Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2020:9736

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
18-11-2020
Datum publicatie
30-12-2020
Zaaknummer
8287033 \ CV EXPL 20-913
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Inhoud arbeidsovereenkomst. Bij werknemer gerechtvaardigd vertrouwen gewekt dat arbeidsvoorwaarde is ontstaan inhoudende dat hij zijn werkzaamheden verricht in de functie van eerste verkoopmedewerker tegen betaling van het salaris van assistent bedrijfsleider. Vordering werknemer toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2021-0016
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Insolventie

locatie Haarlem

Zaaknr./rolnr.: 8287033 \ CV EXPL 20-913

Uitspraakdatum: 18 november 2020

Vonnis van de kantonrechter in de zaak van:

[werknemer]

wonende te [woonplaats]

eiser in conventie

gedaagde in reconventie

verder te noemen: [werknemer]

gemachtigde: mr. C.M.J. Moerkens (FNV)

tegen

de besloten vennootschap Hoogvliet B.V.

gevestigd te Alphen aan den Rijn

gedaagde in conventie

eiseres in reconventie

verder te noemen: Hoogvliet

gemachtigde: mr. H.F. Demper

1 Het procesverloop

1.1.

[werknemer] heeft bij dagvaarding van 16 januari 2020 een vordering tegen Hoogvliet ingesteld. Hoogvliet heeft schriftelijk geantwoord en daarbij een tegenvordering ingediend.

1.2.

[werknemer] heeft hierop schriftelijk gereageerd, waarna Hoogvliet een schriftelijke reactie heeft gegeven. [werknemer] heeft vervolgens nog schriftelijk gereageerd in de zaak van de tegenvordering.

2 De feiten

2.1.

[werknemer] , geboren [in 1962] , is op 27 april 1998 in dienst getreden bij DeWitKomart B.V (hierna: DWK). [werknemer] verrichtte zijn werkzaamheden in de functie van assistent bedrijfsleider (hierna: ABL) in het filiaal van DWK te [plaats] .

2.2.

Het filiaal te [plaats] van DWK is op 18 juni 2005 overgenomen door Hoogvliet. Per die datum is [werknemer] in dienst getreden bij Hoogvliet op basis van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd, voor 40 uur per week, in de functie van ABL. Op de arbeidsovereen- komst zijn de bepalingen van de cao Vereniging Grootwinkelbedrijven in Levensmiddelen (hierna: de cao) van toepassing.

2.3.

Bij brief van 12 september 2005 heeft Hoogvliet aan [werknemer] medegedeeld dat zij niet tevreden is over het functioneren van [werknemer] als ABL. Op 9 september 2005 is daarom met [werknemer] besproken dat hij tijdelijk naar het filiaal te [plaats 2] zal worden overgeplaatst ‘met als doel u zodanig op te leiden zodat u de functie van assistent bedrijfsleider op volwaardige wijze bij Hoogvliet kunt vervullen’.

2.4.

Namens [werknemer] is bij brief van 7 februari 2006 aan Hoogvliet geschreven: ‘(…) [werknemer] is ongeveer 17 weken geleden zonder een geldige reden overgeplaatst naar uw filiaal in [plaats 2] om daar ingewerkt te worden als assistent bedrijfsleider. (…) gedurende zijn dienstverband bij DWK zeer goed gefunctioneerd als assistent-bedrijfsleider.

Tot op heden doet [werknemer] in uw filiaal [plaats 2] niets anders dan vakken vullen en dat is ongehoord en onacceptabel, gelet op het feit dat hij daar overgeplaatst is met de bedoeling om daar geldende interne procedures en regels toe te eigenen.

(…) niet langer als een vakkenvuller in uw filiaal ingezet kan en mag worden. Hij is immers veel te duur voor de functie van vakkenvuller. Dit houdt in dat [werknemer] met ingang van heden zijn oorspronkelijke functie als assistent-bedrijfsleider wil terugpakken. (…) op zo’n kort mogelijke termijn terug te laten plaatsen naar het voormalige DWK-filiaal (…).

2.5.

Bij brief van 16 februari 2006 heeft Hoogvliet – samengevat – gereageerd dat de overplaatsing niet zonder geldige reden heeft plaatsgevonden en dat het opleidingstraject van [werknemer] zal worden voortgezet op het filiaal te [plaats 2] , ‘totdat hij het door ons gewenste niveau heeft bereikt waarop hij met succes weer aangesteld kan worden als assistent bedrijfsleider in één van onze filialen.

2.6.

Nadat [werknemer] op enig moment in 2006 is teruggeplaatst naar het filiaal te [plaats] , heeft hij zijn werkzaamheden aldaar tot in 2009 verricht in de functie van ABL. In 2009 is [werknemer] overgeplaatst naar het filiaal van Hoogvliet te [plaats 3] .

2.7.

Naar aanleiding van een beoordelingsgesprek van 11 april 2014, waarbij [werknemer] is beoordeeld in de functie van ABL, heeft [werknemer] bij brief aan Hoogvliet geschreven: ‘(…) Een beoordeling naar de functie van ABL kan niet worden gegeven, omdat ik niet in deze functie werkzaam ben. Ik ben van mening dat de beoordeling niet naar de juiste functie is uitgevoerd en daarom niet in stand kan blijven. (…)

2.8.

Op 30 mei 2016 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen [werknemer] en [leidinggevende 1] , leidinggevende (hierna: [leidinggevende 1] ). In het gespreksverslag daarvan staat onder meer: ‘(…) verbeterplan opgesteld voor [werknemer] n.a.v. het beoordelingsgesprek over 2015. In dit verbeterplan is besproken dat [werknemer] vanaf week 23 de functie als ABL moet gaan uitoefenen omdat hij hier ook benoemt staat in die functie. (…) Reactie betrokkene: [werknemer] heeft in het verleden mondelinge afspraken gemaakt met [rayonmanager] (toenmalige rayonmanager filiaal) dat hij zuivel en diepvries mocht gaan vullen met behoud van het salaris en titel. (…)

2.9.

Bij brief van 1 juni 2016 heeft [werknemer] aan Hoogvliet geschreven: ‘(…) U bent (…) van mening dat ik weer als ABL moet gaan functioneren. Op papier ben ik ABL, maar ik pas mijn kennis en ervaring toe in de functie van zuivel/diepvries medewerker, dit ben ik overeengekomen met [rayonmanager] . Die heeft mij zo’n zeven jaar geleden overgeplaatst naar [plaats 3] (…) met behoud van titel en salaris, dit met wederzijds goedkeuring. Nu wordt er verwacht dat ik mijn oude functie weer oppak, dit in tegenspraak met wat er is afgesproken. (…) En natuurlijk pak ik mijn oude functie weer op na 8 jaar, maar dan wel onder protest. (…)

2.10.

Op 1 april 2017 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen [werknemer] , [leidinggevende 2] , leidinggevende, en [leidinggevende 1] . In het naar aanleiding daarvan opgemaakte gespreksverslag staat onder meer: ‘(…) samen met [werknemer] te gaan kijken naar opties om tot een overeenstemming te komen en dat [werknemer] beloond wordt passend bij de functie die hij uitvoert. (…) Vorig jaar op 01-09-2016 heb ik een voorstel aan [werknemer] gedaan. Hierop heb ik tot op heden geen reactie van [werknemer] ontvangen. Gesproken over het feit dat [werknemer] 10 jaar geleden ABL is gemaakt en een ABL salaris kreeg voor het vullen en beheren van de zuivel diepvries afdeling. Dit is voor ons als organisatie geen gewenste situatie, daarom is dit de afgelopen 3 jaar door meerdere leidinggevende bespreekbaar met [werknemer] gemaakt. (…)

2.11.

Bij brief van 27 december 2017 heeft Hoogvliet aan [werknemer] geschreven: ‘(…) Op 20 maart 2017 is door (…) [leidinggevende 1] jouw beoordeling over het jaar 2016 toegelicht. (…)

Je bent beoordeeld volgens de functie van assistent supermarktmanager [functienaam- wijziging van ABL naar ASM] echter ga je hiermee niet akkoord, omdat je wel ingeschaald bent in de functie van assistent supermarktmanager, maar niet de bijbehorende werkzaamheden uitvoert. (…)

Na het gesprek blijven we verschillen van inzicht en heb jij aangegeven het niet eens te zijn met je beoordeling. (…)

2.12.

Bij brief van 9 augustus 2019 heeft Hoogvliet aan [werknemer] geschreven: ‘(…) Wij hebben u in 2016 voor de keuze gesteld: ofwel u gaat functioneren in de functie van ASM, ofwel u gaat akkoord met een demotie naar de functie van Verkoopmedewerker met een afbouwschema naar bijbehorend salaris. U hebt toen in 2016, zij het onder protest, aangegeven, dat u zich ertoe ging zetten de functie van ASM op te pakken. Nu wij inmiddels de twee tussenliggende jaren 2017 en 2018 geheel hebben afgerond, moeten wij vaststellen, dat uw functioneren als ASM ver achterblijft (…).

Deze situatie is voor ons niet langer aanvaardbaar. Binnen onze organisatie beschikken wij over een goed doordacht opleidingsplan voor de medewerker, die zich wil bekwamen in de functie van ASM. (…) Wij willen dat u dit opleidingstraject van een halfjaar zo spoedig mogelijk in zijn geheel gaat volgen (…) Het betreffende opleidingsplan treft u als bijlage bij deze brief aan en dient in het kader van uw functioneren gezien te worden als een verbeterplan naar aanleiding van uw recente beoordelingen. Wij hebben dit verbeterplan met u vandaag zorgvuldig besproken en wij vragen van u expliciete instemming met dit plan door middel van ondertekening van deze brief. (…) Na zes maanden zal het verbetertraject worden geëvalueerd. (…) doelstellingen niet hebt bereikt (…) zal dit consequenties hebben voor de voortzetting van uw dienstverband in de functie van ASM.

Alternatief. Mocht u het hiervoor omschreven verbetertraject niet willen doorlopen (…) in functie een stap terug te doen naar die van Verkoopmedewerker. Dat alternatief wordt aangeboden in combinatie met een afbouw van uw salaris conform bijgaande afbouwregeling. Uw salaris wordt daarbij per direct opgesplitst in twee onderdelen. Onderdeel 1 (…) € 2.030,65 bruto per vier weken. Onderdeel 2 (…) persoonlijke toeslag van € 700,-- bruto per vier weken die zal worden afgebouwd met € 100,-- per halfjaar van het startbedrag totdat de persoonlijke toeslag na 36 maanden nihil is geworden. (…)

Bij de brief zijn als bijlagen toegevoegd een opleidingsplan en een afbouwregeling.

2.13.

Bij brief van 27 augustus 2019 is namens [werknemer] aan Hoogvliet kenbaar gemaakt – samengevat – dat hij geen aanleiding ziet een verbetertraject in te gaan voor de functie van ABL en dat hij de voorgestelde afbouwregeling onredelijk acht, omdat [werknemer] ‘sinds 2009 werkzaam is geweest als verkoopmedewerker zuivel/diepvries en dat hij daarbij het salaris en functiebenaming van assistent bedrijfsleider heeft behouden.

2.14.

Bij brief van 12 september 2019 is namens Hoogvliet aan de gemachtigde van [werknemer] onder meer geschreven:

(…) de vermeende afspraak waarnaar uw cliënt steeds weer verwijst en hanteert als grond voor het afwijzen van ieder voorstel ter verbetering van zijn functioneren en/of aanpassing van zijn salarisniveau is nimmer met hem gemaakt. (…)

Als bijlage bij de brief is een schriftelijke verklaring van [rayonmanager] , rayonmanager (hierna: [rayonmanager] ) van 11 september 2019 toegevoegd, waarin hij onder meer schrijft: ‘(…) Het klopt dat ik in 2009 [werknemer] heb overgeplaatst. De reden hiervoor was dat hij op zijn oude filiaal niet goed functioneerde en daar weg moest. Er waren op dat moment niet veel overplaatsingsmogelijkheden en bovendien zou het voor [werknemer] beter zijn om tijdelijk een stap terug te doen. Op filiaal [plaats 3] was er per direct plaats voor een 1e verkoopmedewerker. Ik heb [werknemer] toen voorgesteld om naar [plaats 3] te gaan. Het klopt ook, dat [werknemer] bij die overplaatsing zijn salaris en functienaam heeft behouden. Het is namelijk nooit mijn bedoeling geweest dat [werknemer] in de functie van 1e Verkoopmedewerker zou blijven werken. Hij kon op [plaats 3] de functie weer uitbouwen naar die van ABL.

Ik heb begrepen dat [werknemer] de afspraken die destijds rondom zijn overplaatsing naar [plaats 3] zijn gemaakt, uitlegt alsof die voor altijd golden. Zo heb ik dat beslist niet met hem afgesproken. Ons beleid was en is om mensen in het geval van disfunctioneren te begeleiden. Soms hoort daarbij om even een stap terug te doen en dan weer op te bouwen. Dan blijven salaris en functie voorlopig gelijk. Het spreekt voor zich, dat als duidelijk wordt dat een medewerker niet op het niveau van zijn functie terug komt, dat dan wel een aanpassing van salaris en functie bespreekbaar zijn. (…)

2.15.

Namens [werknemer] is Hoogvliet bij e-mail van 1 oktober 2019 gesommeerd om binnen 14 dagen na dagtekening van de brief over te gaan tot betaling aan [werknemer] van het salaris ter hoogte van € 2.948,81 bruto per vier weken exclusief vakantietoeslag en tot betaling van het toekomstige salaris/ziekengeld.

3 De vordering

3.1.

[werknemer] vordert dat de kantonrechter voor recht verklaart dat [werknemer] werkzaam is als medewerker zuivel/diepvries. Daarnaast vordert [werknemer] veroordeling van Hoogvliet tot betaling van:

I. € 1.090,75 bruto, verhoogd met cao-loonsverhogingen en vakantietoeslag, aan

achterstallig salaris vanaf 12 augustus tot en met 30 december 2019, onder verstrekking

van een deugdelijke netto/bruto specificatie;

II. € 2.948,81 per vier weken, verhoogd met cao-loonsverhogingen en vakantietoeslag

vanaf 31 december 2019, op de in het verleden gebruikelijke tijdstippen, totdat de

arbeidsovereenkomst rechtsgeldig zal zijn beëindigd, onder verstrekking van

deugdelijke netto/bruto specificaties;

III. de wettelijke verhoging over de vorderingen onder I en II;

IV. de wettelijke rente over de vorderingen onder I t/m III vanaf 14 oktober 2019 tot aan de

dag der algehele voldoening;

V. de buitengerechtelijke incassokosten ter hoogte van het op grond van het Besluit van 27

maart 2012 verschuldigde bedrag;

VI. het salaris en de kosten van de gemachtigde van [werknemer] ;

VII. de proces- en nakosten;

3.2.

[werknemer] legt aan de vordering ten grondslag – kort weergegeven – dat het niet mogelijk is om het salaris van [werknemer] na tien jaar te verlagen in verband met een functiewijziging die al in 2009 plaatsvond.

[werknemer] heeft vanaf de overplaatsing in de functie van medewerker zuivel/diepvries gewerkt, met behoud van het salaris van ABL ter hoogte van € 2.948,81 bruto per vier weken exclusief vakantiegeld en overige emolumenten. Tussen partijen is een arbeidsvoorwaarde ontstaan, omdat aan [werknemer] tien jaar lang het loon van ABL is betaald, terwijl [werknemer] de functie van medewerker zuivel/diepvries uitoefende. Bij [werknemer] is een gerechtvaardigd vertrouwen ontstaan dat deze voorwaarde gehandhaafd blijft, omdat deze gedragslijn vanaf 2009 is gevolgd. Bij gebrek aan een eenzijdig wijzigingsbeding mag Hoogvliet deze arbeidsvoorwaarde niet wijzigen zonder instemming van [werknemer] . Hoogvliet bouwt het salaris per 12 augustus 2019 af met in totaal € 718,15 over een periode van 3,5 jaar, hetgeen in strijd is met goed werkgeverschap.

4 Het verweer en de tegenvordering

4.1.

Hoogvliet betwist de vordering en verzoekt de kantonrechter om [werknemer] niet ontvankelijk te verklaren, althans toewijzing van de door hem ingestelde vorderingen aan hem te ontzeggen. Daarbij vordert Hoogvliet veroordeling van [werknemer] in de proces- en nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente indien voldoening daarvan niet binnen zeven dagen na betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden.

4.2.

Hoogvliet voert – samengevat – aan dat [werknemer] de tijdelijke plaatsing in de functie van 1e Verkoopmedewerker met behoud van zijn titel en salarisniveau van ASM ten onrechte uitlegt als een permanente, onaantastbare wijziging in zijn arbeidsovereenkomst. [werknemer] heeft een arbeidsovereenkomst met Hoogvliet voor de functie van ASM (voorheen ABL). Het functioneren van [werknemer] in die functie ligt ruim onder het niveau dat van een normaal functionerende ASM verwacht mag worden. Vanaf 2005 zijn partijen daarover, met wisselende intensiteit, met elkaar in overleg geweest. [werknemer] is in de gelegenheid gesteld om zijn kennis en kunde te verbeteren vanuit de functie van 1e Verkoopmedewerker, zodat hij in de toekomst de functie van ASM op de juiste wijze zou kunnen gaan uitvoeren.

Omdat het functioneren van [werknemer] in de functie van ASM onder de maat bleef en hij de voorstellen van Hoogvliet ter verbetering van zijn functioneren steeds afwees, bestond er een redelijke aanleiding voor het aan [werknemer] gedane voorstel tot wijziging van zijn arbeidsvoorwaarden. Dat voorstel was ook redelijk en aanvaarding van het voorstel kan in redelijkheid van [werknemer] gevergd worden.

4.3.

Hoogvliet vordert bij wijze van tegenvordering dat de kantonrechter voor recht verklaart dat [werknemer] het door Hoogvliet gedane voorstel tot aanpassing van zijn functie naar die van Verkoopmedewerker alsmede tot aanpassing van zijn salaris langs de weg van de door Hoogvliet voorgestelde afbouwregeling met ingang van salarisperiode 9-2019 dient te aanvaarden. Daarbij vordert Hoogvliet veroordeling van [werknemer] in de proces- en nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente indien voldoening daarvan niet binnen zeven dagen na betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden.

4.4.

[werknemer] betwist de tegenvordering en verzoekt de kantonrechter Hoogvliet niet ontvankelijk te verklaren, althans haar deze te ontzeggen of, subsidiair, deze af te wijzen, met veroordeling van Hoogvliet in het salaris en de kosten van de gemachtigde van [werknemer] en in de proceskosten.

5 De beoordeling

de vordering en de tegenvordering

5.1.

De vordering en de tegenvordering lenen zich voor gezamenlijke behandeling.

5.2.

Het gaat in deze zaak om de vraag of Hoogvliet terecht is overgegaan tot vermindering van het salaris van [werknemer] per 12 augustus 2019. Ter beantwoording van die vraag dient allereerst antwoord gegeven te worden op de vraag of de arbeidsvoorwaarde is ontstaan dat [werknemer] zijn werkzaamheden verricht in de functie van medewerker zuivel/diepvries (de kantonrechter begrijpt dat deze functie ook wel 1e Verkoopmedewerker wordt genoemd) ) tegen betaling door Hoogvliet van het salaris van een ABL, zoals [werknemer] stelt en Hoogvliet betwist. De kantonrechter overweegt hieromtrent als volgt.

5.3.

Voor het antwoord op de vraag wanneer uit een door de werkgever jegens de werknemer gedurende een bepaalde tijd gevolgde gedragslijn voortvloeit dat sprake is van een arbeidsvoorwaarde of een verworven recht, komt het aan op de zin die partijen aan elkaars gedragingen (en in verband daarmee staande verklaringen) hebben toegekend en in de gegeven omstandigheden daaraan redelijkerwijs mochten toekennen (Hoge Raad 22 juni 2018, ECLI:NL:HR:2018:976).

5.4.

Vast staat dat Hoogvliet in september 2005, nog geen twee maanden nadat zij het filiaal te [plaats] van DWK had overgenomen, aan [werknemer] heeft medegedeeld dat zij niet tevreden was over zijn functioneren als ABL en dat hij om die reden zou worden overgeplaatst naar het filiaal te [plaats 2] ‘met als doel u zodanig op te leiden zodat u de functie van assistent bedrijfsleider op volwaardige wijze bij Hoogvliet kunt vervullen’. Als onvoldoende weersproken staat verder vast dat [werknemer] gedurende die overplaatsing als vakkenvuller heeft gewerkt, waartegen [werknemer] bezwaar heeft gemaakt. Dat [werknemer] gedurende die overplaatsing een opleidingstraject heeft gehad – zoals Hoogvliet in de brief van 16 februari 2006 schrijft – in niet aangetoond.

5.5.

Vervolgens is [werknemer] – nadat hij op enig moment in 2006 weer was teruggeplaatst naar het filiaal te [plaats] – in 2009 overgeplaatst naar het filiaal van Hoogvliet te [plaats 3] . De kantonrechter begrijpt dat tussen partijen niet in geschil is dat de reden van deze overplaatsing wederom was gelegen in de omstandigheid dat Hoogvliet niet tevreden was over het functioneren van [werknemer] als ABL. Ook staat niet ter discussie dat was afgesproken dat [werknemer] in het filiaal te [plaats 3] de werkzaamheden van een 1e Verkoopmedewerker zou gaan verrichten en ook heeft verricht. Tussen partijen is in geschil of is afgesproken dat [werknemer] tijdelijk of blijvend de functie van 1e Verkoopmedewerker zou vervullen, met behoud van het salaris van een ABL.

5.6.

Voor zover echter al zou worden aangenomen dat was afgesproken – en het de bedoeling was – dat [werknemer] tijdelijk zou worden overgeplaatst naar het filiaal te [plaats 3] om aldaar de functie van 1e Verkoopmedewerker te vervullen, met behoud van salaris van een ABL, zoals Hoogvliet aanvoert, is de kantonrechter met [werknemer] van oordeel dat hij er op enig moment vanuit mocht gaan dat tussen partijen de arbeidsvoorwaarde is ontstaan dat [werknemer] in de functie van 1e Verkoopmedewerker werkzaam is, met het behoud van het salaris van een ABL. Daartoe overweegt de kantonrechter als volgt.

5.7.

Sinds de overplaatsing van [werknemer] in 2009 heeft hij de werkzaamheden van een 1e Verkoopmedewerker uitgevoerd, met het behoud van het salaris van een ABL. Niet gesteld of gebleken is dat in de periode vanaf die overplaatsing tot aan een beoordelings- gesprek in 2013 sprake is geweest van enige mededeling van Hoogvliet dat [werknemer] niet de functie van 1e Verkoopmedewerker had, dat hij de werkzaamheden van ABL moest oppakken of dat hij onvoldoende functioneerde in de functie van ABL. Uit de overgelegde stukken blijkt dat [werknemer] in het jaar 2011 werd beoordeeld in de functie van ABL, maar in het beoordelingsformulier over het eerste halfjaar van 2011 staat bij leidinggevende capaciteiten ‘NVT’ en in het beoordelingsformulier over het tweede halfjaar van 2011 zijn andere capaciteiten – naar de kantonrechter meent niet te horen bij de functie van ABL – beoordeeld dan over het eerste halfjaar. In 2011 is het functioneren van [werknemer] door Hoogvliet niet als onvoldoende beoordeeld. Uit de beoordelingsformulieren over 2012 blijkt dat [werknemer] in dat jaar is beoordeeld in de functie van Verkoopmedewerker, hetgeen volgens Hoogvliet een vergissing was van een nieuwe bedrijfsleider. Over de jaren 2013 tot en met 2018 is [werknemer] vervolgens beoordeeld in de functie van ABL, waarbij Hoogvliet steeds veel kritiekpunten op het functioneren van [werknemer] heeft genoemd. Vanaf 2013 heeft [werknemer] zich steeds op het standpunt gesteld dat hij niet in de functie van ABL werkzaam was, maar in die van 1e Verkoopmedewerker. De kantonrechter is met [werknemer] van oordeel dat hij er op dat moment, na reeds vier jaar onder die voorwaarden voor Hoogvliet te hebben gewerkt, vanuit mocht gaan dat tussen partijen de arbeidsvoorwaarde was ontstaan dat [werknemer] in de functie van 1e Verkoopmedewerker werkzaam was tegen betaling van het salaris van een ABL.

5.8.

Daarbij komt dat Hoogvliet eerst op 9 augustus 2019 aan [werknemer] een concreet opleidings- of verbeterplan aanbiedt, terwijl zij meent dat [werknemer] in 2009 was overgeplaatst naar het filiaal te [plaats 3] met als doel om vanuit de functie van 1e Verkoopmedewerker uit te bouwen naar die van ABL. Van een werkgever die van mening is dat een werknemer disfunctioneert mag worden verwacht dat zij voldoende contact onderhoudt met de werk- nemer ten einde te trachten het functioneren te verbeteren, waarbij voldoende begeleiding wordt gegeven en voor de werknemer duidelijk is wat er van hem wordt verwacht. Daarvan is in de periode vanaf de herplaatsing tot 9 augustus 2019 onvoldoende gebleken. Dat Hoogvliet [werknemer] vanaf 2013 weer is gaan beoordelen in de functie van ABL, sindsdien aan hem kenbaar heeft gemaakt dat hij in die functie onvoldoende functioneert en tegen hem heeft gezegd dat hij de werkzaamheden van een ABL weer moet oppakken, is daartoe niet voldoende. Het kan zo zijn dat het beleid is van Hoogvliet dat zij werknemers in het geval van disfunctioneren begeleidt en dat daar soms bij hoort dat de werknemer een tijdelijk stap terug doet, zoals [rayonmanager] in zijn verklaring schrijft, maar van enige concrete begeleiding is de kantonrechter niets gebleken. Als onvoldoende weersproken neemt de kantonrechter als vaststaand aan dat [werknemer] vanaf de overplaatsing tot aan de beoordeling in 2013, zonder daarop te zijn aangesproken en zonder enige aansporing of begeleiding van Hoogvliet, in de functie van 1e Verkoopmedewerker heeft gewerkt, tegen betaling van het salaris van een ABL.

5.9.

Dat de oorzaak van het feit dat het lang heeft geduurd voordat Hoogvliet met [werknemer] in gesprek is gegaan en tot oplossingen heeft geprobeerd te komen is gelegen in de omstandigheid dat [werknemer] in de loop der jaren te maken heeft gehad met elkaar opvolgende bedrijfsleiders en rayonmanagers, zoals Hoogvliet aanvoert, komt voor haar rekening en risico en kan [werknemer] niet worden tegengeworpen.

5.10.

De conclusie is dat de kantonrechter van oordeel is dat tussen partijen de arbeids- voorwaarde is ontstaan dat [werknemer] zijn werkzaamheden verricht in de functie van 1e Verkoopmedewerker tegen het salaris van een ABL (inmiddels ASM), zodat Hoogvliet onterecht is overgegaan tot vermindering van het salaris van [werknemer] vanaf 12 augustus 2019. De vordering van [werknemer] tot veroordeling van Hoogvliet tot betaling van het achterstallig loon vanaf 12 augustus tot en met 30 december 2019 zal daarom worden toegewezen zoals verzocht, evenals de vordering tot verstrekking van een deugdelijke netto/bruto specificatie en de door [werknemer] gevorderde verklaring voor recht. De kantonrechter ziet in de omstandigheden van het geval aanleiding om de gevorderde wettelijke verhoging te matigen tot 20%. De gevorderde wettelijke rente zal worden toegewezen als hierna te melden.

5.11.

Gelet op het voorgaande zal de tegenvordering van Hoogvliet worden afgewezen.

5.12.

De vordering van [werknemer] tot veroordeling van Hoogvliet tot betaling van – kort gezegd – het salaris van een ABL/ASM vanaf 31 december 2019 tot aan het rechtsgeldig eindigen van de arbeidsovereenkomst, zal worden toegewezen, met dien verstande dat aan de veroordeling zal worden toegevoegd dat [werknemer] recht heeft op betaling van het salaris van een ABL/ASM zolang hij als medewerker zuivel/diepvries bij Hoogvliet werkzaam is. Ook de gevorderde verstrekking door Hoogvliet van deugdelijke netto/bruto specificaties zal worden toegewezen. De kantonrechter ziet in de omstandigheden van het geval aanleiding om de gevorderde wettelijke verhoging te matigen tot 20%. De gevorderde wettelijke rente zal worden toegewezen als hierna te melden.

5.13.

De vordering van [werknemer] tot veroordeling van Hoogvliet tot betaling van buiten- gerechtelijke incassokosten zal worden afgewezen, omdat [werknemer] heeft nagelaten de hoogte van de vordering te concretiseren en het niet aan de kantonrechter is om dat te berekenen.

5.14.

Voor zover [werknemer] heeft bedoeld te vorderen dat Hoogvliet wordt veroordeeld tot betaling van de volledige proceskosten, zal deze vordering worden afgewezen, nu niet is gesteld of gebleken dat aan de kant van Hoogvliet sprake is van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen.

5.15.

De proceskosten komen, zowel in de zaak van de vordering als in de zaak van de tegenvordering, voor rekening van Hoogvliet, omdat zij grotendeels ongelijk krijgt. Daarbij wordt Hoogvliet ook veroordeeld tot betaling van € 90,00 aan nasalaris, voor zover daadwerkelijk nakosten door [werknemer] worden gemaakt.

6 De beslissing

De kantonrechter:

de vordering

6.1.

verklaart voor recht dat [werknemer] bij Hoogvliet werkzaam is als medewerker zuivel/diepvries;

6.2.

veroordeelt Hoogvliet tot betaling aan [werknemer] van € 1.090,75 bruto aan achterstallig salaris over de periode van 12 augustus 2019 tot en met 30 december 2019, te vermeerderen met eventuele cao-loonverhogingen, vakantietoeslag, de wettelijke rente vanaf het moment van de opeisbaarheid van de loonbedragen tot aan de dag der algehele voldoening en met de wettelijke verhoging van 20%, onder verstrekking door Hoogvliet aan [werknemer] van een schriftelijke netto/bruto specificatie;

6.3.

veroordeelt Hoogvliet tevens tot betaling aan [werknemer] van € 2.948,81 bruto per vier weken, verhoogd met eventuele cao-loonverhogingen en vakantietoeslag vanaf 31 december 2019, op de in het verleden gebruikelijke tijdstippen, zolang [werknemer] als medewerker zuivel/diepvries bij Hoogvliet werkzaam is, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment van de opeisbaarheid van de loonbedragen tot op de dag van deze uitspraak en met de wettelijke verhoging van 20%, onder verstrekking door Hoogvliet aan [werknemer] van deugdelijke netto/bruto specificaties;

6.4.

veroordeelt Hoogvliet tot betaling van de proceskosten, die de kantonrechter aan de kant van [werknemer] tot en met vandaag vaststelt op:
dagvaarding € 87,99
griffierecht € 236,00
salaris gemachtigde € 360,00;

6.5.

veroordeelt Hoogvliet tot betaling van € 90,00 aan nasalaris, voor zover daadwerkelijk nakosten door [werknemer] worden gemaakt;

6.6.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

6.7.

wijst de vordering voor het overige af.

de tegenvordering

6.8.

wijst de vordering af;

6.9.

veroordeelt Hoogvliet tot betaling van de proceskosten, die tot en met vandaag voor [werknemer] worden vastgesteld op een bedrag van € 360,00 aan salaris van de gemachtigde van [werknemer] .

Dit vonnis is gewezen door mr. D.P. Ruitinga en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.

De griffier De kantonrechter