Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2020:9967

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
25-11-2020
Datum publicatie
30-12-2020
Zaaknummer
8194689
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Op tegenspraak
Tussenuitspraak
Inhoudsindicatie

Arbeidsrecht. Achterstallig loon. Artikel 7:610b BW. Arbeidsomvang. Referteperiode.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2021-0014
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Insolventie

locatie Haarlem

Zaaknr./rolnr.: 8194689 \ CV EXPL 19-18402

Uitspraakdatum: 25 november 2020

Vonnis van de kantonrechter in de zaak van:

[eiser]

wonende te [woonplaats]

eiser

verder te noemen: [eiser]

gemachtigde: mr. M.L.A. Verleun

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Connexxion Taxi Services B.V.

gevestigd te IJsselmuiden, kantoorhoudende te Schiphol (gemeente Haarlemmermeer)

gedaagde

verder te noemen: Connexxion

gemachtigde: mr. B.A. Smits

1 Het procesverloop

1.1.

[eiser] heeft bij dagvaarding van 30 oktober 2019 een vordering tegen Connexxion ingesteld. Connexxion heeft schriftelijk geantwoord.

1.2.

[eiser] heeft hierop schriftelijk gereageerd, waarna Connexxion een schriftelijke reactie heeft gegeven.

2 De feiten

2.1.

[eiser] , geboren [in 1970] , is op 1 mei 2012 bij Connexxion in dienst getreden in de functie van chauffeur op basis van een nul-urenarbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd.

2.2.

Nadat de arbeidsovereenkomst een aantal keer is verlengd, is deze per 1 december 2014 omgezet naar een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd met een arbeidsduur van gemiddeld drie uur per week.

2.3.

Op de arbeidsovereenkomst zijn de bepalingen van de cao Taxivervoer van toepassing (hierna: de cao). In artikel 1.11 van de cao staat onder meer opgenomen:

1. De werknemer die wegens ziekte niet in staat is om zijn werkzaamheden te

verrichten, heeft recht op:

- doorbetaling van 90 % van zijn laatstverdiende loon gedurende de eerste 8 weken

van de arbeidsongeschiktheidsperiode.

Perioden van ziekte worden samengeteld, indien zij elkaar met een onderbreking

van minder dan vier weken opvolgen.

Per kalenderjaar geldt voor de loondoorbetaling van 90 % van het laatstverdiende

salaris een maximum van 8 weken.

- doorbetaling van 100 % van zijn laatstverdiende loon gedurende de weken 9 tot

en met 104 van de arbeidsongeschiktheid.

- deze regeling mag er nimmer toe leiden dat per betalingsperiode van 4 weken of

een maand minder dan het minimumloon wordt uitbetaald.

(…)

5. In geval van ziekte wordt onder laatstverdiend loon in de zin van dit artikel verstaan, het gemiddeld aantal gewerkte uren in de referteperiode van de 12 voorafgaande betalings- periodes, vermenigvuldigd met het uurloon dat de werknemer uitbetaald kreeg direct voorafgaande aan het moment van de ziekmelding. Indien de duur van de arbeidsovereen- komst, die op het moment van de ziekmelding met werknemer is gesloten, korter is dan 12 betalingsperiodes, wordt gerekend met een kortere periode, zijnde de periode waarop de arbeidsovereenkomst betrekking heeft. Ingeval van overuren worden deze tot een maximum van 15 overuren per week, gemiddeld genomen over voorafgaande 12 betalingsperiodes, meegenomen.

2.4.

Bij brief van 25 november 2017 heeft [eiser] Connexxion verzocht om zijn arbeidsovereenkomst aan te passen en uit te breiden van 3 uur per week naar 30 uur per week. Hierover heeft vervolgens een gesprek plaatsgevonden tussen [eiser] en Connexxion.

2.5.

Op 2 februari 2018 is [eiser] geopereerd en als gevolg hiervan is hij tot juni 2018 (gedeeltelijk) arbeidsongeschikt geweest.

2.6.

Met ingang van 1 augustus 2018 heeft Connexxion de arbeidsduur van [eiser] gewijzigd naar gemiddeld 30 uur per week. In de brief van 10 juli 2018 die Connexxion in dat kader aan [eiser] heeft geschreven staat onder meer:‘(…) Hierbij bevestigen wij de met u gemaakte afspraken met betrekking tot de aanpassing van uw arbeidsduur. (…)

2.7.

Bij brief van 12 augustus 2019 is Connexxion namens [eiser] verzocht om aan hem het achterstallig salaris vanaf december 2014 te voldoen, ter hoogte van € 18.668,67 bruto inclusief vakantiegeld en de wettelijke verhoging van 50%. In de brief staat onder meer: ‘(…) In de vier maanden voorafgaand aan de betreffende arbeidsovereenkomst van 1 december 2014 heeft cliënt gemiddeld 140 uur per maand gewerkt. Gelet op het gestelde in artikel 7:610b BW (het rechtsvermoeden arbeidsomvang) wordt vermoed dat de arbeidsovereenkomst een omvang heeft van gemiddeld 140 uur per maand, neerkomend op gemiddeld 32,5 uur per week.

Gelet op het bovenstaande maakt cliënt aanspraak op betaling van achterstallig salaris vanaf 1 december 2014. (…)

3 De vordering

3.1.

[eiser] vordert dat de kantonrechter voor recht verklaart dat [eiser] vanaf 1 december 2014 in vaste dienst is bij Connexxion voor gemiddeld 32,5 uur per week, oftewel 140 uur per maand, althans voor een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen datum en aantal uren.

Daarbij vordert [eiser] dat de kantonrechter Connexxion veroordeelt tot betaling van:

I. € 17.029,48 bruto aan achterstallig loon over de periode van december 2014 tot en met juli 2019, te vermeerderen met 8% vakantietoeslag en de wettelijke verhoging van 50%, en het geheel te vermeerderen met de wettelijke rente over het achterstallig loon vanaf het moment van opeisbaarheid en over de wettelijke verhoging vanaf 19 augustus 2019 tot de dag van algehele voldoening, met inhouding van de op grond van de wettelijke bepalingen aan derden af te dragen bedragen en Connexxion te veroordelen tot afdracht hiervan, onder verstrekking van een deugdelijke bruto/netto specificatie;

II. 1.050,88 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van betekening van de dagvaarding;

III. de proces- en nakosten, te vermeerderen met de wettelijke indien niet binnen 7 dagen na betekening van het vonnis is betaald.

3.2.

[eiser] legt aan de vordering ten grondslag – kort weergegeven – dat hij vanaf december 2014 aanzienlijk meer uren gewerkt heeft dan de overeengekomen arbeidsduur van gemiddeld drie uur per week. In de maanden augustus, september, oktober en november 2014 heeft [eiser] respectievelijk 90, 137,5, 134 en 199,5 uur per maand gewerkt. Dat komt neer op gemiddeld 140 uur per maand, omgerekend 32,5 uur per week.

Gelet op het rechtsvermoeden in artikel 7:610b BW, met als referteperiode augustus tot en met november 2014, is vanaf 1 december 2014 een arbeidsovereenkomst ontstaan met een omvang van gemiddeld 32.5 uur per week, oftewel 140 uur per maand.

Gelet op het goed werkgeverschap ex artikel 7:611 BW had het op de weg van Connexxion gelegen om de arbeidsovereenkomst op 1 december 2014 aan te passen aan de feitelijke situatie.

Over de periode van december 2014 tot en met juli 2019 heeft [eiser] een bedrag van € 17.029,48 bruto exclusief vakantiegeld te weinig uitbetaald gekregen.

4 Het verweer

4.1.

Connexxion betwist de vordering en verzoekt de kantonrechter deze af te wijzen, met veroordeling van [eiser] in de proceskosten. Connexxion voert daartoe – samengevat – als volgt aan.

4.2.

[eiser] gaat uit van een onjuiste arbeidsomvang van 140 uur per maand. Het door [eiser] opgestelde overzicht verschilt van de daadwerkelijk door hem gewerkte uren, zoals deze volgen uit de Uren Beheer Systeem-ritstaten (UBS-ritstaten). Uit de UBS-ritstaten volgt dat het totaal aantal uren tot 1 december 2014 over 2014 1133,48 uur bedroeg. Per maand kwam dit neer op 103,04 uur en per week 24,11 uur. [eiser] heeft altijd tenminste 103,04 uur per maand uitbetaald gekregen.

In augustus 2018 is de arbeidsomvang van [eiser] aangepast naar 30 uur per week. Per maand komt dit neer op 130 uur.

Het loon tijdens ziekte is aan [eiser] uitbetaald aan de hand van artikel 1.11 lid 5 van de cao, waarbij is uitgegaan van het gemiddeld aantal uren dat [eiser] in de 12 voorafgaande maanden heeft gewerkt.

5 De beoordeling

5.1.

Het gaat in deze zaak – kort gezegd – om de vraag of [eiser] recht heeft op uitbetaling door Connexxion van achterstallig loon.

5.2.

Tussen partijen is niet in geschil dat de arbeidsomvang van [eiser] vanaf 1 december 2014 meer heeft bedragen dan de in de arbeidsovereenkomst opgenomen drie uur per week. Tussen partijen bestaat echter discussie over de daadwerkelijke arbeidsomvang per 1 december 2014. Volgens [eiser] is dat 140 uur per maand, terwijl Connexxion aanvoert dat dit 103,04 uur per maand betreft.

5.3.

Niet in geschil is dat artikel 7:610b BW van toepassing is. Dit artikel bepaalt dat indien een arbeidsovereenkomst ten minste drie maanden heeft geduurd, de bedongen arbeid in enige maand vermoed wordt een omvang te hebben gelijk aan de gemiddelde omvang van de arbeid per maand in de drie voorafgaande maanden (de referteperiode). Partijen verschillen van mening over de vraag welke referteperiode dient te worden aangehouden.

5.4.

[eiser] heeft aan zijn vordering een referteperiode van augustus 2014 tot en met november 2014, aldus vier maanden, ten grondslag gelegd. Connexxion heeft haar berekening gebaseerd op een referteperiode van januari 2014 tot en met november 2014, aldus elf maanden. Naar het oordeel van de kantonrechter heeft Connexxion het rechts- vermoeden niet weerlegd met een stelling dat de wettelijke referteperiode te kort is en dat een periode van 11 maanden meer representatief zou zijn. De kantonrechter stelt vast dat Connexxion niet wordt benadeeld indien de door [eiser] aangehouden referteperiode van vier, in plaats van drie, maanden wordt aangehouden. [eiser] heeft in september 2014 relatief weinig uren gemaakt, wat het gemiddelde van de omvang juist omlaag haalt, wat in het voordeel van Connexxion is. De kantonrechter zal daarom augustus tot en met november 2014 aanhouden als referteperiode voor het vaststellen van de omvang van de arbeidsovereenkomst vanaf december 2014.

5.5.

Ter onderbouwing van het aantal gewerkte uren heeft [eiser] een door hem opgemaakt urenoverzicht van 2014 tot en met juli 2019 overgelegd, met onderliggende salaris- specificaties. Volgens Connexxion moet voor het bepalen van het aantal gewerkte uren worden gekeken naar de door haar overgelegde UBS-ritstaten. Connexxion heeft niet toegelicht op welke wijze de uren van [eiser] in de UBS-ritstaten worden bijgehouden en nergens uit blijkt dat de uren van de werknemers van Connexxion op die wijze worden geregistreerd. De kantonrechter is met [eiser] van oordeel dat moet worden uitgegaan van het aantal gewerkte uren zoals opgenomen in de salarisspecificaties. Immers is hij ook uitbetaald op basis van die specificaties en het daarop vermelde aantal uren. De salaris- specificaties als zodanig, en het naar aanleiding daarvan door [eiser] opgemaakte urenoverzicht, overgelegd als productie 2 bij de dagvaarding, heeft Connexxion niet betwist. Dat dit urenoverzicht verschilt van de door Connexxion overgelegde UBS-ritstaten, zoals Connexxion aanvoert, doet – gelet op het voorgaande – niet ter zake en daarbij heeft Connexxion de oorzaak van dit verschil ook niet onderbouwd. Voor zover Connexxion zich bij conclusie van dupliek verder nog op het standpunt heeft gesteld dat het salarissysteem vanaf december 2014 is aangepast en dat sindsdien de gewerkte uren op een verschilstrook worden aangegeven, heeft zij – nog daargelaten dat deze stelling niet is onderbouwd – nagelaten te onderbouwen welke gevolgtrekking hieraan zou moeten worden verbonden, zodat de kantonrechter daaraan voorbij gaat. De kantonrechter is dan ook van oordeel dat Connexxion dit standpunt van [eiser] onvoldoende gemotiveerd heeft weersproken, zodat wordt uitgegaan van een arbeidsomvang van 140 uur per maand vanaf 1 december 2014.

5.6.

De kantonrechter is wel met Connexxion van oordeel dat vanaf 1 augustus 2018 een andere arbeidsomvang te gelden heeft. Als niet weersproken staat immers vast dat tussen partijen is overeengekomen dat de arbeidsomvang per die datum 30 uur per week zou zijn, aldus omgerekend 129,3 uur per maand. Dit betekent dat van 1 december 2014 tot 1 augustus 2018 moet worden uitgegaan van een arbeidsomvang van 140 uur per maand en vanaf 1 augustus 2018 van 129,3 uur per maand. In die zin zal de door [eiser] gevorderde verklaring voor recht dan ook worden toegewezen.

5.7.

Ten aanzien van het loon tijdens ziekte overweegt de kantonrechter als volgt. Als niet weersproken staat vast dat [eiser] in de periode van 2 februari 2018 tot juni 2018 (gedeeltelijk) arbeidsongeschikt is geweest. Uit artikel 1.11 lid 5 van de cao blijkt dat voor het bepalen van de hoogte van het uit te betalen loon tijdens ziekte moet worden gekeken naar het gemiddeld aantal gewerkte uren in de referteperiode van de 12 voorafgaande betalingsperiodes direct voorafgaande aan het moment van de ziekmelding. In dit geval aldus naar het aantal gewerkte uren van februari 2017 tot februari 2018. Hiervoor is overwogen dat in de periode van 1 december 2014 tot 1 augustus 2018 moet worden uitgegaan van een arbeidsomvang van 140 uur per maand, zodat dit dus ook geldt voor de periode waarin [eiser] (gedeeltelijk) arbeidsongeschikt was.

5.8.

Voorts volgt uit artikel 1.11 van de cao dat de zieke werknemer over de eerste 8 weken van de arbeidsongeschiktheid recht heeft op doorbetaling van 90% van zijn laatstverdiende loon en op 100 % van zijn laatstverdiende loon gedurende de weken 9 tot en met 104 van de arbeidsongeschiktheid.

5.9.

[eiser] heeft verder, als productie 7 bij de dagvaarding, ter onderbouwing van zijn vordering een overzicht overgelegd waaruit volgt hoeveel uren hij betaald heeft gekregen en op basis waarvan hij heeft berekend hoeveel uren hij (uitgaande van een arbeidsomvang van 140 uur per maand vanaf 1 december 2014) te weinig uitbetaald heeft gekregen. Gelet op het in het voorgaande overwogene kan dit overzicht niet als uitgangspunt dienen bij het antwoord op de vraag op welk bedrag aan achterstallig loon [eiser] recht heeft, maar hieruit volgt wel dat [eiser] hoe dan ook te weinig uren uitbetaald heeft gekregen.

5.10.

Gezien het voorgaande is de kantonrechter van oordeel dat [eiser] nog in de gelegenheid moet worden gesteld een nadere, korte, toelichting te geven op de berekening van het achterstallige loon over de periode van 1 december 2014 tot en met juli 2019, waarbij aldus hetgeen in dit vonnis (meer in het bijzonder hetgeen onder 5.6. t/m 5.8.) is overwogen als vaststaand moet worden aangehouden en het als productie 7 bij de dagvaarding overgelegde urenoverzicht als uitgangspunt. Vervolgens zal Connexxion in de gelegenheid worden gesteld hierop, kort, te reageren. Het is uitdrukkelijk niet de bedoeling dat partijen een reactie geven op hetgeen verder in dit vonnis is overwogen.

5.11.

De conclusie is dat de kantonrechter de gevorderde verklaring voor recht zal toewijzen als hierna te melden en dat de beslissing omtrent het overige zal worden aangehouden.

6 De beslissing

De kantonrechter:

6.1.

verklaart voor recht dat de arbeidsomvang van [eiser] bij Connexxion vanaf 1 december 2014 tot 1 augustus 2018 140 uur per maand bedraagt en vanaf 1 augustus 2018 129,3 uur per maand;

6.2.

stelt [eiser] in de gelegenheid om uiterlijk op 23 december 2020 schriftelijk:

een nadere, korte, toelichting te geven omtrent het gevolg dat het onder 5.6. tot en met 5.8. bedoelde heeft voor de berekening van het achterstallige loon over de periode van 1 december 2014 tot en met juli 2019;

6.3.

stelt Connexxion in de gelegenheid om uiterlijk op 20 januari 2021 schriftelijk een korte, reactie te geven op het onder 6.2. bedoelde;

6.4.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.I.V. Scherpenhuijsen Rom en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.

De griffier De kantonrechter