Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2020:9878

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
26-11-2020
Datum publicatie
26-11-2020
Zaaknummer
15.298126-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vader veroordeeld voor het ter beschikking stellen van zijn garagebox aan zoon die zich bezig hield met het transformeren en verkopen van vuurwapens.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Sectie Familie & Jeugd

Locatie Alkmaar

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15.298126-19 (P)

Uitspraakdatum: 26 november 2020

Tegenspraak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 12 november 2020 in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] te [plaats] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres] .

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie

mr. M.J.A. Colijn en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. G. Martin, advocaat te Purmerend, naar voren hebben gebracht.

1 Tenlastelegging

Aan verdachte is, na wijziging van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:

1
hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 27 februari 2019 tot en met 18 oktober 2019 te Alkmaar en/of Bovenkarspel, gemeente Stede Broec, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, een of meer wapens van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten één of meer vuurwapens, waaronder ongeveer 75, in ieder geval een grote hoeveelheid, vuurwapens van het merk Ekol, Volga Cal 9 mm P.A.K., zijnde (een) vuurwapen(s) in de vorm van een geweer, revolver en/of pistool en/of munitie voorhanden heeft gehad; ( art 26 lid 1 Wet wapens en munitie )

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

[zoon verdachte] en /of [vriend zoon verdachte] op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 27 februari 2019 tot en met 18 oktober 2019 te Alkmaar en/of Bovenkarspel, gemeente Stede Broec, althans in Nederland,
tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een of meer wapens van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten één of meer vuurwapens, waaronder ongeveer 75, in ieder geval een grote hoeveelheid, vuurwapens van het merk Ekol, Volga Cal 9 mm P.A.K., zijnde (een) vuurwapen(s) in de vorm van een
geweer, revolver en/of pistool voorhanden hebben gehad, tot het plegen van welk misdrijf verdachte in of omstreeks de periode van 27 februari 2019 tot en met 18 oktober 2019 te Alkmaar, althans in Nederland opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft door aan die [zoon verdachte] en/of [vriend zoon verdachte] voor het vervaardigen en/of transformeren en/of opslaan van die wapens zijn garagebox ter beschikking te stellen en/of (tegen betaling) te verhuren;


2
hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 27 februari 2019 tot en met 18 oktober 2019 te Alkmaar en/of Bovenkarspel, gemeente Stede Broec, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, een of meer wapens van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten één of meer vuurwapens, waaronder ongeveer 75, in ieder geval een grote hoeveelheid, vuurwapens van het merk Ekol, Volga Cal 9 mm P.A.K., zijnde (een) vuurwapen(s) in de vorm van een geweer, revolver en/of pistool heeft vervaardigd en/of getransformeerd;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

[zoon verdachte] en /of [vriend zoon verdachte] op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 27 februari 2019 tot en met 18 oktober 2019 te Alkmaar en/of Bovenkarspel, gemeente Stede Broec, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een of meer wapens van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten één of meer vuurwapens, waaronder ongeveer 75, in ieder geval een grote hoeveelheid, vuurwapens van het merk Ekol, Volga Cal 9 mm P.A.K., zijnde (een) vuurwapen(s) in de vorm van een geweer, revolver en/of pistool hebben vervaardigd, tot het plegen van welk misdrijf verdachte in of omstreeks de periode van 27 februari 2019 tot en met 18 oktober 2019 te Alkmaar, althans in Nederland opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft door aan die [zoon verdachte] en/of [vriend zoon verdachte] voor het vervaardigen en/of transformeren van die wapens zijn garagebox ter beschikking te stellen en/of (tegen betaling) te verhuren en/of hen daarin van een werkbank te voorzien;

3
hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 27 februari 2019 tot en met 18 oktober 2019 te Alkmaar en/of Bovenkarspel, gemeente Stede Broec, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, een of meer wapens van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten één of meer vuurwapens, waaronder ongeveer 75, in ieder geval een grote hoeveelheid, vuurwapens van het merk Ekol, Volga Cal 9 mm P.A.K., zijnde (een) vuurwapen(s) in de vorm van een geweer, revolver en/of pistool heeft overgedragen;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:


[zoon verdachte] en /of [vriend zoon verdachte] op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 27 februari 2019 tot en met 18 oktober 2019 te Alkmaar en/of Bovenkarspel, gemeente Stede Broec, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een of meer wapens van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten één of meer vuurwapens, waaronder ongeveer 75, in ieder geval een grote hoeveelheid, vuurwapens van het merk Ekol, Volga Cal 9 mm P.A.K., zijnde (een) vuurwapens in de vorm van een geweer, revolver en/of pistool hebben overgedragen, tot het plegen van welk misdrijf verdachte op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 27 februari 2019 tot en met 18 oktober 2019 te Alkmaar, althans in Nederland opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft door aan die [zoon verdachte] en/of [vriend zoon verdachte] voor het vervaardigen en/of transformeren van die wapens zijn garagebox (inclusief werkbank) ter beschikking te stellen en/of (tegen betaling) te verhuren en door te bemiddelen tussen (een) (mogelijke) koper(s) en die [zoon verdachte] en/of [vriend zoon verdachte] .

4
hij op of omstreeks 18 oktober 2019 te Alkmaar een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen, van het merk Ekol, type Firat Magnum, kaliber 9 mm zijnde een vuurwapen in de vorm van een geweer, revolver en/of pistool voorhanden heeft gehad.

2 Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3 Beoordeling van het bewijs

3.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot vrijspraak van de onder 1 primair, 2 primair en 3 primair ten laste gelegde feiten omdat er geen sprake is van medeplegen, en tot bewezenverklaring van de onder 1 subsidiair, 2 subsidiair, 3 subsidiair en 4 ten laste gelegde feiten. Zij acht bewezen dat verdachte behulpzaam (medeplichtig) is geweest bij het voorhanden hebben, het transformeren en verhandelen van vuurwapens en dat hij zelf een vuurwapen voorhanden heeft gehad.

3.2.

Standpunt van de verdediging

De raadsman deelt het standpunt van de officier van justitie dat verdachte dient te worden vrijgesproken van de onder 1 primair, 2 primair en 3 primair ten laste gelegde feiten nu er geen sprake is van medeplegen. De raadsman heeft voorts gesteld dat ook ten aanzien van de feiten 1 subsidiair, 2 subsidiair en 3 subsidiair vrijspraak dient te volgen omdat er geen sprake is geweest van het voor medeplichtigheid vereiste dubbel opzet. [zoon verdachte] , de zoon van verdachte, had voorafgaand aan de wapenhandel al de beschikking over de garagebox om er met vrienden te chillen en aan scooters te klussen. Verdachte wist niet dat zijn zoon de garagebox ook is gaan gebruiken als ruimte waar hij vuurwapens opsloeg en ombouwde. Er zijn geen wapens aangetroffen in de garagebox en verdachte heeft nooit wapens gezien. Indien de rechtbank wel tot een bewezenverklaring komt van medeplichtigheid bij de handel in wapens, dient de tenlastegelegde periode te worden verkort van 5 juni 2019 tot en met 18 oktober 2019, namelijk vanaf het moment dat [zoon verdachte] aan verdachte vraagt of hij de garagebox mag huren.

Voor feit 4 (voorhanden hebben van een wapen) kan, aldus de raadsman, wel een bewezenverklaring volgen.

3.3

Oordeel van de rechtbank

3.3.1

Vrijspraak

De rechtbank is met de officier van justitie en de verdediging van oordeel dat niet wettig en overtuigend is bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de onder 1 primair, 2 primair en 3 primair ten laste gelegde feiten.

Verdachte zal daarom van deze feiten zonder nadere motivering worden vrijgesproken.

3.3.2

Redengevende feiten en omstandigheden

De rechtbank komt op grond van de feiten en omstandigheden, die staan in de hierna te noemen bewijsmiddelen, tot een bewezenverklaring van de onder 1 subsidiair, 2 subsidiair, 3 subsidiair en 4 ten laste gelegde feiten.

De hierna vermelde processen-verbaal zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door personen die daartoe bevoegd zijn en voldoen ook overigens aan de daaraan bij wet gestelde eisen.

De bewijsmiddelen zijn, ook in onderdelen, telkens slechts gebruikt tot het bewijs van het feit of de feiten waarop zij blijkens hun inhoud betrekking hebben en, voor zover het geschriften als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef, onder 5°, van het Wetboek van Strafvordering betreft, telkens slechts gebezigd in verband met de inhoud van de andere bewijsmiddelen.

Ten aanzien van de feiten 1 subsidiair, 2 subsidiair en 3 subsidiair:

- De verklaring die verdachte ter terechtzitting van 12 november 2020 heeft afgelegd,

zakelijk weergegeven onder meer inhoudende:

In maart 2019 ontdekte ik via een berichtje dat [zoon verdachte] zich bezighield met handel in wapens. In juni 2019 vroeg hij aan mij of hij mijn garagebox kon gebruiken. Zelf kwam ik een à twee maal per week in de garagebox met werkbank.

- Een proces-verbaal van bevindingen gedateerd 15 oktober 2019 (doorgenummerde pagina’s 89 t/m 92). Dit proces-verbaal houdt – zakelijk weergegeven – onder meer in relaas van bevindingen van verbalisanten S127 en S128, dan wel één van hen:

Ik, verbalisant S127, had een account aangemaakt voor de Telegram applicatie op een mobiele telefoon. In de groep 080 WAPENS ONLY zag ik op 5 september 2019 het bericht van Telegramgebruiker [telegramgebruiker] met de profielnaam "." staan, gepost op

4 september 2019. Het betrof een video waarop een mogelijk handvuurwapen te zien was gelijkend op een zogenoemde ladykiller. Onder de video stond de tekst “OMGEBOUWDE LADYKILLERS TE KOOP!!! (6 stuks over) 300,00 PER STUK". De telegramgebruiker [telegramgebruiker] met de profielnaam ".", zal in dit proces-verbaal verder worden aangeduid als “NN1”. Ik vroeg wat NN1 wilde hebben voor de zes ladykillers. Op 6 september 2019 gaf NN1 aan dat ze allemaal al weg waren, maar binnen twee weken weer nieuwe zou krijgen. Op 1 oktober 2019 gaf NN1 aan dat de persoon met wie hij samenwerkte nog twee had liggen. De persoon met wie NN1 zou samenwerken, kwam volgens hem uit Alkmaar en verkocht precies dezelfde ladykillers. NN1 gaf aan dat ik zijn partner kon bereiken op Telegram via de gebruikersnaam [gebruikersnaam] .

Op 2 oktober 2019 omstreeks 12:03 uur heb ik, S127, contact gezocht met Telegramgebruiker [telegramgebruiker] , met profielnaam “ [profielnaam] ”. In de chat gaf ik aan zijn contactgegevens te hebben gekregen van NN1 ( [telegramgebruiker] ) omtrent twee ladykillers met patronen. De telegramgebruiker [telegramgebruiker] zal in dit proces-verbaal verder worden aangeduid als "Vuurwapens072”. Vuurwapens072 reageerde bevestigend en vroeg hoe laat ik langs kon komen. Vervolgens ontstond er een chat van meerdere dagen. Vuurwapens072 gaf onder meer het volgende aan:

- Het betreffen omgebouwde ladykillers

- Vijfendertig patronen worden los bijgeleverd

- Vuurwapens liggen in een box

Op 11 oktober 2019 hadden wij een afspraak in Alkmaar met Vuurwapens072 voor de aankoop van twee ladykillers inclusief patronen. Wij zagen dat Vuurwapens072 een blanke jongen was van ongeveer 20 jaar oud.

- Vuurwapen072 leverde in totaal 35 patronen voor beide vuurwapens.

- Gaf aan samen te werken met een Albanees die woonachtig is in [plaats] .

- De Albanees betreft de persoon die mij, SI27, de contactgegevens gaf van Vuurwapens072.

- Ze bouwen de vuurwapens zelf om en maken ook zelf de patronen

- Zijn vader weet van zijn handel af

- De box is ook van zijn vader.

Op basis van informatie die voortkwam uit de ontmoeting met de verkoper Vuurwapens072 op 11 oktober 2019 en waarnemingen van het observatieteam zijn diverse zoekslagen uitgevoerd in de politie informatiesystemen om de identiteit van de verkopers te achterhalen. Vuurwapens072 blijkt te zijn genaamd: [zoon verdachte] , geboortedatum [geboortedatum] .

- Een proces-verbaal van bevindingen gedateerd 18 december 2019 (doorgenummerde pagina’s 470 t/m 473). Dit proces-verbaal houdt – zakelijk weergegeven – onder meer in relaas van bevindingen van verbalisant [geboortedatum] :

Na de aanhouding van de verdachte [verdachte] is zijn telefoon in beslag genomen ter waarheidsvinding en onderzocht. Ik zag een op 30 juli 2019 geplaatst chatbericht tussen de verdachte [verdachte] en zijn zoon, de verdachte [zoon verdachte] , waar uit blijkt dat verdachte [verdachte] zijn zoon attendeert op het feit dat zijn naam en telefoonnummer gekoppeld zijn aan het Telegram account waarin de tekst staat:

OMGEBOUWDE LADYKILLERS TE KOOP!!! 1 omgebouwde ladykiller=300,-

In het bericht is te lezen dat [verdachte] op dit bericht reageert met: “Dit wel beetje niet slim” en “haal het weg”.

Het contact [contact] stond op de datum 30 juli 2019, tevens opgeslagen in de afbeeldingen van de telefoon van [verdachte] .

- Een proces-verbaal van bevindingen gedateerd 28 november 2019 (doorgenummerde pagina’s 452 t/m 465). Dit proces-verbaal houdt – zakelijk weergegeven – onder meer in relaas van bevindingen van verbalisant [geboortedatum] :

Na de aanhouding van de verdachte [verdachte] is zijn telefoon in beslag genomen en onderzocht. Uit een WhatsApp chat op 13 maart 2019 tussen verdachte en de coach van zijn zoon [zoon verdachte] , blijkt dat verdachte heeft ontdekt dat zijn zoon wapens koopt. (pag. 453)

Uit een chat op 30 mei 2019 blijkt dat verdachte aan zijn zoon vraagt hoe het gaat met de pistolen, de neppers, die hij in Polen besteld heeft, waarop [zoon verdachte] antwoordt dat hij ze ombouwt tot echt, er een pak geld mee verdient en straks wel ff met eentje langs kan komen met [vriend zoon verdachte] . Verdachte antwoordt “kom maar wat brengen dan, bakken met geld”, waarop [zoon verdachte] antwoordt dat hij alles weer heeft geïnvesteerd. (pag’s 455 t/m 457)

Uit een chat op 3 juni 2019 blijkt dat [zoon verdachte] aan verdachte vraagt of hij de schuur niet even kan gebruiken want hij moet voor woensdag wat klaar hebben en hij moet nog iemand betalen, hij wil er desnoods wel wat voor betalen.

Uit een chat op 5 juni 2019 blijkt dat [zoon verdachte] zijn vader nogmaals vraagt of hij de schuur mag gebruiken en er desnoods een meier per maand voor wil neerleggen. [zoon verdachte] appt: “die in de flat of buiten, we willen er echt goed voor betalen omdat we stroom nodig hebben en echt grote ladingen krijgen”. Verdachte antwoord hierop: “je mag van mij de garage gebruiken als ik er maar niet mee wordt lastig gevallen, stroom regelen we via [naam] ” en “een meier klinkt goed”. [zoon verdachte] appt: “hoe wil je de stroom gaan fixen dan? en vervolgens “komt goed, we gebruiken boorolie dus je hoort niks” (pag’s 458 t/m 460).

Een proces-verbaal van verhoor d.d. 17 januari 2020 (pagina's 321 ev). Dit proces-verbaal houdt – zakelijk weergegeven – onder meer in als de op 17 januari 2020 door [zoon verdachte] ten overstaan van verbalisanten [verbalisant 2] en [geboortedatum] afgelegde verklaring:

Wij zijn in februari of maart begonnen met de inkoop en verkoop van vuurwapens. We kochten ze in bij [bedrijf] .com. Eerst de Bruni’s, later de Ekol Volga omdat je deze kon ombouwen. De inkoopprijs was € 46,-. Ik verkocht ze voor 300, soms minder. [vriend zoon verdachte] had zijn handel en ik had mijn handel. We kwamen aan onze klanten voor de verkoop van wapens via Telegram.

Een proces-verbaal van verhoor d.d. 20 januari 2020 (pagina's 365 ev). Dit proces-verbaal houdt – zakelijk weergegeven – onder meer in als de op 20 januari 2020 door [vriend zoon verdachte] ten overstaan van verbalisanten [verbalisant 2] en [geboortedatum] afgelegde verklaring:

Wij bouwden die wapens om in de garage van de vader van [zoon verdachte] . We boden in maart 2019 voor het eerst Ladykillers aan. We kochten ze in bij [bedrijf] op Internet. Ik bestelde ze op naam van mijn moeder, dat deed [zoon verdachte] ook. We bewaarden de wapens in de garagebox. We bestelden de Ekol Volga en de Ekol Agent omdat je die kan boren. De verkoopprijs was

€ 300,- per stuk. Als ik niet kon deed [zoon verdachte] de verkoop, soms deden we het samen, soms alleen maar meestal waren we wel met z’n tweeën.

De rechtbank komt voorts op grond van de feiten en omstandigheden, die zijn vervat in de hierna te noemen bewijsmiddelen, tot een bewezenverklaring van het onder 4 ten laste gelegde feit.

De rechtbank heeft vastgesteld dat ten aanzien van het bewezen verklaarde feit sprake is van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste volzin, van het Wetboek van Strafvordering. Gelet daarop zal voor dit feit worden volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen op grond waarvan de rechtbank tot een bewezenverklaring is gekomen.

De hierna vermelde processen-verbaal zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door personen die daartoe bevoegd zijn en voldoen ook overigens aan de daaraan bij wet gestelde eisen.

- de bekennende verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 12 november

2020;

- het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van doorzoeking ter inbeslagneming van 20 oktober 2019, inhoudende de bevindingen van verbalisant [verbalisant 3] op 18 oktober 2019, (dossierpagina’s 241 t/m 242);

- het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal onderzoek wapen van

30 december 2019, inhoudende de bevindingen van verbalisant [verbalisant 4] , materiedeskundige wapens (dossierpagina’s 220 t/m 225;

3.3.3

Bewijsmotivering

Aan verdachte is - kort gezegd - de medeplichtigheid bij het voorhanden hebben, het transformeren en verhandelen van vuurwapens ten laste gelegd. Vereist voor strafbare medeplichtigheid is een dubbel opzet: opzet gericht op de eigen behulpzaamheid en opzet op het gronddelict ten aanzien waarvan hulp wordt verleend. De vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of het opzet van verdachte, toen hij op verzoek van zijn zoon bewust zijn garagebox aan hem ter beschikking stelde, in ieder geval in de vorm van voorwaardelijk opzet, was gericht op het voorhanden hebben, transformeren en verhandelen van vuurwapens.

Uit de bewijsmiddelen blijkt dat verdachte in maart 2019 wist dat zijn zoon wapens kocht in het buitenland en dat hij in mei 2019 van zijn zoon hoorde dat hij alarmpistolen ombouwde tot echte wapens, er bakken geld mee verdiende en dat geld al weer geïnvesteerd had.

Toen zijn zoon in juni 2019 aan verdachte vroeg om de garagebox en stroom te mogen gebruiken, was dat omdat “ze voor woensdag iets klaar moeten hebben en er grote ladingen aan kwamen”.

Op grond van genoemde bewijsmiddelen was verdachte ervan op de hoogte dat zijn zoon zich bezighield met het transformeren en verkopen van vuurwapens. Door zijn garagebox vervolgens aan zijn zoon en diens medeverdachte ter beschikking te stellen, heeft verdachte naar het oordeel van de rechtbank bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat de garagebox gebruikt zou gaan worden voor het transformeren en opslaan van deze vuurwapens, waardoor verdachte ook een bijdrage heeft geleverd aan het mogelijk maken van deze wapenhandel.

3.4.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder 1 subsidiair, 2 subsidiair, 3 subsidiair en 4 ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat

1. subsidiair:

[zoon verdachte] en [vriend zoon verdachte] in de periode van 27 februari 2019 tot en met 18 oktober 2019 te Alkmaar en/of Bovenkarspel, gemeente Stede Broec, althans in Nederland,
tezamen en in vereniging, wapens van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten vuurwapens van het merk Ekol, zijnde vuurwapens in de vorm van een pistool voorhanden hebben gehad, tot het plegen van welk misdrijf verdachte in de periode van 5 juni 2019 tot en met 18 oktober 2019 te Alkmaar, opzettelijk gelegenheid heeft verschaft door aan die [zoon verdachte] en [vriend zoon verdachte] voor het opslaan van die wapens zijn garagebox ter beschikking te stellen;

2 subsidiair:
[zoon verdachte] en [vriend zoon verdachte] in de periode van 27 februari 2019 tot en met 18 oktober 2019 te Alkmaar tezamen en in vereniging, wapens van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten vuurwapens van het merk Ekol, zijnde vuurwapens in de vorm van een pistool hebben getransformeerd, tot het plegen van welk misdrijf verdachte in de periode van 5 juni 2019 tot en met 18 oktober 2019 te Alkmaar, opzettelijk gelegenheid heeft verschaft door aan die [zoon verdachte] en [vriend zoon verdachte] voor het transformeren van die wapens zijn garagebox ter beschikking te stellen;

3 subsidiair:
[zoon verdachte] en [vriend zoon verdachte] in de periode van 27 februari 2019 tot en met 18 oktober 2019 te Alkmaar en/of Bovenkarspel, gemeente Stede Broec, althans in Nederland, tezamen en in vereniging, wapens van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten vuurwapens van het merk Ekol, zijnde vuurwapens in de vorm van een pistool hebben overgedragen, tot het plegen van welk misdrijf verdachte in de periode van 5 juni 2019 tot en met 18 oktober 2019 te Alkmaar, opzettelijk gelegenheid heeft verschaft door aan die [zoon verdachte] en [vriend zoon verdachte] voor het transformeren van die wapens zijn garagebox ter beschikking te stellen;


4
hij op 18 oktober 2019 te Alkmaar een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen, van het merk Ekol, type Firat Magnum, kaliber 9 mm, zijnde een vuurwapen in de vorm van een pistool voorhanden heeft gehad.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

Hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4 Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten

Het bewezenverklaarde levert op:

1. subsidiair

medeplichtigheid aan het medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III, meermalen gepleegd

2 subsidiair

medeplichtigheid aan het medeplegen van handelen in strijd met artikel 9, eerste lid van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III, meermalen gepleegd

3 subsidiair

medeplichtigheid aan medeplegen van handelen in strijd met artikel 31, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III, meermalen gepleegd;

4

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapen en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is dus strafbaar.

5 Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dus strafbaar.

6 Motivering van de sanctie

6.1

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, met aftrek van voorarrest. Zij is van mening dat verdachte een bijdrage heeft geleverd aan zeer ernstige feiten, namelijk aan het in omloop brengen van omgebouwde vuurwapens door minderjarigen, waaronder zijn eigen zoon. Vanwege ernst van de feiten en de aangescherpte richtlijnen voor bestraffing van dit soort feiten acht de officier van justitie een onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend.

6.2

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft aangevoerd dat het probleem in deze zaak vooral gelegen is in de relatie tussen verdachte en zijn zoon [zoon verdachte] , een van de verdachten van de wapenhandel.

Verdachte heeft een bijzondere rol als vader. Hij is na de geboorte van [zoon verdachte] door de moeder uit zijn vaderrol geplaatst, waardoor de relatie van verdachte en zijn zoon is scheefgegroeid. Verdachte heeft bij de coach van [zoon verdachte] gemeld dat zijn zoon wapens kocht, maar daar is niets mee gebeurd. Zelf heeft hij [zoon verdachte] niet willen aangeven omdat hij als vader zijn zoon niet wilde verliezen. Het lijkt erop dat verdachte heeft meegedaan met de illegale activiteiten van zijn zoon, maar dat deed hij niet bewust.

Zijn bedoeling was om een betere band te krijgen met [zoon verdachte] , in de hoop dat als [zoon verdachte] ouder zou worden hij meer naar verdachte zou toetrekken, waardoor hij uit de invloedsfeer van zijn moeder zou komen. De raadsman vindt de eis van de officier van justitie fors. Deze eis zou begrijpelijk zijn wanneer verdachte zich daadwerkelijk zou hebben beziggehouden met het transformeren van wapens en bij het bemiddelen van de handel daarvan, maar dat blijkt niet uit het dossier. Verdachte is ZZP-er en het zou zeer nadelige gevolgen voor hem en zijn huidige gezin hebben als hij weer gedetineerd raakt. Bij een veroordeling bepleit de raadsman oplegging van een werkstraf en daarnaast eventueel een voorwaardelijke gevangenisstraf.

6.3

Oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, en door de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft aan zijn zoon en diens beste vriend zijn garagebox ter beschikking gesteld, terwijl hij wist dat zij zich bezig hielden met het transformeren van gas/alarmpistolen tot vuurwapens die geschikt zijn om scherpe patronen mee af te vuren en deze vuurwapens vervolgens verkochten. Door het ter beschikking stellen van zijn garagebox hadden de zoon van verdachte en diens vriend een ruimte waar zij de wapens konden ombouwen en opslaan en aldus heeft verdachte een cruciale bijdrage geleverd aan de handel in getransformeerde vuurwapens. Mede door het handelen van verdachte is de veiligheid van mensen in gevaar gebracht. Door het in omloop brengen en houden van vuurwapens in de samenleving worden gevoelens van onveiligheid in die samenleving versterkt. Deze illegale wapens kunnen bovendien in handen vallen van criminelen die daarmee strafbare feiten, waaronder levensdelicten, kunnen plegen. Verdachte heeft daar blijkbaar geen rekening mee gehouden en heeft vooral gedacht aan hoe hij de relatie met zijn zoon kon behouden. De rechtbank rekent het verdachte aan dat hij, als volwassene én vader, niet zijn verantwoordelijkheid heeft genomen en zijn minderjarige zoon ervan heeft weerhouden om zich bezig te houden met zulke ernstige feiten. Daarentegen heeft verdachte zijn zoon en de mededader geholpen bij zijn handel in wapens door hen een werkplek en een opslagplek ter beschikking te stellen.

Met betrekking tot de persoon van verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op:

- het op naam van verdachte staand Uittreksel Justitiële Documentatie, gedateerd 21 oktober 2020, waaruit blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld.

- het over de verdachte uitgebrachte voorlichtingsrapport gedateerd 9 november 2020 van [reclasseringswerker] , als reclasseringswerker verbonden aan Reclassering Nederland.

Uit het reclasseringsadvies blijkt onder meer dat in het kader van de schorsing van de voorlopige hechtenis is geprobeerd verdachte te begeleiden, hem een traject te bieden dat als doel had de cognitieve vaardigheden van verdachte te versterken en te werken aan de verwerking van traumatische herinneringen.

Gebleken is echter dat een dergelijk hulpverleningstraject niet uitvoerbaar is omdat verdachte niet de verantwoordelijkheid neemt voor de tenlastegelegde feiten en niet intrinsiek gemotiveerd is om hieraan mee te werken. Geadviseerd wordt om aan verdachte een straf op te leggen zonder bijzondere voorwaarden.

Door de reclassering worden geen mogelijkheden gezien om met interventies of toezicht de risico's te beperken of het gedrag te veranderen. Verdachte is wel in staat om een taakstraf uit te voeren.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een straf van na te noemen duur moet worden opgelegd. De rechtbank ziet daarbij aanleiding om af te wijken van de eis van de officier van justitie omdat de rechtbank tot een bewezenverklaring komt van een kortere pleegperiode. Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat uit de stukken en de verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting, blijkt dat hij niet van het begin af aan doelbewust bezig is geweest om zijn zoon en diens medeverdachte te faciliteren bij hun handel in wapens. Uit het dossier blijkt juist de ambivalentie die verdachte heeft wanneer hij erachter komt dat zijn zoon wapens koopt in het buitenland. Hij meldt dat min of meer gelijk bij de coach van zijn zoon. Ook uit de Whatsapp gesprekken blijkt in eerste instantie terughoudendheid van verdachte wanneer zijn zoon vraagt of hij de garagebox mag gebruiken voor zijn handel. De rechtbank neemt het verdachte wel kwalijk dat hij, toen de coach na een gesprek met [zoon verdachte] en zijn moeder verder niets met zijn melding deed, vervolgens zelf niet heeft ingegrepen door de vinger aan de pols te houden en dat hij vervolgens toch zijn garagebox ter beschikking heeft gesteld aan zijn zoon. Dit met name, zo begrijpt de rechtbank, om het contact met zijn zoon niet kwijt te raken. Rekening houdend met deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat een vrijheidsstraf van na te noemen duur passend is, waarbij de rechtbank zal bepalen dat deze straf vooralsnog niet ten uitvoer zal worden gelegd. Aan deze straf zal de rechtbank een proeftijd verbinden van twee jaren, ervan uitgaande dat dit verdachte ervan zal weerhouden om zich voor het einde van die proeftijd schuldig te maken aan een strafbaar feit.

De rechtbank is voorts van oordeel dat ook een maximale taakstraf moet worden opgelegd bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid.

7 Beslissingen ten aanzien van het beslag

Onder verdachte zijn de volgende voorwerpen in beslag genomen:

- een ING pas op naam van [naam] , en

- een sleutel met label met opschrift ‘garagebox’.

7.1

standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft ten aanzien van de in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerpen gesteld dat deze kunnen worden teruggegeven aan de broer van verdachte en ten aanzien van de sleutel dat deze terug kan naar de rechthebbende.

7.2

standpunt van de verdediging

De raadsman heeft geen verweer gevoerd met betrekking tot de beslissingen op het beslag.

7.3

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat de onder verdachte in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

- een ING pas op naam van [naam] , en

- een sleutel met label met opschrift ‘garagebox’ ,

dienen te worden teruggegeven aan [naam] , respectievelijk aan [naam] ,

aangezien deze personen redelijkerwijs als rechthebbenden van genoemde goederen kunnen worden aangemerkt.

8 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

De artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 47, 57 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 9, 26, 31, 55 van de Wet wapens en munitie.

9 Beslissing

De rechtbank:

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte onder 1 primair, 2 primair en 3 primair is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte de onder 1 subsidiair, 2 subsidiair, 3 subsidiair en 4 ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4 weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.

Bepaalt dat de onder 3.4 bewezen verklaarde feiten de hierboven onder 4. vermelde strafbare feiten opleveren.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) maanden.

Beveelt dat deze gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd en stelt daarbij een proeftijd vast van twee jaren.

Stelt als algemene voorwaarde dat veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

Veroordeelt verdachte tot het verrichten van 240 (tweehonderdveertig) uren taakstraf die bestaat uit het verrichten van onbetaalde arbeid, bij het niet of niet naar behoren verrichten daarvan te vervangen door 120 dagen hechtenis.

Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde taakstraf in mindering wordt gebracht, met dien verstande dat voor elke dag die verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht twee uren taakstraf, subsidiair één dag hechtenis, in mindering worden gebracht.

Gelast de teruggave van:

- de ING pas aan de rechthebbende [naam] , en

- de sleutel met label met opschrift ‘garagebox’ aan de rechthebbende [naam] .

beslissing over voorlopige hechtenis

Heft op het reeds geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. K.I. de Jong, voorzitter,

mr. G.A.M. van Dijk en mr. A.S. van Leeuwen, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier M. Woudman,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 26 november 2020.

Mr. K.I. de Jong is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.