Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2020:9725

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
20-11-2020
Datum publicatie
30-12-2020
Zaaknummer
8521220 \ AO VERZ 20-77
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Beschikking
Inhoudsindicatie

Arbeidsrecht. Gelet op het ontbreken van informatie over de reden van de intrekking van de verklaring van geen bezwaar (VGB) kan niet worden geoordeeld dat werknemer verwijtbaar heeft gehandeld. Ontbinding op de h-grond. Gedeeltelijk onterecht vakantiedagen afgeschreven/loon ingehouden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2021-0010
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Insolventie

locatie Haarlem

Zaaknr./rolnr.: 8521220 \ AO VERZ 20-77

Uitspraakdatum: 20 november 2020

Beschikking in de zaak van:

Koniniklijke Luchtvaart Maatschappij N.V.,

gevestigd te Amstelveen

verzoekende partij

verder te noemen: KLM

gemachtigde: mr. E.M. van Dijk

tegen

[werknemer] ,

wonende te [woonplaats]

verwerende partij

verder te noemen: [werknemer]

gemachtigde: mr. J. Knaap

1 Het procesverloop

1.1.

KLM heeft een verzoek gedaan om de arbeidsovereenkomst tussen partijen te ontbinden. [werknemer] heeft een verweerschrift en een tegenverzoek ingediend.

1.2.

Op 27 augustus 2020 heeft een zitting plaatsgevonden. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat partijen ter toelichting van hun standpunten naar voren hebben gebracht. Voorafgaand aan de zitting hebben KLM en [werknemer] bij brieven van 21 en 24 augustus 2020 nog stukken toegezonden. Na de zitting heeft de kantonrechter de zaak aangehouden in afwachting van de beslissing van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State op het hoger beroep van [werknemer] omtrent de intrekking van de VGB. Voornoemde beslissing heeft de kantonrechter op 6 november 2020 ontvangen, waarna beschikking is bepaald op heden.

2 De feiten

2.1.

[werknemer] , geboren [in 1971] (48 jaar), is op 15 april 2001 in dienst getreden bij KLM. De laatste functie die [werknemer] vervulde, is die van Team Coördinator Bagage Services, met een salaris van € 2.779,44 bruto per maand exclusief emolumenten.

2.2.

Bij brief van 4 maart 2004 heeft KLM haar Ondernemingsraad als volgt bericht: ‘Het Hof te Amsterdam heeft inmiddels bij Arrest d.d. februari 2004 bepaald, dat het tot het risico van KLM behoort dat functies binnen haar bedrijf worden aangemerkt als vertrouwensfuncties in de zin van de Wet Veiligheidsonderzoeken (WVO). Het feit dat in casu twee leden van het Cabinepersoneel uit hun functie dienden te worden ontheven omdat hen een verklaring van geen bezwaar werd geweigerd, komt, aldus het Hof, voor risico van KLM. KLM was niet gerechtigd de loonbetaling stop te zetten. De vonnissen in eerste aanleg ten gunste van KLM gewezen, zijn door het Hof vernietigd. Overigens heeft het Hof wel bepaald dat het onduidelijk is of KLM een andere passende functie voorhanden heeft (niet zijnde een vertrouwensfunctie).
Als gevolg van deze uitspraak zal KLM haar beleid omtrent de procedure bij het niet afgeven van een verklaring van geen bezwaar als volgt aanpassen. KLM zal gedurende de periode van bezwaar bij de AIVD het loon doorbetalen. Indien geen bezwaar wordt ingesteld bij de AIVD of het bezwaar ongegrond wordt verklaard, zal KLM het initiatief nemen om het dienstverband zo spoedig mogelijk te doen beëindigen.’

2.3.

Aan [werknemer] is laatstelijk op 3 maart 2014 een Verklaring van Geen Bezwaar (‘VGB’) verleend. Deze VGB verliep op 7 maart 2019. Voor het verlengen van de VGB moest door [werknemer] verlenging van de Schipholpas worden aangevraagd.

2.4.

Op 14 januari 2019 heeft [werknemer] verlenging van de Schipholpas aangevraagd.

2.5.

Op 23 mei 2019 heeft de Shiftleader Bagage Services [werknemer] namens KLM per brief geschreven: ‘Op 5 maart 2019 liet u mij weten dat uw aanvraag voor verlenging van uw Schipholpas (SPL-pas) op tijd was gedaan maar dat u van de AIVD te horen had gekregen dat de aanvraag voor uw VGB was doorgestuurd naar binnenlandse zaken. Hierdoor werd uw SPL-pas (nog) niet verlengd. Uw SPL-pas verliep op 7 maart 2019. […]

De consequentie van het niet bezitten van een geldige SPL-pas, is het stopzetten van uw loon (geen arbeid->geen loon). Zonder geldige SPL-pas kunt u immers uw werk niet uitvoeren en het ligt onder deze omstandigheden binnen uw risicosfeer dat u niet in het bezit bent van een geldige SPL-pas.

Ik heb dit met u besproken en u heeft de vraag gesteld of het mogelijk is uw vakantiedagen af te laten schrijven. Ik heb dit intern besproken en wij hebben uw verzoek om vakantie op te nemen in plaats van het salaris stop te zetten, in dit geval, geaccordeerd.
Ik zal dan ook de dagen die u sinds 7 maart 2019 niet inzetbaar bent (geweest) afschrijven als vakantiedagen (33 dagen). Dit is met aftrek van de dagen dat u reeds MV heeft opgenomen. U gaat nu opnieuw een verlofaanvraag indienen. Mocht u uw SPL-pas binnen de termijn van uw resterende saldo van 9 vakantiedagen ontvangen dan zult u per direct weer in uw eigen werkzaamheden terug kunnen keren. Mocht dit niet het geval zijn, dan zal er alsnog overgegaan worden tot stopzetting van uw loon in afwachting van de afgifte van een nieuwe SPL-pas.’

2.6.

Bij brief van 10 juni 2019 heeft KLM [werknemer] bericht dat hij met ingang van 11 juni 2019 al zijn vakantiedagen had opgenomen en dat zijn loon zou worden stopgezet in afwachting van de afgifte van een nieuwe SPL-pas.

2.7.

Bij brief van 26 juni 2019 heeft het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties de verklaring van geen bezwaar van [werknemer] ingetrokken. In de brief staat: ‘Uit het onderzoek blijkt mij dat er onvoldoende waarborgen zijn dat betrokkene onder alle omstandigheden de uit bovenvermelde vertrouwensfunctie voortvloeiende verplichtingen getrouwelijk zal volbrengen. Ik heb dan ook besloten op grond van artikel 10 van de Wvo, de verklaring van geen bezwaar in te trekken, omdat ten aanzien van betrokkene nadelige gegevens bekend zijn geworden.’

2.8.

Bij brief van 5 juli 2019 heeft KLM [werknemer] geïnformeerd dat KLM het loon per 26 juni 2019 zou uitbetalen, mits [werknemer] bezwaar zou instellen tegen het besluit, en dat indien [werknemer] niet binnen de daarvoor genoemde termijn bezwaar in zou stellen, KLM beëindiging van zijn dienstverband zou nastreven.

2.9.

[werknemer] heeft op 26 juli 2019 een bezwaarschrift ingediend tegen het besluit tot intrekking van de VGB. Bij beslissing op bezwaar van 26 november 2019 is het bezwaar van [werknemer] ongegrond verklaard. In de beslissing op bezwaar staat onder meer: ‘Daarnaast adviseert de commissie om ter verdere vergroting van de draagkracht van de grond dat u zich in een situatie bevindt waarin u een bovengemiddelde kans loopt te worden benaderd door organisaties of personen die een bedreiging kunnen vormen voor de nationale veiligheid, twee elementen toe te voegen. Ik volg dit oordeel van de commissie eveneens. Dit betekent dat naast het voormelde risico ook wordt tegengeworpen dat u kans loopt door zulke personen of organisaties te worden beïnvloed. In de functie van logistiek supervisor die u vervult in het beveiligde gebied van de luchthaven Schiphol houdt juist deze mogelijke beïnvloeding een onaanvaardbaar risico in voor de nationale veiligheid. Ten tweede is dit risico niet louter theoretisch van aard, maar u bevindt zich daadwerkelijk in een kwetsbare positie ten aanzien van mogelijke beïnvloeding door personen of organisaties die een risico kunnen vormen voor de nationale veiligheid.[…]’

2.10.

Bij e-mail van 4 december 2019 heeft [werknemer] de beslissing op bezwaar naar KLM gestuurd, onder de mededeling dat hij daartegen in beroep zou gaan. In reactie op die e-mail heeft KLM [werknemer] geschreven: ‘[…] Reeds eerder hebben wij u laten weten dat KLM in beginsel in deze situatie ontbinding van uw arbeidsovereenkomst nastreeft. Alvorens KLM zal starten met het in gang zetten van de ontslagprocedure zal zij eerst trachten u te herplaatsen in een functie binnen KLM waarvoor geen Schipholpas benodigd is.’

2.11.

Vanaf 13 januari 2020 hebben KLM en [werknemer] contact gehad over eventuele herplaatsingsmogelijkheden. Er hebben gesprekken plaatsgevonden op onder meer 13 januari, 18 en 25 februari en 18 juni 2020. Ook hebben er telefoongesprekken plaatsgevonden op 20 en 21 januari, 6 en 10 februari en 9 maart 2020. De telefoon(-gesprekken) zijn schriftelijk door KLM bevestigd. Bij het herplaatsingstraject is ook een loopbaancoach betrokken geweest.

2.12.

Op 17 december 2019 heeft [werknemer] beroep ingesteld tegen de beslissing op bezwaar. Het beroep is bij uitspraak van de rechtbank Den Haag van 26 mei 2020 ongegrond verklaard. In de uitspraak wordt daarnaast vermeld: ‘Verweerder heeft het gebrek aan eerlijkheid en openheid van eiser over relevante feiten en informatie, zoals ook besproken ter zitting, in bezwaar niet langer gehandhaafd. Hoewel dit niet duidelijk uit het bestreden besluit blijkt, volgt dit impliciet uit het feit dat in het bestreden besluit is opgenomen dat het advies van de commissie wordt gevolgd.’

2.13.

Op 11 juni 2019 heeft [werknemer] hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak in beroep. Bij uitspraak van 4 november 2020 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

3 Het verzoek

3.1.

KLM verzoekt de arbeidsovereenkomst met [werknemer] te ontbinden op grond van artikel 7:671b lid 1, onderdeel a, van het Burgerlijk Wetboek (BW), in verbinding met artikel 7:669 lid 3, onderdeel e of h BW.

3.2.

Aan dit verzoek legt KLM ten grondslag dat sprake is van – kort gezegd – verwijtbaar handelen van [werknemer] , althans omstandigheden die zodanig zijn dat van KLM redelijkerwijs niet gevergd kan worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Ter onderbouwing daarvan heeft KLM het volgende naar voren gebracht. [werknemer] beschikt niet meer over een geldige VGB, dat ligt in zijn risicosfeer en hem kan hiervan een verwijt worden gemaakt omdat hij niet langer over een VGB beschikt vanwege een verandering in zijn persoonlijke gedragingen en omstandigheden. Zijn VGB is ingetrokken omdat uit het hernieuwde veiligheidsonderzoek volgt dat er onvoldoende waarborgen zijn dat hij onder alle omstandigheden de uit zijn vertrouwensfunctie voortvloeiende verplichtingen getrouwelijk zal kunnen volbrengen. Er zijn ten aanzien van hem nadelige gegevens bekend geworden. [werknemer] loopt een bovengemiddelde kans om benaderd en beïnvloed te worden door organisaties of personen die een bedreiging kunnen vormen voor de nationale veiligheid. Deze mogelijke beïnvloeding vormt een onaanvaardbaar risico voor de nationale veiligheid en de functie van [werknemer] van Team Coördinator Bagage Services binnen het beveiligde gebied van de luchthaven Schiphol. Bovendien bevindt hij zich daadwerkelijk in een kwetsbare positie ten aanzien van voornoemde mogelijke beïnvloeding. Het betreft hier dus geen puur theoretisch risico. Ten aanzien van de h-grond vertoont de situatie van [werknemer] gelijkenissen met het ontbreken van een vereiste tewerkstellingsvergunning, zodat sprake is van andere omstandigheden op grond waarvan KLM niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Er is geen sprake van een opzegverbod en herplaatsing ligt niet in de rede, althans KLM heeft aan haar herplaatsingsverplichtingen voldaan.

4 Het verweer en het tegenverzoek

4.1.

[werknemer] verweert zich tegen het verzoek en stelt dat de verzochte ontbinding moet worden afgewezen. Hij voert daartoe – samengevat – het volgende aan. [werknemer] weet niet wat de precieze reden is voor de intrekking van zijn VGB, het is nadrukkelijk niet zo dat het verlies van zijn VGB in zijn risicosfeer ligt. Dat bepaalde functies binnen de organisatie van KLM worden aangemerkt als vertrouwensfuncties in de zin van de Wvo, komt juist voor rekening en risico van KLM. Zelfs indien het verlies van de VGB in de risicosfeer van [werknemer] zou liggen, is geen sprake van verwijtbaar handelen. [werknemer] kan geen concreet verwijt worden gemaakt en in de beslissing op bezwaar wordt [werknemer] niet (langer) ‘een gebrek aan eerlijkheid en het geven van onvoldoende informatie’ verweten. De situatie van [werknemer] is verder niet vergelijkbar met de situatie van het ontbreken van een tewerkstellingsvergunning, [werknemer] kan zijn (vertrouwens)functie niet uitoefenen, maar mag verder alle niet-vertrouwensfuncties uitoefenen. Het al dan niet tijdelijk ontbreken van de VGB is geen omstandigheid die maakt dat de arbeidsovereenkomst in redelijkheid niet kan worden voorgezet. Bovendien ligt herplaatsing in de rede en heeft KLM niet voldaan aan de wettelijke herplaatsingsverplichting. KLM moet behalve openstaande vacatures ook posities waarop tijdelijke werknemers/zelfstandigheden zijn geplaatst meenemen, alsmede herplaatsingsmogelijkheden in concernverband.

4.2.

In de zaak van het tegenverzoek wordt door [werknemer] verzocht om voor recht te verklaren dat KLM onterecht 33 vakantiedagen van het saldo vakantiedagen van [werknemer] heeft afgeschreven en om KLM te veroordelen tot betaling van € 2.286,22, ten titel van achterstallig salaris, onder verstrekking van deugdelijke netto-bruto specificaties en te vermeerderen met de wettelijke verhoging en de wettelijke rente. [werknemer] legt aan zijn tegenverzoek ten grondslag dat het niet kunnen werken in redelijkheid voor rekening van KLM dient te komen. KLM heeft daartegen verweer gevoerd.

5. De beoordeling

het verzoek

5.1.

Het gaat in deze zaak om de vraag of de arbeidsovereenkomst tussen partijen moet worden ontbonden.

5.2.

De kantonrechter stelt voorop dat uit artikel 7:669 lid 1 BW volgt dat de arbeidsovereenkomst alleen kan worden ontbonden indien daar een redelijke grond voor is en herplaatsing van [werknemer] binnen een redelijke termijn niet mogelijk is of niet in de rede ligt. In artikel 7:669 lid 3 BW is nader omschreven wat onder een redelijke grond moet worden verstaan. Bij regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 23 april 2015 (Stcrt. 2015/12685) zijn daarvoor nadere regels gesteld (Ontslagregeling).

5.3.

KLM voert aan dat de redelijke grond voor ontbinding is gelegen in verwijtbaar handelen of andere omstandigheden die zodanig zijn dat van KLM in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Naar het oordeel van de kantonrechter leveren de door KLM in dat verband naar voren gebrachte feiten en omstandigheden een redelijke grond voor ontbinding op, zoals bedoeld in artikel 7:669 lid 3, onderdeel h, BW. Daartoe wordt het volgende overwogen.

5.4.

Bij uitspraak van de Raad van State in het door [werknemer] ingestelde hoger beroep met betrekking tot de intrekking van de VGB, is die intrekking onherroepelijk geworden. Door de Raad van State is beslist dat die intrekking terecht was. Gelet op het vertrouwelijke karakter van het veiligheidsonderzoek is tijdens de procedure niet bekend geworden wat de achterliggende reden van de intrekking is. Ook is niet gebleken dat [werknemer] of KLM bekend is met de achtergrond en aanleiding voor de intrekking. Gelet op het ontbreken van deze informatie kan dan ook niet worden geoordeeld dat [werknemer] verwijtbaar heeft gehandeld als gevolg waarvan van KLM niet kan worden gevergd dat zij de arbeidsovereenkomst van [werknemer] voortduurt.

5.5.

Naast de zogenoemde e-grond heeft KLM aan het ontbindingsverzoek de h-grond, de restgrond, ten grondslag gelegd. KLM stelt dat sprake is van omstandigheden, anders dan in artikel 7:669 lid 3 onderdeel a t/m g, die zodanig zijn dat van KLM niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Vast staat dat [werknemer] niet over een VGB en schipholpas beschikt, zodat hij zijn eigen functie niet meer kan uitoefenen. Naar het oordeel van de kantonrechter is daarmee gegeven dat van KLM niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren, met [werknemer] zijn immers werkzaamheden overeengekomen die hij gelet op het ontbreken van de VGB niet kan verrichten. Of de arbeidsovereenkomst op de h-grond moet worden ontbonden hangt voorts af van de herplaatsingsmogelijkheden.

5.6.

KLM heeft gesteld dat herplaatsing in dit geval niet in de rede zou liggen. Nu geen ontbinding plaatsvindt op grond van verwijtbaar handelen en nu binnen KLM functies bestaan waarvoor geen VGB vereist is, is de kantonrechter van oordeel dat herplaatsing in beginsel wel in de rede ligt. KLM heeft sinds januari 2020 herplaatsingsinspanningen verricht, onder meer door middel van (telefoon)gesprekken over vacatures. Ook is er een loopbaancoach betrokken geweest bij de herplaatsing. De kantonrechter stelt voorop dat voor het beoordelen van de herplaatsingsinspanningen moet worden gekeken naar hetgeen in de gegeven omstandigheden in redelijkheid van de werkgever kan worden gevergd. Daarbij is van belang dat de herplaatsingsmogelijkheden binnen KLM door het ontbreken van de VGB beperkt zijn, dat er met betrekking tot het herplaatsingsonderzoek meerdere contactmomenten hebben plaatsgevonden en dat [werknemer] op meerdere momenten is geïnformeerd over openstaande vacatures. KLM heeft gesteld dat er momenteel sprake is van een vacaturestop en dat heeft [werknemer] onvoldoende gemotiveerd betwist. Ten aanzien van twee specifieke vacatures waarvan [werknemer] zegt dat hij ten onrechte op die functies moest solliciteren in plaats van dat hij daarin direct herplaatst werd, heeft KLM ter zitting verklaard dat voor één van deze functies een VGB is vereist en dat voor de andere functie de vacature (tijdelijk) is ingetrokken. Gelet op het voorgaande en de gegeven omstandigheden heeft KLM naar het oordeel van de kantonrechter voldoende aannemelijk gemaakt dat zij ten aanzien van herplaatsing heeft voldaan aan hetgeen in de gegeven omstandigheden in redelijkheid van haar verwacht kon worden. De herplaatsingsverplichting reikt niet zover dat zij moet afwachten of [werknemer] herplaatst kan worden in een functie waarvoor de vacature momenteel (tijdelijk) is ingetrokken.

5.7.

De conclusie is dat de kantonrechter het verzoek van KLM zal toewijzen en dat de arbeidsovereenkomst met toepassing van artikel 7:671b lid 8, onderdeel a, BW zal worden ontbonden met ingang van 1 januari 2021. Dat is de datum waarop de arbeidsovereenkomst bij regelmatige opzegging zou zijn geëindigd, verminderd met de duur van deze procedure en met minimaal één maand resterend. Nu geen sprake is van ernstig verwijtbaar handelen van [werknemer] maakt hij aanspraak op de wettelijke transitievergoeding.

5.8.

Nu aan de ontbinding geen vergoeding wordt verbonden, hoeft KLM geen gelegenheid te krijgen het verzoek in te trekken.

5.9.

Gelet op de uitkomst van de zaak, is de kantonrechter van oordeel dat het redelijk is dat partijen ieder hun eigen proceskosten dragen.

het tegenverzoek

5.10.

[werknemer] heeft verzocht om een verklaring voor recht dat KLM onterecht 33 vakantiedagen heeft afgeschreven en om KLM te veroordelen tot betaling van € 2.286,22 aan achterstallig salaris. De kantonrechter overweegt dat die vorderingen door [werknemer] op grond van artikel 7:686a lid 3 BW kunnen worden ingediend in deze verzoekschriftprocedure, omdat het gaat om vorderingen die voldoende verband houden met de beëindiging van de arbeidsovereenkomst.

5.11.

Over de vorderingen van [werknemer] wordt het volgende overwogen. [werknemer] stelt dat KLM 33 vakantiedagen heeft afgeboekt van zijn saldo en dat KLM zijn loonbetaling heeft stopgezet per 11 juni 2019. KLM heeft de loonbetaling per 26 juni 2019, de datum van de intrekking van de VGB, hervat, in verband met het door [werknemer] instelde bezwaar tegen de intrekking. De kantonrechter overweegt dat de ingehouden vakantiedagen en het stopzetten van het salaris aldus niet te maken hebben met de intrekking van de VGB, maar juist met de periode waarin [werknemer] en KLM op die beslissing tot intrekking hebben moeten wachten. KLM heeft aangevoerd dat drie maanden voor het aflopen van de VGB, een nieuwe aanvraag moet worden gedaan. [werknemer] heeft dat betwist en stelt dat de aanvraagtermijn geen drie maanden, maar acht weken bedraagt.

5.12.

Ter onderbouwing van de volgens KLM geldende termijn is verwezen naar de informatie op interne (HR-)kanalen. [werknemer] stelt dat de termijn voorheen twee maanden was, hetgeen door KLM wordt erkend. Verder stelt [werknemer] dat HR-medewerkers hem, toen hij in december 2018 een formulier wilde halen, in verband met drukte hebben gevraagd na de feestdagen terug te komen, omdat er dan ook nog ‘genoeg tijd zou zijn’. KLM heeft dat gemotiveerd betwist. Gelet op het voorgaande is de kantonrechter van oordeel dat [werknemer] zijn VGB drie maanden van te voren had moeten aanvragen en dat, voor zover hij dat te laat heeft gedaan, dat voor zijn rekening en risico komt.

5.13.

De kantonrechter stelt vast dat de VGB van [werknemer] op 7 maart 2019 verliep, zodat hij gelet op het voorgaande uiterlijk op 7 december 2018 de nieuwe aanvraag had moeten doen. In plaats daarvan heeft [werknemer] de aanvraag op 14 januari 2019 gedaan. Uitgaande van de door KLM gehanteerde termijn van drie maanden had [werknemer] de beslissing dus op 14 april 2019 mogen verwachten. Gelet op het voorgaande komt de periode van vijf weken en drie dagen dat [werknemer] de aanvraag te laat heeft gedaan voor rekening en risico van [werknemer] . Echter, de beslissing is met een vertraging van (veel) meer dan vijf weken en drie dagen genomen. De resterende periode, die blijkbaar niet te wijten is aan de te late aanvraag van [werknemer] , komt naar het oordeel van de kantonrechter voor rekening en risico van KLM. Het is immers conform haar eigen beleid dat het nodig hebben van een VGB in beginsel voor risico komt van KLM. Dit brengt mee dat KLM vanaf 15 april 2019 onterecht vakantiedagen heeft afgeschreven en dat zij het loon niet had mogen stopzetten tussen 11 en 16 juni 2019. De wettelijke rente over het gevorderde achterstallig salaris zal worden toegewezen. De kantonrechter ziet aanleiding om de wettelijke verhoging te matigen tot 20%.

5.14.

De conclusie is dat de vorderingen van [werknemer] (gedeeltelijk) worden toegewezen.

5.15.

Gelet op de uitkomst van de zaak, is de kantonrechter van oordeel dat het redelijk is dat partijen ieder hun eigen proceskosten dragen.

6 De beslissing

De kantonrechter:

het verzoek

6.1.

ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen partijen met ingang van 1 januari 2021;

6.2.

bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;

6.3.

verklaart vorenstaande ontbinding uitvoerbaar bij voorraad;

6.4.

wijst het verzoek voor het overige af;

het tegenverzoek

6.5.

verklaart voor recht dat KLM vanaf 15 april 2019 (tenminste) 33 vakantiedagen onterecht ten nadele van [werknemer] heeft afgeschreven;

6.6.

veroordeelt KLM tot betaling aan [werknemer] van € 2.286,22 ten titel van achterstallig salaris, onder verstrekking van deugdelijke netto-bruto specificaties en te vermeerderen met de wettelijke rente en 20% wettelijke verhoging;

6.7.

bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;

6.8.

verklaart vorenstaande betalingsveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

6.9.

wijst het tegenverzoek voor het overige af.

Deze beschikking is gewezen door mr. D.P. Ruitinga, kantonrechter en op 20 november 2020 in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.

De griffier De kantonrechter