Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2020:9720

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
03-11-2020
Datum publicatie
30-12-2020
Zaaknummer
8821264 \ VV EXPL 20-157
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Kort geding
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Vordering staken draagvlakonderzoek en vordering wedertewerkstelling afgewezen. Er kan niet worden gesteld dat er geen enkele aanwijzing is dat er geen draagvlak voor werkneemster zou zijn. Draagvlakonderzoek niet ongerechtvaardigd. Belangenafweging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Insolventie

locatie Haarlem

Zaaknr./rolnr.: 8821264 \ VV EXPL 20-157

Uitspraakdatum: 3 november 2020

Vonnis van de kantonrechter in kort geding in de zaak van:

[eiseres]

wonende te [woonplaats]

eiseres

verder te noemen: [eiseres]

gemachtigde: mr. W. Lindeboom

tegen

[gedaagde]

gevestigd te [plaats]

gedaagde

verder te noemen: [gedaagde]

gemachtigde: mr. R.P.J. Hendrikx

1 Het procesverloop

1.1.

[eiseres] heeft [gedaagde] op 16 oktober 2020 gedagvaard. [gedaagde] heeft daarop schriftelijk gereageerd.

1.2.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 20 oktober 2020. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat partijen ter toelichting van hun standpunten, mede aan de hand van pleitaantekeningen, naar voren hebben gebracht. Voorafgaand aan de zitting heeft [eiseres] bij brief van 19 oktober 2020 nog stukken toegezonden.

2 De feiten

2.1.

[eiseres] is op 1 december 2017 in dienst getreden bij [gedaagde] . [gedaagde] is een onderwijsorganisatie. De laatste functie die [eiseres] vervulde is die van directeur van [onderdeel] (‘ [onderdeel] ’), onderdeel van [gedaagde] . De tussen partijen geldende arbeidsovereenkomst is een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd, op de arbeidsovereenkomst is de cao Primair Onderwijs 2020 van toepassing.

2.2.

Op 19 juni 2018 heeft een functioneringsgesprek met [eiseres] plaatsgevonden. Volgens het verslag van dat functioneringsgesprek was de visie van het bestuur op het functioneren van [eiseres] destijds: ‘Leidinggeven aan [onderdeel] blijkt een flinke klus te zijn. [eiseres] geeft duidelijk en directief vorm aan de ontwikkelingen. Dit zal niet altijd zonder slag of stoot gaan. Zij benut de kwaliteiten van mensen en gaat voor een goede samenwerking met [.] .’ Over de tevredenheidspeilingen van 2018 staat in het verslag nog vermeld: ‘De ouders zijn heel tevreden, echter is de peiling alleen door actieve ouders ingevuld. Medewerkers zijn minder tevreden. De leerling tevredenheid is laag. Hier valt nog winst te behalen.’

2.3.

Bij e-mails van 26 juni en 3 juli 2019 hebben drie medewerkers van [onderdeel] , na dat eerder op advies van de vertrouwenspersoon in persoon te hebben gedaan bij het bestuurskantoor, hun zorgen geuit over het werkklimaat op [onderdeel] en een vertrouwensbreuk met [eiseres] . Volgens deze medewerkers zou [eiseres] onder andere onvoldoende initiatief nemen om roddels de kop in te drukken en naar aanleiding daarvan een statement te maken in het team over sociaal gedrag.

2.4.

[eiseres] is vanaf medio 2019 begeleid door een externe coach.

2.5.

In het verslag van een functioneringsgesprek van 15 november 2019 staat over het mede voeren van integraal personeelsbeleid onder andere: ‘Er is heerst op dit moment nog een gevoel van onveiligheid. Het investeren in een gevoel van veiligheid bij teamleden is daarom erg belangrijk.’

2.6.

[lid college van bestuur] , lid van het College van Bestuur van [gedaagde] en verantwoordelijk voor [onderdeel] (‘ [lid college van bestuur] ’), heeft tussen 26 juni en 28 juni 2020 contact gehad met een onderwijsassistent van [onderdeel] en met de Teamleider Taalklassen. De onderwijsassistent heeft onder andere aan [lid college van bestuur] geschreven dat [eiseres] had gezegd dat [lid college van bestuur] (wederom) haar sollicitatie afwees. Over dat onderwerp had [lid college van bestuur] de Teamleider Taalklassen eerder al geschreven: ‘De handelswijze bevreemdt mij. Ik heb op geen enkele wijze als CvB een veto uitgesproken om niet in gesprek te gaan.’

2.7.

Op 30 juni 2020 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen [lid college van bestuur] en [eiseres] . Na dat gesprek is [eiseres] in gesprek gegaan met het team van de taalklassen. [lid college van bestuur] heeft [eiseres] op 1 juli 2020 ziekgemeld.

2.8.

[eiseres] heeft [lid college van bestuur] op 16 juli 2020 een e-mail gestuurd naar aanleiding van de ziekmelding. [eiseres] schrijft daarin dat het team en de ouders geïnformeerd zijn dat zij ziek is en dat haar nadrukkelijk is gezegd geen contact op te nemen met collega’s. [eiseres] heeft aangegeven de stappen niet te begrijpen en verzocht om een inhoudelijke onderbouwing. Verder heeft [eiseres] geschreven: ‘Jij hebt besloten dat ik na de zomervakantie start met mijn re-integratietraject. In een mail d.d. 8-7 zijn alle teamleden geïnformeerd door het bestuur over het feit dat ik vanaf 1 oktober mijn werkzaamheden weer volledig zal hervatten en dat [naam] mijn taken van 10-8 en 1-10 zal overnemen.’

2.9.

Op 10 en 19 augustus 2020 hebben gesprekken plaatsgevonden tussen [eiseres] en [lid college van bestuur] , in aanwezigheid van HR, met als onderwerp de re-integratie van [eiseres] . Van de gesprekken zijn gespreksverslagen opgemaakt. In het verslag van 19 augustus 2020 staat onder andere: ‘ [lid college van bestuur] heeft besloten om met onmiddellijke ingang de re-integratie van [eiseres] op [onderdeel] stop te zetten. De korte versie van de onderbouwing is dat [lid college van bestuur] vanuit meerdere signalen te kennen heeft gekregen dat [eiseres] de gemaakte afspraak om zich niet in te mengen in operationele zaken, niet heeft nageleefd.’ [eiseres] heeft op 9 september 2020 gereageerd op het gespreksverslag van 19 augustus 2020.

2.10.

Door de [raad] [onderdeel] is in een brief aan onder andere de stuurgroep en [lid college van bestuur] geschreven: ‘Ondanks dat de school grote stappen maakt door o.a. de inzet van de directie ( [eiseres] en [voornaam] ) […] Inmiddels zijn er met name door de goede inzet van [voornaam] en [eiseres] veel goede en vaste medewerkers op de groepen terecht gekomen. […] Ouders zijn zeer positief over hoe ze door o.a. [eiseres] en alle medewerkers worden gehoord.

2.11.

Tussen 14 augustus en 17 oktober 2020 hebben verschillende medewerkers van [gedaagde] een e-mail gestuurd naar [lid college van bestuur] met als onderwerpen: ‘Zorgen [.] [onderdeel] ’, ‘Veiligheid team’, ‘(‘aanvullend’) draagvlakonderzoek’. Over [eiseres] is in de e-mails onder andere geschreven: ‘Binnen de huidige situatie van het integreren van [eiseres] spelen een aantal zaken die, denken wij, niet gunstig zouden kunnen uitpakken voor [onderdeel] .’ In diezelfde e-mail wordt geschreven over zaken die opgepakt worden door de vervanger van [eiseres] en [eiseres] die probeert haar plek terug te krijgen, en dat die zaken niet met elkaar matchen en een soort strijd lijkt te ontstaan. En verder: ‘Sprekend voor de taalklassen zien wij dat zij de huidige situatie als onveilig ervaren. Onder andere doordat er nog geen duidelijkheid is omtrent de aanpak van het punt van vertrouwen wat voor de zomervakantie heeft gespeeld en nog niet is opgelost.’ In de andere e-mails staat nog: ‘een aantal (ktr: leerkrachten) emotioneel zijn geworden en aangegeven dat ze bang zijn dat als [eiseres] terugkomt zij de volgende zijn die weggepest worden. Zij durven geen nee te zeggen als hun wat wordt gevraagd nu wat eigenlijk tegen de afspraken is […]’, ‘Zoals je misschien gemerkt hebt afgelopen maandag, is er onder de collega’s op [onderdeel] behoorlijk wat angst en/of onrust rondom de situatie zoals die nu is m.b.t. [eiseres] . […] Men is überhaupt bezorgd vanwege een mogelijke terugkeer. Daarnaast heerst er angst voor represailles van de zijde van [eiseres] . Daarbij maakt het niet uit of zij wel of niet terugkeert op [onderdeel] of niet. Over dat laatste geval gesproken: wij vinden dit een ernstige situatie.’ En ‘Het belang van het draagvlakonderzoek onderschrijf ik en ik heb vertrouwen in een zorgvuldige handelswijze van het bestuur in deze. Echter, het gegeven dat [eiseres] het interviewverslag te lezen krijgt maakt voor mij de situatie zéér onveilig. Gezien de onprofessionele houding van [eiseres] […] vrees ik mogelijke represailles, nu of in de toekomst.’

2.12.

Op 1 september 2020 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen [lid college van bestuur] , [eiseres] en de coach van [eiseres] , in aanwezigheid van HR. Van het gesprek is een gespreksverslag opgemaakt met als onderwerp: ‘Ontstane situatie op [onderdeel] ’. In het gespreksverslag staat onder andere: ‘Ondertussen heeft [lid college van bestuur] op 25 augustus een gesprek gehad met het voltallige team TK (ktr: taalklassen), op hun dringende verzoek. Ze geven aan dat de leugens van [eiseres] rond de sollicitatieprocedure de druppels waren die de emmer deden overlopen maar dat er nog heel veel meer speelde. EN heeft allerlei voorbeelden aangehoord waardoor medewerkers zich onveilig voelen. [lid college van bestuur] benoemt enkele voorbeelden zoals de bewering dat ze met anderen over de inhoud van een functioneringsgesprek praat, dat er beslissingen worden genomen zonder overleg, zoals het aantrekken van een gastvrouw, dat [eiseres] vaker iets niet goed vindt met het argument dat het van het College van bestuur niet mag, of dat ze tijdens de coronacrisis niet bereikbaar was voor hulpvragen.[…] [lid college van bestuur] geeft aan dat hij beseft dat dit slechts één kant van het verhaal is en dat dit hoor en wederhoor verdient. Echter, hij kan zich niet aan de indruk onttrekken dat er sprake is van een ernstige vertrouwensbreuk tussen [eiseres] en de teams. Hij moet vaststellen dat er bij [onderdeel] extreem veel gevoel van onveiligheid is en dat draagvlak voor terugkeer van de directeur er ontbreekt.’

2.13.

Op 9 september 2020 heeft [eiseres] op het gespreksverslag gereageerd: ‘Zoals ik ook op 1-9 heb gezegd (maar dit is niet opgenomen in het gespreksverslag): ‘in het gesprek zijn vele verwijten, meningen geuit en signalen benoemd’ (en in het gespreksverslag opgenomen). Deze zijn voor mij niet te verifiëren en ik ben ook niet in de gelegenheid geweest om te reageren richting de personen die de uitingen hebben gedaan. […]’

2.14.

Op 9 september 2020 heeft ook een nieuw gesprek plaatsgevonden, met als onderwerp: Reactie op gesprek 1 september + verkenning oplossingen voor ontstane situatie op [onderdeel] . In het gespreksverslag staat dat [lid college van bestuur] drie scenario’s heeft geschetst, namelijk (1) terugkeer als directeur bij [onderdeel] of (2) als directeur bij een andere school van [gedaagde] of (3) het zoeken naar een andere functie buiten [gedaagde] . [lid college van bestuur] heeft verwezen naar de gevoelens van onrust en onveiligheid bij het team en over scenario (1) en (2) heeft hij aangegeven dat voor die scenario’s eerst een draagvlakonderzoek moet worden uitgevoerd.

2.15.

Bij brief van 14 september 2020 heeft de gemachtigde van [eiseres] verzocht om een afspraak om van gedachten te wisselen over ‘hoe verder’. Bij brief van 17 september 2020 is namens [eiseres] verzocht om een informatiebijeenkomst voor de ouders van [onderdeel] , waarbij zij ook aanwezig zou zijn.

2.16.

Op 28 september 2020 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen [eiseres] , [gedaagde] en hun (toenmalige) gemachtigden. Namens [eiseres] is in het gesprek aangegeven dat scenario drie voor haar onbespreekbaar was. Namens [gedaagde] is aangegeven dat zij zo snel mogelijk met het draagvlakonderzoek wilde starten. [eiseres] heeft aangegeven de time-outperiode niet te willen verlengen in verband met het draagvlakonderzoek, [gedaagde] heeft daarop aangegeven dat: ‘de stichting helaas geen andere route openstaat dan [eiseres] te schorsen in de vorm van een ordemaatregel. […] Hij vervolgt dat de stichting nu het voornemen uitspreekt om [eiseres] te schorsen in de vorm van een ordemaatregel voor een periode van vier weken, waarbij [eiseres] tevens de toegang tot de school wordt ontzegd.’

2.17.

In het gesprek van 28 september 2020 heeft [eiseres] een voorstel tot werkhervatting gedaan, welk voorstel namens haar bij brief van 29 september 2020 aan [gedaagde] is bevestigd.

2.18.

Bij brief van 1 oktober 2020 is [eiseres] door [gedaagde] geschorst onder verwijzing naar artikel 3.10 sub d jo. artikel 3.11 lid 1 van de cao. Met betrekking tot de gronden voor het besluit is onder andere geschreven: ‘De stichting is – en blijft – van mening dat op basis van haar verantwoordelijkheid voor de school en ook voor alle medewerkers die daar werkzaam zijn, het niet verantwoord is dat het draagvlakonderzoek wordt uitgevoerd als u aanwezig bent of kunt zijn in de school. Voorts is het draagvlakonderzoek noodzakelijk – een beperkte externe inventarisatie als door u voorgesteld biedt geen goed vooruitzicht dat alle problematiek die zich voordoet op tafel. Alvorens aan uw terugkeer kan worden gewerkt (als uit het onderzoek blijkt dat dit mogelijk is) is het nodig dat de gehele problematiek wordt onderzocht.’

2.19.

Bij brief van 8 oktober 2020 heeft [gedaagde] [eiseres] en haar gemachtigde geïnformeerd over het ‘feitenonderzoek’: ‘Het doel van het onderzoek is het verkrijgen van een concreter en completer beeld ten aanzien van signalen van medewerkers die het bestuur hebben bereikt over uw houding en gedrag. Het zou daarbij gaan om signalen die duiden op een gebrek aan vertrouwen in uw functie-uitoefening, onder meer samenhangend met de wijze waarop u zou communiceren. Op die manier kan worden onderzocht wat zich wel en niet heeft voorgedaan en of en hoe dit uw draagvlak heeft beïnvloed. Zo voorkomen we dat voorbarige en onjuiste conclusies getrokken worden. […] Ook mag u onderwerpen en/of vragen voorleggen die volgens u tijdens de interviews aan bod moeten komen.’

2.20.

Bij brief van 9 oktober 2020 is de schorsing verlengd, omdat het draagvlakonderzoek op de einddatum van de schorsing – 26 oktober 2020 – nog niet zou zijn afgerond. De schorsing was voorgenomen voor de duur van ten hoogste drie maanden, en ‘zal eerder worden beëindigd als de grond voor die schorsing niet langer noodzakelijk is.’

3 De vordering

3.1.

[eiseres] vordert dat de kantonrechter bij wijze van voorlopige voorziening [gedaagde] opdraagt om het draagvlakonderzoek te staken en gestaakt te houden, zolang daarvoor geen alternatief gevonden is dat voor [eiseres] aanvaardbaar is. Voor zover het draagvlakonderzoek op de uitspraakdatum van het onderhavige vonnis reeds is afgerond, vordert [eiseres] [gedaagde] te verbieden het verder beleid (met betrekking tot [eiseres] ) op dat draagvlakonderzoek te baseren. Verder vordert [eiseres] dat de kantonrechter [gedaagde] opdraagt om [eiseres] in staat te stellen om haar werkzaamheden op [onderdeel] in een substantieel deel van haar taken en verantwoordelijkheden te hervatten en [gedaagde] op te dragen met [eiseres] in overleg te treden en met haar overeenstemming te bereiken over de mate waarin en het tempo waarmee dit gebeurt. Ten slotte vordert [eiseres] dat de kantonrechter [gedaagde] opdraagt het team, collega-directeuren en ouders (in overleg) te berichten over de beëindiging van het draagvlakonderzoek en over de hervatting van de werkzaamheden van [eiseres] . [eiseres] verzoekt aan haar vorderingen een dwangsom van € 1.000,- per dag te verbinden en [gedaagde] te veroordelen in de proceskosten.

3.2.

[eiseres] legt aan haar vorderingen ten grondslag dat zij haar functie tot 30 juni 2020 zonder enig probleem heeft uitgeoefend; de functioneringsgesprekken geven een zeer positief beeld en de coaching waar [eiseres] gebruik van maakt, is coaching waar iedere directeur recht op heeft. [eiseres] is door [gedaagde] nooit geconfronteerd met concrete problemen voor wat betreft haar omgang met de andere medewerkers. Op 30 juni 2020 heeft [lid college van bestuur] als donderslag bij heldere hemel een motie van wantrouwen aan het adres van [eiseres] uitgebracht. [gedaagde] heeft verder in strijd met het verzuimprotocol gehandeld door [eiseres] op 1 juli 2020 ziek te melden. Door communicatie van [lid college van bestuur] met collega-directeuren en betrokken ouders, waarin [eiseres] vooraf niet gekend is, is veel onrust ontstaan. Het stopzetten van de re-integratie op 19 augustus 2020 was een schorsingshandeling waartegen [eiseres] op 14 september 2020 beroep heeft ingesteld. Met betrekking tot de door [gedaagde] geschetste scenario’s bleek dat voor [gedaagde] alleen de optie vertrek aan de orde was. [gedaagde] heeft echter over de positie van [eiseres] op [onderdeel] conclusies getrokken die gebaseerd zijn op aannames en niet worden ondersteund door feiten.

3.3.

[gedaagde] laat [eiseres] zonder enige aanleiding sinds begin juli 2020 niet toe tot haar werkzaamheden. Het uitgangspunt dient te zijn dat er draagvlak is voor [eiseres] , zeker nu er geen enkele aanwijzing is voor het tegendeel. Als er al een gebrek aan draagvlak zou zijn, is dat nog niet voldoende om een werknemer op non-actief te stellen. Ook is het instellen van het draagvlakonderzoek ten opzichte van [eiseres] onrechtmatig, omdat enige aanwijzing dat er een gebrek aan draagvlak is ontbreekt. Het draagvlakonderzoek is dan ook ten onrechte uitsluitend op haar houding en gedrag, haar functie-uitoefening en haar manier van communiceren gericht en heeft kennelijk tot doel om aan te tonen dat [eiseres] niet de juiste vrouw op de juiste plaats is. In plaats daarvan zou een onderzoek breder getrokken moeten worden, gelet op de problemen binnen het team en de communicatie vanuit het bestuur. Daar komt bij dat de bestuurder invloed heeft op wie wel en niet aan het onderzoek deelneemt. Ten slotte heeft [eiseres] geen invloed gehad op het formuleren van de opdracht en heeft zij geen mogelijkheid gehad om met alle betrokkenen te communiceren.

4 Het verweer

4.1.

[gedaagde] heeft geconcludeerd tot afwijzing van de vorderingen van [eiseres] . Zij voert daartoe – samengevat – het volgende aan. [gedaagde] betwist dat het functioneren van [eiseres] zonder problemen was; er waren aandachtspunten met betrekking tot het personeelsbeleid en de stijl van leidinggeven. In verband met de zorgen over die onderwerpen is er vanaf medio 2019 een begeleidingstraject ingezet door een externe coach. [gedaagde] heeft de afgelopen jaren van haar medewerkers meerdere berichten ontvangen over gevoelens van onvrede, onveiligheid en wantrouwen als gevolg van het leiding geven door [eiseres] . Na de gang van zaken rondom de sollicitatie van een onderwijsassistente in juni 2020 heeft [lid college van bestuur] op 30 juni 2020 geen wantrouwen uitgesproken, maar wel zijn zorgen geuit. Na het gesprek met de taalklassen is de situatie ernstig geëscaleerd.

4.2.

In de periode na de zomervakantie heeft [gedaagde] uit e-mails en een gesprek met het team van de taalklassen geconstateerd dat sprake was van een gevoel van onveiligheid. Op basis daarvan had het bevoegd gezag aanleiding om de zaak te onderzoeken; [gedaagde] kon niet anders dan onderzoek laten doen naar de signalen. Dat [gedaagde] de signalen extern laat onderzoeken, getuigt dan ook juist van zorgvuldigheid. De terugkeer van [eiseres] is – en was ook in het gesprek van 9 september – een reële optie, mits uit het draagvlakonderzoek volgt dat dit mogelijk is. Er is dan ook geen reden voor een verbod op het gebruik van de onderzoeksresultaten; het onderzoek is volledig neutraal en onafhankelijk en [eiseres] heeft invloed op het onderzoek aangezien zij in de gelegenheid is gesteld om personen en onderwerpen aan te dragen die in het onderzoek moeten worden betrokken.

4.3.

Toen [eiseres] de time-out niet wilde verlengen, kon [gedaagde] niet anders dan overgaan tot een formele schorsing. Deze schorsing is noodzakelijk omdat het niet zo kan zijn dat [eiseres] aanwezig is op school op het moment dat er een onderzoek plaatsvindt naar haar leiderschapsstijl ten gevolge van signalen van grote onveiligheid. De schorsing is dan ook noodzakelijk voor een betrouwbaar onderzoeksresultaat. Bovendien komt [gedaagde] als werkgever ten aanzien van dergelijke beslissingen een zekere beleidsvrijheid toe. In dat kader geldt ten slotte dat [gedaagde] als werkgever niet alleen in het belang van [eiseres] , maar ook in het belang van haar andere medewerkers moet handelen. Ten slotte heeft [gedaagde] aangevoerd dat de vorderingen van [eiseres] moeten worden afgewezen omdat deze te vaag en daardoor niet executabel zijn.

5 De beoordeling

5.1.

De vordering in kort geding kan alleen worden toegewezen als [eiseres] daarbij een spoedeisend belang heeft. Dat is het geval, nu het hier gaat om een draagvlakonderzoek dat op korte termijn zal worden afgerond en een vordering tot wedertewerkstelling wegens een schorsing.

5.2.

Verder is voor toewijzing van de vordering in dit kort geding vereist dat de aan die vordering ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden voldoende aannemelijk zijn en dat het ook in voldoende mate waarschijnlijk is dat die vordering in een nog te voeren gewone procedure (bodemprocedure) zal worden toegewezen. Voor nader onderzoek naar bepaalde feiten en omstandigheden of voor bewijslevering door bijvoorbeeld getuigen is in dit kort geding in beginsel geen plaats. Dat moet gebeuren in een eventuele bodemprocedure. De beoordeling in dit kort geding is dan ook niet meer dan een voorlopig oordeel over het geschil tussen partijen.

5.3.

De eerste twee vorderingen van [eiseres] ageren tegen het lopende draagvlakonderzoek. Ter zitting is duidelijk geworden dat de verwachting is dat dat draagvlakonderzoek in de eerste week van november 2020 zal worden afgerond en dat ook [eiseres] zich – onder protest – bereid heeft verklaard om ten behoeve van het onderzoek te worden geïnterviewd. De kantonrechter stelt voorop dat [gedaagde] ten aanzien van het instellen van een (draagvlak)onderzoek een zekere mate van beleidsvrijheid toekomt, mits zij zich daarbij als goed werkgever gedraagt. [eiseres] heeft gesteld dat het draagvlakonderzoek moet worden gestaakt en/of de uitkomst daarvan niet mag worden gebruikt om verder beleid op te baseren. [eiseres] heeft daartoe gesteld dat er geen enkele aanwijzing is dat er geen draagvlak voor [eiseres] zou zijn, zodat het onderzoek onrechtmatig is. De kantonrechter volgt deze stelling niet, nu uit de signalen vanaf augustus 2020 niet kan volgen dat er geen enkele reden was om een draagvlakonderzoek in te stellen. Gelet op die signalen doet daar niet aan af dat [eiseres] stelt dat zij haar werkzaamheden tot 30 juni 2020 zonder problemen heeft uitgevoerd. Verder heeft [eiseres] te kennen gegeven dat zij het niet eens is met het onderwerp van het draagvlakonderzoek; zij vindt dat het onderzoek breder gedaan moet worden dan alleen ten aanzien van háár functioneren. Zoals hiervoor overwogen heeft [gedaagde] bij het instellen van een onderzoek (en ook bij het bepalen van het onderwerp daarvan) een zekere mate van beleidsvrijheid. Nu hiervoor ook is overwogen dat er signalen zijn met betrekking tot specifiek [eiseres] , kan niet worden geoordeeld dat [gedaagde] in redelijkheid niet tot dit onderzoeksonderwerp heeft kunnen komen. Daar komt bij dat [gedaagde] onbetwist heeft aangevoerd dat [eiseres] de mogelijkheid heeft vragen en deelnemers voor het onderzoek aan te dragen. Dat er andere of bredere problemen binnen [gedaagde] zouden spelen, doet aan het voorgaande niet af. De conclusie is dat [gedaagde] niet zal worden opgedragen haar draagvlakonderzoek te staken in afwachting van een voor [eiseres] aanvaardbaar alternatief en dat [gedaagde] niet kan worden verboden haar verdere beleid (met betrekking tot [eiseres] ) op het draagvlakonderzoek te baseren.

5.4.

Voorts heeft [eiseres] gevorderd [gedaagde] op te dragen [eiseres] in staat te stellen haar werkzaamheden, althans een substantieel deel daarvan, te hervatten. De kantonrechter overweegt dat [gedaagde] heeft aangevoerd dat het belang van de schorsing is gelegen in de uitvoering van het draagvlakonderzoek buiten de afwezigheid van [eiseres] . Ter zitting is duidelijk geworden dat het onderzoek naar verwachting in de eerste week van november is afgerond. Dat belang komt aldus (op korte termijn) te vervallen. Ter zitting heeft [gedaagde] verder aangevoerd dat het eveneens noodzakelijk is dat [eiseres] niet op de werkvloer is tot de onderzoeksresultaten bekend zijn; na afronding van het onderzoek moet eerst een evaluatie plaatsvinden op basis waarvan de gevolgen moeten worden bepaald.

5.5.

De kantonrechter kan deze redenering van [gedaagde] volgen. Zoals hiervoor overwogen kan niet worden gesteld dat er geen enkele aanwijzing is dat er geen draagvlak voor [eiseres] zou zijn, zodat een onderzoek niet ongerechtvaardigd is. Bovendien zijn de resultaten van het onderzoek op korte termijn te verwachten. Gelet op het voorgaande prevaleert het belang van [eiseres] om haar werkzaamheden te hervatten en/of op de werkvloer aanwezig te zijn niet boven het belang van [gedaagde] om de onderzoeksresultaten af te wachten voordat sprake kan zijn van een terugkeer van [eiseres] . [gedaagde] heeft in dit kader terecht aangevoerd dat zij niet alleen jegens [eiseres] , maar ook richting haar andere werknemers (waaronder de werknemers die te kennen hebben gegeven zich onveilig te voelen) als goed werkgever moet handelen.

5.6.

De conclusie is dat de kantonrechter de vordering van [eiseres] zal afwijzen.

5.7.

De proceskosten komen voor rekening van [eiseres] , omdat zij ongelijk krijgt.

6 De beslissing

De kantonrechter:

6.1.

wijst de vordering af;

6.2.

veroordeelt [eiseres] tot betaling van de proceskosten, die tot en met vandaag voor [gedaagde] worden vastgesteld op een bedrag van € 720,- aan salaris van de gemachtigde van [gedaagde] .

6.3.

verklaart vorenstaande proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. D.P. Ruitinga en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.

De griffier De kantonrechter