldig gemaakt aan het witwassen van meerdere geldbedragen door deze te investeren in haar woning dan wel hiermee veelal luxe auto’s aan te schaffen. De verdachte heeft hierbij louter oog gehad voor eigen financieel gewin en het faciliteren van een luxueuze levensstijl die zij zich uit haar legale inkomsten niet had kunnen permitteren. Met haar handelen wekt de verdachte naar de samenleving de indruk dat misdaad loont. Dat vindt de rechtbank kwalijk. Bovendien vormt witwassen een ernstige bedreiging van de legale economie en tast het de integriteit van het financiële en economische verkeer aan.

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank gelet op het op naam van de verdachte staand Uittreksel Justitiële Documentatie, gedateerd 28 december 2020, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder voor witwassen is veroordeeld.

Alles afwegende acht de rechtbank in beginsel een taakstraf voor de duur van 180 uren passend en geboden.

Redelijke termijn

De rechtbank stelt vast dat de redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) in dit geval is overschreden. Als uitgangspunt heeft te gelden dat de behandeling van een zaak ter terechtzitting moet zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaren nadat de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden, zoals de ingewikkeldheid van een zaak, de invloed van de verdachte en/of zijn raadsman op het procesverloop en de wijze waarop de zaak door de bevoegde autoriteiten is behandeld. Naar het oordeel van de rechtbank doen zich zodanige bijzondere omstandigheden niet voor. De op zijn redelijkheid te beoordelen termijn is in de onderhavige zaak aangevangen op 19 oktober 2015, de datum waarop verdachte als zodanig werd verhoord. Nu de rechtbank in deze zaak op 5 februari 2021 vonnis wijst, is de redelijke termijn met afgerond een periode van 3 jaren en 3 maanden overschreden.

Met deze overschrijding van de redelijke termijn houdt de rechtbank rekening in die zin dat in plaats van een taakstraf van 180 uren een taakstraf van 150 uren zal worden opgelegd.

7 Vermogensmaatregel

onttrekking aan het verkeer

De rechtbank is van oordeel dat de onder de verdachte in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerpen, te weten,

-nummer 6: 1 STK imitatiewapen (544731)

-nummer 7: 1 STK ploertendoder (544733)

overeenkomstig de vordering van de officier van justitie, dienen te worden onttrokken aan het verkeer.

Deze voorwerpen behoren de verdachte toe en zijn aangetroffen bij gelegenheid van het onderzoek naar de feiten waarvan zij wordt verdacht. Deze voorwerpen kunnen dienen tot het begaan of de voorbereiding van soortgelijke feiten of tot de belemmering van de opsporing daarvan en tevens is het ongecontroleerde bezit van voormelde in beslag genomen voorwerpen in strijd met de wet of het algemeen belang.

8. Beslissing met betrekking tot in beslag genomen, niet teruggegeven goederen

Teruggave aan de verdachte

De rechtbank stelt voorop dat uit de beslaglijst blijkt dat er zowel klassiek als conservatoir beslag ligt op een grote hoeveelheid in beslag genomen goederen. Artikel 353 lid 1 van het Wetboek van strafvordering (Sv) verplicht de rechter een beslissing te nemen over alle voorwerpen waarop klassiek beslag ex artikel 94 Sv ligt en waarvan (nog) geen last tot teruggave is gegeven.

De rechtbank is van oordeel dat, overeenkomstig hetgeen de officier van justitie heeft betoogd, deze (overige) onder de verdachte in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerpen zoals vermeld op de beslaglijst, formeel dienen te worden teruggeven aan de verdachte nu het belang van strafvordering zich daar niet tegen verzet. De rechtbank merkt evenwel op dat op deze goederen ook conservatoir beslag ligt.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

artikelen 22c, 22d, 36d, 57 en 420bis van het Wetboek van Strafrecht.

10 Beslissing

De rechtbank:

Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte onder feit 3 is ten laste gelegd en spreekt haar daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat de verdachte de onder feit 1 en feit 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4 weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt haar daarvan vrij.

Bepaalt dat de onder feit 1 en feit 2 bewezen verklaarde feiten de hierboven onder 4. vermelde strafbare feiten opleveren.

Verklaart de verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot het verrichten van 150 uren taakstraf die bestaat uit het verrichten van onbetaalde arbeid, bij het niet of niet naar behoren verrichten daarvan te vervangen door 75 dagen hechtenis.

Onttrekt aan het verkeer: de ploertendoder en het imitatievuurwapen (beslaglijst).

Gelast de teruggave aan de verdachte van alle overige voorwerpen, geplaatst op de aan dit vonnis gehechte lijst van inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. M.S. Lamboo, voorzitter,

mr. M. Hoendervoogt en mr. T. de Bont, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier M.M. van Fraeijenhove,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 5 februari 2021.

mr. M. Hoendervoogt en mr. T. de Bont zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.