Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2020:9796

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
24-11-2020
Datum publicatie
24-11-2020
Zaaknummer
15/215492-20 en 15/243819-20
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Poging tot doodslag door 16-jarige jongen op een leeftijdsgenoot in augustus 2019 te Assendelft. Verdachte heeft het slachtoffer tweemaal met een groot mes in de borst gestoken en één keer in het bovenbeen. Het slachtoffer heeft een dubbele klaplong opgelopen. De rechtbank heeft het beroep van de verdediging op noodweer(exces) verworpen. Hoewel verdachte zich mocht verdedigen toen het slachtoffer hem met een helm sloeg, ging hij daarin te ver. Hij had voorafgaand aan de confrontatie een mes opgehaald, en had zich kunnen distantiëren. Hij koos echter de aanval en stak het slachtoffer drie keren.

Verder is verdachte veroordeeld voor een poging tot woninginbraak eerder die maand.

De rechtbank heeft verdachte veroordeeld tot 140 dagen jeugddetentie, waarvan 108 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar. Er zijn tevens bijzondere voorwaarden aan verdachte opgelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Familie & Jeugd

Locatie Haarlem

Meervoudige kamer jeugdstrafzaken

Parketnummers: 15/215492-20 en 15/243819-20

Uitspraakdatum: 24 november 2020

Tegenspraak

Vonnis

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting met gesloten deuren van 10 november 2020 in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] te [plaats] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres

( [adres] .

De rechtbank heeft de zaken, die bij afzonderlijke dagvaardingen onder de bovenvermelde parketnummers zijn aangebracht, gevoegd.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie

mr. C.M. Brugman en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. S.J. van Galen, advocaat te Purmerend, naar voren hebben gebracht.

1 Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

Inzake parketnummer 15/215492-20:

hij op of omstreeks 23 augustus 2020 te Assendelft, gemeente Zaanstad ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 1] ( [geboortedatum] ) opzettelijk van het leven te beroven, met dat opzet met een mes, althans met een scherp en/of puntig voorwerp, meermalen in de borst en/of het lichaam van die [slachtoffer 1] heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Inzake parketnummer 15/243819-20:

hij op of omstreeks 3 augustus 2020 te Krommenie, gemeente Zaanstad ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om geld en/of elektronica en/of andere goederen van zijn gading, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te weten aan [slachtoffer 2] , weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en zich toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen en/of dat/die weg te nemen goed/goederen onder zijn bereik te brengen door middel van braak en/of verbreking en/of inklimming door ingooing van een ruit van de woning van die [slachtoffer 2] terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

2. Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3 Beoordeling van het bewijs

3.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de ten laste gelegde feiten.

Ten aanzien van het feit met parketnummer 15/215492-20 is de officier van justitie van oordeel dat sprake is van voorwaardelijk opzet. Het is vaste jurisprudentie dat iemand die een ander met een mes in het bovenlichaam steekt, bewust het aanmerkelijke risico aanvaardt dat het slachtoffer hierdoor zal overlijden.

3.2.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich ten aanzien van het feit met parketnummer 15/243819-20 gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Ten aanzien van het feit met parketnummer 15/215492-20 heeft de verdediging zich primair op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken. De verdediging heeft ter onderbouwing naar voren gebracht dat verdachte geen opzet heeft gehad op de dood van het slachtoffer (hierna: [slachtoffer 1] ), ook niet in voorwaardelijke zin. Er is geen sprake geweest van de aanmerkelijke kans dat [slachtoffer 1] als gevolg van het handelen van verdachte had kunnen komen te overlijden. De medische informatie in het dossier is te summier om de ernst van het letsel te kunnen vaststellen, en het genoemde letsel zal, aldus de verdediging, hoogstwaarschijnlijk niet leiden tot blijvende of langdurige beperkingen. Uit de geneeskundige verklaring blijkt ook dat de herstelduur gering is, namelijk 6 weken.

Voor het geval de rechtbank de aanmerkelijke kans aanwezig acht, heeft de verdediging aangevoerd dat verdachte deze kans niet bewust heeft aanvaard. Verdachte heeft niet de bedoeling gehad [slachtoffer 1] van het leven te beroven. Het betrof, zo blijkt ook onder andere uit de verklaring van getuige [getuige 1] (hierna: [getuige 1] ), een uit de hand gelopen ruzie. Verdachte heeft in paniek het mes getrokken toen hij door [slachtoffer 1] met een helm op zijn hoofd geslagen werd.

3.3

Oordeel van de rechtbank

3.3.2

Redengevende feiten en omstandigheden

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van de ten laste gelegde feiten op grond van de bewijsmiddelen die in de bijlage bij dit vonnis zijn vervat.

3.3.3

Bewijsoverweging

Ten aanzien van het feit met parketnummer 15/215492-20 overweegt de rechtbank dat er een aanzienlijke kans is dat vitale organen worden geraakt, wanneer iemand met een mes in het bovenlichaam wordt gestoken. Verdachte heeft [slachtoffer 1] met een groot mes (onder meer) tweemaal in het bovenlichaam gestoken, in de borstkas, waarmee verdachte naar het oordeel van de rechtbank bewust het aanmerkelijke risico heeft aanvaard dat [slachtoffer 1] als gevolg van zijn handelen zou komen te overlijden. [slachtoffer 1] heeft als gevolg van de messtekentwee klaplongen opgelopen. Het is aan omstandigheden buiten het handelen van verdachte te danken dat er op tijd medische hulp ter plaatse was, zodat [slachtoffer 1] niet is overleden aan deze verwondingen. Verdachte kon weten dat de dood het gevolg van zijn handelen (steken in de borstkas) had kunnen zijn. Door meer keren te steken heeft hij die kans naar de uiterlijke verschijningsvorm ook aanvaard. Dat hij niet bewust de dood van [slachtoffer 1] heeft gewild, doet hieraan naar het oordeel van de rechtbank niet af.

3.4.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat

Inzake parketnummer 15/215492-20:

hij op 23 augustus 2020 te Assendelft, gemeente Zaanstad ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 1] opzettelijk van het leven te beroven, met dat opzet met een mes, meermalen in de borst en het lichaam van die [slachtoffer 1] heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Inzake parketnummer 15/243819-20:

hij op 3 augustus 2020 te Krommenie, gemeente Zaanstad ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om geld en/of elektronica en/of andere goederen, toebehorende aan [slachtoffer 2] , weg te nemen, met het oogmerk het zich wederrechtelijk toe te eigenen, zich toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak en inklimming, door ingooiing van een ruit van de woning van die [slachtoffer 2] terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

Hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4 Kwalificatie van de feiten

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van parketnummer 15/215492-20:

Poging tot doodslag.

Ten aanzien van parketnummer 15/243819-20:

Poging tot diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak en inklimming.

5 Strafbaarheid van de feiten

Ten aanzien van het feit met parketnummer 15/215492-20 heeft de verdediging subsidiair verzocht verdachte te ontslaan van alle rechtsvervolging, omdat sprake is geweest van noodweer. Verdachte heeft verklaard dat hij op het station (Krommenie Assendelft) onverwacht werd geconfronteerd met [slachtoffer 1] en [getuige 1] , door wie hij zich bedreigd voelde. [slachtoffer 1] heeft verdachte op het hoofd geslagen met een helm. Gelet hierop was sprake van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van zijn lijf waartegen hij zich moest verdedigen. Omdat hij op dat moment werd ingesloten door [slachtoffer 1] en [getuige 1] , aldus verdachte, had hij geen andere mogelijkheid zich te verdedigen dan het mes te pakken en daarmee [slachtoffer 1] te steken. De verdediging is van mening dat het verdedigingsmiddel van verdachte niet in onredelijke verhouding stond tot de ernst van de aanranding. In de visie van de verdediging staat het gegeven dat verdachte uit angst voor [slachtoffer 1] en [getuige 1] , eerder die dag een mes heeft opgehaald en bij zich heeft gestoken niet in de weg aan een beroep op noodweer.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte geen beroep op noodweer toekomt omdat hij zichzelf heeft gebracht in de situatie dat hij met [slachtoffer 1] en [getuige 1] geconfronteerd werd, door met hen af te spreken op het station. Bovendien had verdachte kunnen weg komen nadat hij een klap had gekregen en is zijn reactie hoe dan ook buitenproportioneel. De officier van justitie heeft daarom geconcludeerd dat het beroep op noodweer niet kan slagen.

De rechtbank overweegt dat het op basis van de verklaringen in het dossier onduidelijk is gebleven wanneer verdachte precies het mes heeft getrokken. [slachtoffer 1] heeft verklaard dat hij verdachte met de helm heeft geslagen om een aanval van verdachte met het mes af te weren, maar verdachte, [getuige 1] en getuige [getuige 2] ( [getuige 2] ) hebben verklaard dat verdachte eerst door [slachtoffer 1] met de helm is geslagen. De rechtbank is gelet hierop van oordeel dat het niet onaannemelijk is dat verdachte daadwerkelijk eerst door [slachtoffer 1] is geslagen. De rechtbank zal verdachte daarom het voordeel van de twijfel geven en uitgaan van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van verdachte en dus van een noodweersituatie. En hoewel de rechtbank ervan uitgaat dat verdachte op het station niet onverwacht werd geconfronteerd met [slachtoffer 1] en [getuige 1] maar dat hij daar met hen had afgesproken, met name gelet op de vele telefonische contacten die verdachte met [slachtoffer 1] heeft gezocht en gehad, (kort) voorafgaand aan de ontmoeting, alsmede gelet op het gegeven dat hij zich op een confrontatie had voorbereid en een mes bij zich had gestoken, hoeven die omstandigheden, naar het oordeel van de rechtbank, het slagen van het beroep op noodweer niet in de weg te staan.

Vervolgens dient de vraag te worden beantwoord of de verdediging van verdachte proportioneel en subsidiair is geweest. De rechtbank is van oordeel dat dit niet het geval is geweest. Verdachte heeft verklaard dat er iemand achter hem stond en iemand voor hem. Dit mag zo zijn, dat wil niet zeggen dat verdachte zich niet had kunnen distantiëren van de situatie. Zo verklaart ook de met verdachte meegereisde vriend en getuige [getuige 2] dat daar ruimte voor was. Dat verdachte naar eigen zeggen uit angst voor [getuige 1] niet zou hebben kunnen wegrennen, omdat deze hem waarschijnlijk zou achtervolgen, is hierbij in de visie van de rechtbank onvoldoende. Deze stelling is niet nader onderbouwd en verdachte heeft het ook niet eens geprobeerd.

Proportioneel was de verdediging evenmin. De tegenaanval van verdachte bestond uit twee messteken in het bovenlichaam en één in het rechter bovenbeen van [slachtoffer 1] , hetgeen in de gegeven omstandigheden als pure aanvalshandelingen gezien moet worden.

Voorts gaat, naar het oordeel van de rechtbank, de vergelijking van de noodweer situatie van verdachte met die in de door de raadsman aangehaalde uitspraken niet op. De omstandigheid dat iemand een ander in de rug steekt, omdat hem zijn bewegingsvrijheid is ontnomen doordat hij bij nek/hoofd is vastgepakt om te fixeren, is toch echt van een andere orde. Dat geldt evenzeer voor de situatie dat iemand een mes bij zich stak toen hij zich reeds in een bedreigende situatie bevond. Ook daarvan is in het geval van verdachte geen sprake geweest. Hij had het mes immers al opgehaald voordat hij naar [slachtoffer 1] en [getuige 1] ging en met de helm werd geslagen. Kortom, de wijze waarop verdachte zich heeft verdedigd is niet proportioneel geweest.

Gelet op het voorgaande verwerpt de rechtbank het beroep van de verdediging op noodweer.

Ook verder is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is derhalve strafbaar.

Ook in de zaak met parketnummer 15/243819-20 is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is dus strafbaar.

6 Strafbaarheid van verdachte

Meer subsidiair heeft de verdediging zich ten aanzien van het feit met parketnummer 15/215492-20 op het standpunt gesteld dat sprake is geweest van noodweerexces, omdat er als gevolg van de aanranding bij verdachte een hevige gemoedsbeweging is ontstaan.

De officier van justitie is van oordeel dat dit verweer niet kan slagen.

Naar het oordeel van de rechtbank is aannemelijk dat verdachte boos is geworden naar aanleiding van de klap met de helm van [slachtoffer 1] . Dit is echter ontoereikend om te kunnen spreken van de voor een geslaagd beroep op noodweerexces vereiste hevige gemoedsbeweging, veroorzaakt door de daaraan voorafgaande wederrechtelijke aanranding.

Nu niet aannemelijk is geworden dat verdachte handelde onder invloed van een dergelijke hevige gemoedsbeweging, wordt het beroep op noodweerexces verworpen.

Er is ook verder geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is derhalve strafbaar.

7 Motivering van de sanctie

7.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een jeugddetentie van 140 dagen, waarvan 110 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar. Zij heeft gevorderd dat verdachte als bijzondere voorwaarden wordt opgelegd dat de begeleiding door de coach van 075 wordt voortgezet, verdachte meewerkt aan behandeling, en zich houdt aan een avondklok – in te vullen door de jeugdreclassering – en dat dit elektronisch toezicht maximaal drie maanden wordt voortgezet. Ook heeft de officier van justitie gevorderd dat als bijzondere voorwaarde wordt opgelegd dat verdachte geen contact heeft met [slachtoffer 1] en [getuige 1] . Voorts heeft de officier van justitie gevorderd dat opdracht aan de jeugdreclassering wordt gegeven tot toezicht en begeleiding.

Tot slot heeft de officier van justitie gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een werkstraf van 60 uur, te vervangen door 30 dagen jeugddetentie.

7.2.

Standpunt van de verdediging

Voor het geval de rechtbank de feiten bewezen acht, heeft de verdediging verzocht om verdachte, gelet op het advies van de Raad voor de Kinderbescherming, naast een (deels) voorwaardelijke jeugddetentie, geen werkstraf op te leggen. Daarnaast is de verdediging van mening dat het niet vanzelfsprekend moet zijn verdachte een onvoorwaardelijke jeugddetentie op te leggen die gelijk is aan de tijd die hij in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. Tot slot heeft de verdediging naar voren gebracht dat de noodzaak voor het voortduren van het elektronisch toezicht onvoldoende is onderbouwd. Dit is immers een ernstige inbreuk op de persoonlijke integriteit en werkt stigmatiserend, terwijl het recidiverisico in het geval van verdachte als laag wordt ingeschat. In de overige bijzondere voorwaarden kan hij zich vinden.

7.3.

Oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de sanctie die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat verdachte betrokken is geweest bij een ruzie waarbij hij de confrontatie niet uit de weg is gegaan en [slachtoffer 1] met een groot mes heeft gestoken. Hierbij is [slachtoffer 1] in zijn borst, buik en bovenbeen geraakt en heeft hij twee klaplongen en een gebroken rib opgelopen. Dit is een zeer ernstig feit, waarbij er van geluk mag worden gesproken dat dit incident niet heeft geleid tot de dood van [slachtoffer 1] . Naast letsel hebben dit soort feiten vaak grote gevolgen voor de slachtoffers. Zo lijden zij vaak langdurig aan angsten, nachtmerries en/of herbelevingen en kunnen zij lang problemen ervaren in hun dagelijks functioneren.

Daarnaast heeft verdachte in een woning ingebroken. Hij heeft een steen door de ruit gegooid en is door het gat naar binnen geklommen. Vervolgens is hij in de woning op zoek gegaan naar waardevolle spullen en heeft hij deze klaargezet om mee te nemen. De politie is echter gekomen toen hij nog in de woning was, zodat het is gebleven bij een poging woninginbraak. Slachtoffers ondervinden veel nadelige gevolgen van woninginbraken. Doorgaans, zoals ook in dit geval, is er forse schade aangericht en moet er veel geregeld worden om alles weer in de oude staat te brengen. Daarnaast voelen slachtoffers zich vaak lang onveilig doordat iemand ongewenst in hun woning is geweest en hun kasten en eigendommen heeft doorzocht, terwijl mensen zich in hun eigen huis juist veilig moeten kunnen voelen. Ook voor de omwonenden brengen woninginbraken gevoelens van onveiligheid mee.

Met betrekking tot de persoon van verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op:

- het Uittreksel Justitiële Documentatie op naam van verdachte van 26 oktober 2020, waaruit blijkt dat hij niet eerder veroordeeld is;

- het voorlichtingsrapport over verdachte van de Raad voor de Kinderbescherming van 3 november 2020 en

- het psychologisch rapport van [GZ-psycholoog] ., GZ-psycholoog, onder supervisie van [GZ-psycholoog] , GZ-psycholoog, van 29 oktober 2020.

Laatstgenoemd rapport houdt onder meer, kort en zakelijk weergegeven, het volgende in:

Bij verdachte is sprake van een tweetal stoornissen en een bedreigde persoonlijkheidsontwikkeling met vermijdende trekken. Ook heeft hij te maken met een (fors) disharmonisch intelligentieprofiel. De problematiek was aanwezig ten tijde van het ten laste gelegde.

Verdachte staat onvoldoende in contact met (negatieve) gevoelens, waardoor hij moeite heeft om in stressvolle situaties een passende oplossing te vinden. Dit past bij de aanpassingsstoornis en bedreigde persoonlijkheidsontwikkeling met vermijdende trekken. Verdachte denkt onvoldoende na over de gevolgen van zijn gedrag, wat wordt versterkt door zijn achterblijvende handelingsvaardigheden en beperkte morele ontwikkeling. Vanwege de veronderstelde doorwerking van de problematiek wordt geadviseerd verdachte de poging tot doodslag in verminderde mate toe te rekenen.

Ten aanzien van de poging woninginbraak onthoudt de onderzoeker zich van advies over de mate van toerekeningsvatbaarheid, aangezien er vanwege de grotendeels ontkennende houding van verdachte slechts beperkt zicht is gekomen op een eventuele doorwerking van bovenstaande stoornissen en/of eventuele drijfveren. Er zijn verschillende factoren, voortkomend uit de problematiek van verdachte, die bijdragen aan een verhoogd recidiverisico. Daarnaast kunnen de omgang met antisociale jongeren en het gebrek aan motivatie ten opzichte van behandeling de kans op recidive mogelijk verhogen. Hoewel er meerdere beschermende factoren worden gezien die het risico op gewelddadig gedrag in de toekomst zouden kunnen verminderen, laat verdachte zien onvoldoende in staat te zijn om zijn emoties te reguleren en is zijn probleemoplossend vermogen beperkt. Alles overziend wordt het risico op toekomstig gewelddadig gedrag als matig ingeschat zonder verdere begeleiding of behandeling.

Verwacht wordt dat psychologische behandeling nodig is voor gedragsverandering. Voor de uitvoering van de behandeling is een gespecialiseerde ambulante (forensische) zorginstelling geadviseerd, zoals Fivoor of een soortgelijke instelling. Eveneens wordt voortzetting van het jeugdreclasseringstraject en de 075 coach van belang geacht om toe te werken naar een positieve schoolgang, en voldoende toezicht op zijn activiteiten buitenshuis. De voorgestelde begeleiding en de behandeling kunnen worden opgenomen als bijzondere voorwaarden bij een (deels) voorwaardelijk strafdeel. Ondanks de beperkte motivatie van verdachte voor behandeling, wordt verwacht dat het kader van bijzondere voorwaarden voldoende externe motivatie zal geven.

De rechtbank neemt deze conclusies over en maakt deze tot de hare.

Evenals de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat verdachte ook voor de poging tot diefstal verminderd toerekeningsvatbaar te achten is. De stoornis en bedreigde persoonlijkheidsontwikkeling die bij verdachte zijn vastgesteld zijn immers structureel van aard. De rechtbank is daarom van oordeel dat zij ook bij de poging woninginbraak hebben doorgewerkt in zijn keuzes en handelingen.

Ter zitting heeft de jeugdreclasseringswerker aangegeven dat verdachte zich goed houdt aan de afspraken. Voortzetting van het contact met de jeugdreclassering is nodig, en naar verwachting ook nuttig. De jeugdreclassering acht het noodzakelijk dat het contactverbod met [slachtoffer 1] en [getuige 1] voortduurt. Het contact met een IFA-coach is, gelet op de wachtlijsten voor een IFA-coach, vervangen door contact met een coach van 075, die goed bij verdachte aansluit. Het is wenselijk dat dit contact wordt voortgezet. Het elektronisch toezicht hoeft alleen nog getoetst te worden voor zover het de avondklok betreft.

Ook de Raad is van mening dat de adviezen van de psycholoog met betrekking tot behandeling dienen te worden opgevolgd. Onder meer moet verdachte door behandeling meer zicht krijgen op zijn negatieve emoties en moeten zijn coping vaardigheden versterkt worden. De Raad vindt een werkstraf naast de intensieve behandeling die verdachte dient te volgen om herhaling te voorkomen, geen meerwaarde hebben. Daarbij komt dat verdachte ook reeds ongeveer een maand in voorarrest heeft gezeten.

Namens de Raad is ter zitting nog aangegeven dat het elektronisch toezicht bij het opstellen van het rapport is geschaard onder toezicht van de jeugdreclassering. Daarom is het in het rapport niet als afzonderlijke voorwaarde opgenomen.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een vrijheidsbenemende straf van na te noemen duur moet worden opgelegd. De rechtbank zal echter bepalen dat een gedeelte daarvan vooralsnog niet ten uitvoer zal worden gelegd en zal daaraan een proeftijd verbinden van twee jaren, opdat verdachte ervan wordt weerhouden zich voor het einde van die proeftijd schuldig te maken aan een strafbaar feit.

Voorts acht de rechtbank nodig dat verdachte wordt begeleid door de coach van 075, of een soortgelijke coach, en dat hij meewerkt aan behandeling door een gespecialiseerde GGZ-instelling. Daarnaast acht de rechtbank een contactverbod met het slachtoffer [slachtoffer 1] en met getuige [getuige 1] noodzakelijk. Dit alles zal als bijzondere voorwaarden aan het voorwaardelijk deel van de straf worden verbonden.

Voorts acht de rechtbank het niet wenselijk dat verdachte onmiddellijk overgaat van een situatie met elektronisch toezicht naar een veel minder intensieve vorm van begeleiding door de jeugdreclassering. Daarom zal de rechtbank bepalen dat de avondklok met het elektronisch toezicht maximaal nog één maand zal worden voortgezet, waarbij het aan de jeugdreclassering is om te bepalen wanneer het toezicht binnen die maand daadwerkelijk beëindigd kan worden.

Bij het bepalen van de hoogte van de straf heeft de rechtbank er rekening mee gehouden dat verdachte zich sinds hij uit de voorlopige hechtenis is geschorst, heeft gehouden aan strenge voorwaarden, waaronder elektronisch toezicht. Daarbij is hij door de coronamaatregelen vrijwel continu binnen geweest, omdat hij online in plaats van op school onderwijs heeft gevolgd.

Nu de rechtbank verdachte een fors voorwaardelijk deel aan jeugddetentie zal opleggen, en verdachte intensief aan behandeling en begeleiding zal moeten meewerken, ziet de rechtbank geen toegevoegde waarde in het opleggen van een werkstraf.

8 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

45, 77a, 77g, 77i, 77x, 77y, 77z, 77gg, 287, 311 van het Wetboek van Strafrecht,

zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

9 Beslissing

De rechtbank:

Verklaart bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4 weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.

Bepaalt dat de bewezen verklaarde feiten de hierboven onder 4. en 5. vermelde strafbare feiten opleveren.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een jeugddetentie voor de duur van 140 dagen.

Beveelt dat van deze jeugddetentie een gedeelte, groot 108 dagen niet ten uitvoer zal worden gelegd en stelt daarbij een proeftijd vast van twee jaren.

Stelt als algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

Stelt als bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:

  • -

    meewerkt aan behandeling bij een gespecialiseerde GGZ-instelling, zoals Fivoor of een soortgelijke instelling;

  • -

    meewerkt aan begeleiding van een coach van 075, of soortgelijke begeleiding;

  • -

    zich maximaal één maand houdt aan een avondklok, waarbij de tijdstippen door de jeugdreclassering worden vastgesteld;

  • -

    zich maximaal één maand onder elektronisch toezicht zal stellen, waarbij de jeugdreclassering de exacte duur en de tijdstippen/plaats waar verdachte dient te verblijven zal vaststellen;

  • -

    gedurende de proeftijd op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zal opnemen, zoeken of hebben met [slachtoffer 1] , geboren [geboortedatum] , en met [getuige 1] , geboren [geboortedatum] , zolang de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht.

Geeft opdracht aan Jeugdbescherming (Regio Amsterdam), gevestigd te Amsterdam, een gecertificeerde instelling die jeugdreclassering uitvoert tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Stelt verder als voorwaarden dat de veroordeelde is gehouden om, ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking te verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aan te bieden en medewerking te verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met het vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen en het zich melden bij de reclasseringsinstelling zo vaak en zolang als de reclasseringsinstelling dit noodzakelijk acht.

Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk deel van de opgelegde jeugddetentie in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Heft op het reeds geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. Ph. Burgers, voorzitter,

mr. E.C.M. van Mierlo en mr. A. Ghonedale, rechters, allen tevens kinderrechter,

in tegenwoordigheid van de griffier mr. T. Alexander,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 24 november 2020.

Bijlage

De bewijsmiddelen

De hierna vermelde processen-verbaal zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door personen die daartoe bevoegd zijn en voldoen ook overigens aan de daaraan bij wet gestelde eisen.

Voor zover de bewijsmiddelen geschriften als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef, onder 5°, van het Wetboek van Strafvordering betreft, zijn deze telkens slechts gebezigd in verband met de inhoud van de andere bewijsmiddelen.

Ten aanzien van parketnummer 15/243819-20

De rechtbank heeft vastgesteld dat ten aanzien van bovenstaand feit sprake is van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste volzin, van het Wetboek van Strafvordering. Gelet daarop zal voor dit feit worden volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen op grond waarvan de rechtbank tot een bewezenverklaring is gekomen.

- de bekennende verklaring van verdachte ter zitting;

- het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 2] van 4 augustus 2020 (pagina 3-4);

- het proces-verbaal van bevindingen van [naam] en [naam] van 3 augustus 2020 (pagina 19).

Ten aanzien van parketnummer 15/215492-20

De verklaring van verdachte ter terechtzitting

De verklaring die verdachte ter terechtzitting van 10 november 2020 heeft afgelegd, houdt – zakelijk weergegeven – onder meer het volgende in:

Ik heb een paar uur voor het incident het mes opgehaald. Dat was voordat ik met de trein ging. Ik had het mes in mijn jas. Ik heb drie keer gestoken. Het mes was ongeveer 40 à 50 centimeter groot. Ik heb nooit ontkend dat het telefoonnummer met 48 op het einde mijn nummer was. Ik heb [slachtoffer 1] sowieso gebeld.

Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 1] van 23 augustus 2020 (pagina 70-72). Dit proces-verbaal houdt – zakelijk weergegeven – onder meer het volgende in:

Vandaag, 23 augustus 2020, werd ik gebeld door [verdachte] . Ik ben toen richting het station Krommenie Assendelft gelopen. Bij de Assendelftse zijde zag ik [verdachte] . Ik zag dat [verdachte] een groot mes van een centimeter of 30 à 40 centimeter uit zijn broek haalde en mij neer stak.

Het proces-verbaal van verhoor van aangever [slachtoffer 1] van 24 augustus 2020 (pagina 73-79). Dit proces-verbaal houdt – zakelijk weergegeven – onder meer het volgende in:

V: Je zei dat het een mes van 30 à 40 centimeter lang was.

A: Ik bedoel daar alleen het snij gedeelte mee.

V: Je hebt drie steekwonden verklaarde je, in welke volgorde heb je welke steekwond opgelopen?

A: De eerste was degene die mijn long heeft geraakt. De tweede was die er naast in mijn rechter borst en de derde was in mijn rechter bovenbeen. De eerste zit in mijn linker zij net onder mijn borst/tepel. De tweede is in mijn borst op tepelhoogte en de derde dus in mijn bovenbeen, een beetje halverwege.

V: Kun je uitbeelden hoe de stekende bewegingen er uit zagen die hij maakte?

A: (Noot verbalisant: Ik zie dat de getuige uitbeeldt dat de verdachte het mes in de rechter hand vast hield en onderhandse steekbewegingen maakte.)

V: Je viel op de grond nadat je gestoken was, wanneer was dit?

A: Na de derde keer steken. Ik wilde eigenlijk al neergaan nadat ik de tweede keer was gestoken, ik was al half op de grond en toen stak hij mij nog een derde keer in mijn been.

Ik voelde dat ik moeilijk kon ademhalen, ik had pijn en ik voelde dat er vocht uit die wonden kwam.

V: Hebben ze je uitgelegd wat ze hebben gedaan tijdens de operatie?

A: Ja. Er kwam lucht uit mijn longholte waardoor hij geklapt was. Ik heb een soort buis gekregen die er in moet blijven totdat de wond genezen is.

Het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 1] van 23 augustus 2020 (pagina 86 en 87). Dit proces-verbaal houdt – zakelijk weergegeven – onder meer het volgende in:

Die jongen die stak kreeg klappen en toen stak hij met dat mes. Het was een heel groot mes. Heel scherp.

Een schriftelijke bescheid (los opgenomen), inhoudende een ander geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef, onder 5°, van het Wetboek van Strafvordering.

Dit geschrift, een medische verklaring van 10 september 2020, houdt onder meer in:

Medische informatie betreffende [slachtoffer 1] .

Uitwendig waargenomen letsel: steekwond borstkas links en rechts. Gebroken rib (5e) rechts.

Pneumothorax/klaplong zowel links en rechts.

Het proces-verbaal van bevindingen van [naam] van 25 augustus 2020 (pagina 102). Dit proces-verbaal houdt – zakelijk weergegeven – onder meer in:

Het slachtoffer had verklaard dat [verdachte] met een telefoonnummer eindigend op 48 diverse malen had gebeld. Ik verbalisant zag dat er op zondag 23 augustus 2020 diverse malen was ingebeld op de telefoon van het slachtoffer door het telefoonnummer [telefoonnummer] .