Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2020:9716

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
28-09-2020
Datum publicatie
25-11-2020
Zaaknummer
C/15/305040 JU RK 20-1384
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

vaststelling verdeling van de zorg- en opvoedingstaken

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Sectie Familie en Jeugd

Zittingsplaats: Alkmaar

Zaakgegevens : C/15/305040 / JU RK 20-1384

datum uitspraak: 28 september 2020

beschikking vaststellen zorg- en opvoedingsregeling

in de zaak van

de gecertificeerde instelling De Jeugd- & Gezinsbeschermers, hierna te noemen de GI,

gevestigd te Alkmaar,

betreffende

[minderjarige] , geboren op [geboortedatum] te [plaats] , hierna te noemen [minderjarige] .

De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

[de moeder] , hierna te noemen de moeder,

wonende te [plaats] ,

[de vader] , hierna te noemen de vader,

wonende te [plaats] .

1 Het procesverloop

1.1.

Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken:

- het verzoekschrift met bijlagen van de GI van 1 juli 2020, ingekomen bij de griffie op 9 juli 2020 (wijziging zorgregeling);

- de e-mails van de vader van 8 juli en 9 juli 2020;

- de e-mail met bijlagen van [vertegenwoordiger van de GI] namens de GI van 9 juli 2020;

- de e-mail van mr. S. Kuijs, de advocaat van de moeder, van 10 juli 2020;

- de e-mail van [vertegenwoordiger van de GI] namens de GI van 24 augustus 2020;

- de e-mail met bijlagen van [vertegenwoordiger van de GI] namens de GI van 4 september 2020;

- de brieven van de vader met bijlagen van 4 en 7 september 2020;

- de e-mail van [vertegenwoordiger van de GI] namens de GI van 7 september 2020;

- de e-mail met bijlage van [vertegenwoordiger van de GI] namens de GI van 10 september 2020;

- de e-mail van mr. S. Kuijs, de advocaat van de moeder, van 11 september 2020;

- de brieven met bijlagen van de vader van 11 september 2020.

1.2.

Op 14 september 2020 heeft de kinderrechter de zaak ter zitting met gesloten deuren behandeld, gelijktijdig met het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling van [minderjarige] . Gehoord zijn:

- de minderjarige [minderjarige] , die voorafgaand aan de zitting apart is gehoord,

- de moeder, bijgestaan door haar advocaat mr. S. Kuijs,

- de vader,

- een vertegenwoordiger van de GI, [vertegenwoordiger van de GI] ,

- de regiebehandelaar van [minderjarige] , [informant] (als informant).

1.3.

Door de GI is bezwaar gemaakt tegen Bijlage IV bij de brief van 4 september 2020 van de vader, betreffende de brief “Beloop en advies behandeling [minderjarige] ” van [naam] . De vader heeft op zijn beurt bezwaar gemaakt tegen het reflectieverslag van [informant] , gevoegd bij de e-mail van [vertegenwoordiger van de GI] van 10 september 2020. De kinderrechter heeft op de zitting deze bezwaren verworpen en beslist dat beide stukken onderdeel uitmaken van de processtukken. Partijen hebben over en weer kennis kunnen nemen van de stukken en zij hebben daarop zowel in woord als geschrift kunnen reageren. Voor zover de brief van [naam] onjuistheden bevat, zijn die gecorrigeerd in zijn brief van 11 september 2020, gevoegd als bijlage C bij de brief van de vader van 11 september 2020. Van strijd met de goede procesorde is geen sprake.

1.4.

De vader heeft ter zitting het woord gevoerd aan de hand van door hem overgelegde pleitnotities.

2 De feiten

2.1.

Het ouderlijk gezag over [minderjarige] wordt uitgeoefend door de ouders.

2.2.

[minderjarige] woont bij de moeder.

2.3.

Bij beschikking van 31 januari 2018 is [minderjarige] onder toezicht gesteld, welke ondertoezichtstelling laatstelijk bij beschikking van 14 juli 2020 is verlengd tot 18 september 2020.

2.4.

Bij beschikking van 14 februari 2018 is (onder meer) een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (hierna: zorgregeling) bepaalt, die kort gezegd inhoudt dat [minderjarige] de ene week van donderdagmiddag tot vrijdagochtend bij de man verblijft en de andere week van donderdagmiddag tot zondagmiddag. Verder is een regeling voor de vakanties en bijzondere (feest)dagen getroffen.

3 Het verzoek

3.1.

De GI heeft verzocht de door de kinderrechter vastgestelde zorgregeling van 14 februari 2018 tussen de vader en [minderjarige] aldus te wijzigen:

‘De GI vult de omgangsregeling naar eigen inzicht in met een minimum van tweemaal per jaar begeleide omgang op een nader te bepalen locatie, waarbij [minderjarige] de vrijheid krijgt om zowel de begeleider als de locatie uit te kiezen. [minderjarige] krijgt hierbij het recht en de mogelijkheid om in afwijking van deze zorgregeling aanvullend contact en omgang met zijn vader te hebben, met een maximum van de omgangsfrequentie van de voorgaande zorgregeling. Dit houdt een weekend om de week in en het delen van vakanties en feestdagen.’

3.2.

De GI heeft hiertoe – zakelijk weergegeven – het volgende aangevoerd.

Sinds september 2018 is er geen sprake van omgang conform de zorgregeling. De GI acht de kans minimaal dat de omgang conform de zorgregeling op korte termijn kan herleven, gezien de huidige voortgang van de omgang. De GI vindt de huidige zorgregeling dan ook niet langer passend. Vanwege de zorgen omtrent de emotionele en fysieke veiligheid van [minderjarige] en de onrust rondom de uitvoering van de zorgregeling, is de zorgregeling in samenspraak met de GI en de ouders in september 2018 tijdelijk (voor de duur van drie maanden) opgeschort. Dit komt door twee incidenten die zich destijds hebben voorgedaan rondom de omgang tussen de vader en [minderjarige] . Na afloop van de drie maanden is het de GI, de ouders en de hulpverlening niet gelukt om de zorgregeling weer te herstellen, doordat [minderjarige] geen contact meer wil met zijn vader. Nadien is hulpverlening ingezet gericht op contactherstel, waarbij [minderjarige] herhaaldelijk heeft aangegeven geen omgang met de vader te willen. Vanuit [minderjarige] lijkt er sprake van een duurzame breuk in het contact met de vader.

De vader heeft op zijn eigen manier zijn uiterste best gedaan om tot de gewenste veranderingen te komen, maar de GI constateert dat hem dit helaas onvoldoende is gelukt. [minderjarige] heeft in het verleden een aantal zorgen en problemen met de GI gedeeld waar hij rondom de omgang met zijn vader tegenaan is gelopen. Dit zit hem erg dwars en veroorzaakt spanningen. Volgens [minderjarige] zijn er ook nog zaken voorgevallen waarover hij nog geen duidelijkheid wil en kan geven. Tot op heden is het niet mogelijk gebleken om door middel van therapie hier meer zicht op te krijgen. [minderjarige] gelooft niet dat herstel van contact en omgang mogelijk is en hij is bang voor de reactie van de vader. Logischerwijs wil de vader blijven vasthouden aan de huidige zorgregeling en het voortbestaan daarvan leidt tot discussies over het feit dat sinds lange tijd geen invulling aan de zorgregeling wordt gegeven. [minderjarige] heeft de emotionele toestemming van de moeder om omgang met de vader te hebben. De GI acht het in het belang van [minderjarige] dat er duidelijkheid komt rondom de mogelijkheden en verplichtingen rondom de zorgregeling en dat deze in zijn belang wordt bijgesteld. De GI zal in het kader van de omgang (exposuretraject) naar alle waarschijnlijkheid meerdere malen voor- en achteruit moeten kunnen schakelen om de omgang bij te stellen op de momenten dat dit in het belang van [minderjarige] noodzakelijk is. De GI hoopt dat de verzochte zorgregeling [minderjarige] de rust geeft om zich te richten op zijn verwerkingsproces en verdere ontwikkeling. Daarnaast hoopt de GI dat de vader gemotiveerd wordt om noodzakelijke hulpverlening te zoeken, zodat hij beter kan leren aansluiten bij zijn zoon en in staat is om een waardevolle band met hem op te bouwen.

3.3.

De GI heeft ter zitting ten aanzien van beide verzoeken aangevuld dat er in afstemming met de regiebehandelaar is nagedacht over hoe het nu verder moet. De GI ziet dat [minderjarige] zich wel degelijk heeft ingezet de afgelopen periode in het kader van het exposure-traject en de herstelgesprekken. [minderjarige] is hierin gegroeid. Helaas hebben de exposure en de herstelgesprekken niet geleid tot verbetering van het contact met de vader. [minderjarige] voelde zich tijdens de herstelgesprekken onvoldoende gezien en gehoord door de vader.

Verder is het de afgelopen periode onvoldoende gelukt om constructief samen te werken met de vader. De GI zou graag zien dat de vader zich op actieve wijze gaat inspannen om een individueel behandeltraject aan te gaan. Hij dient daarbij inzicht te geven in het behandeltraject en op een positieve manier daaraan mee te werken. De vader dient eerst dit individuele traject aan te gaan, voordat met behandeling van [minderjarige] kan worden gestart. De GI acht het verder van belang dat duidelijk wordt of er een reële grond is waarom [minderjarige] geen contact wil met de vader. Dit is onvoldoende naar voren gekomen tijdens het traject bij [naam] . De ouders hebben inmiddels allebei informatie aangeleverd voor een ouderschapsplan en de GI is voornemens hier het komende half jaar aan verder te werken.

4 Het standpunt van belanghebbenden

Het standpunt van de minderjarige [minderjarige]

4.1.

heeft in het gesprek met de kinderrechter aangegeven dat hij het liefst geen verlenging van de ondertoezichtstelling wil. Ook wil [minderjarige] geen contact meer met zijn vader, [minderjarige] is van mening dat twee keer per jaar teveel is. Als de kinderrechter besluit dat er wel contact tussen [minderjarige] en de vader moet blijven, dan wil [minderjarige] dit alleen als het contact begeleid plaatsvindt. Sinds er geen omgang meer is heeft [minderjarige] het gevoel dat het beter gaat en dat het rustiger is in zijn hoofd. Hij kan zich nu op zijn huiswerk focussen. Tot slot wil [minderjarige] graag dat de vader de foto’s van [minderjarige] op Instagram verwijdert. Het gaat om een Instagram account op naam van [minderjarige] , dat de vader beheert.

Het standpunt van de vader

4.2.

De vader heeft aangegeven dat hij [minderjarige] enorm mist en dat het hem pijn doet dat hij op dit moment geen vader-zoon relatie met hem kan onderhouden. De vader verzet zich tegen wijziging van de zorgregeling en meent dat sprake is van inbreuk op zijn privéleven. De vader wijst erop dat [naam] en [naam] van mening zijn dat de omgang doorgang moet blijven vinden. Van onveiligheid of druk voor [minderjarige] gedurende de omgang is geen sprake, dit is ook nooit geobserveerd.

Het standpunt van de moeder

4.3.

De moeder is het eens met het verzoek tot wijziging van de zorgregeling. Zij is van mening dat [minderjarige] niet langer de verplichting dient te voelen om naar de vader te gaan, het is volgens haar beter om [minderjarige] zelf te laten bepalen wanneer en hoe hij contact met de vader wil. De moeder heeft het idee dat er zo meer kans is dat er in de toekomst wel positief contact tussen de vader en [minderjarige] kan plaatsvinden. Op dit moment wordt [minderjarige] ondergesneeuwd en is hij afgehaakt.

De advocaat van de moeder vraagt zich af of de situatie over een paar maanden wezenlijk anders zal zijn geworden en of [minderjarige] dan opeens wel gemotiveerd zal zijn. [minderjarige] moet rust krijgen en de vader moet individuele hulpverlening krijgen, en daarvan is al gezegd dat dat jaren in beslag kan nemen.

5 Het standpunt van de informant

[informant] vindt het belangrijk dat er een rustperiode komt voor [minderjarige] , waarbij de ouders eerst aan de slag gaan met individuele hulpverlening. Het traject van exposure is niet langer aan de orde. Exposure is gericht op het veranderen van overtuigingen en gedachten door positieve ervaringen. Tijdens de omgangsmomenten die [informant] heeft bijgewoond, zijn er positieve momenten geweest maar ook momenten waarbij de vader grensoverschrijdend heeft gehandeld naar [minderjarige] . Dit maakt dat de omgangsmomenten in zijn geheel geen positieve ervaring voor [minderjarige] zijn geweest en de exposure een negatief effect heeft op [minderjarige] . Om deze reden is de exposure stopgezet. [informant] vraagt zich af of er in deze situatie sprake is van het herstellen van de band tussen [minderjarige] en de vader of het opbouwen van een band, omdat [minderjarige] heeft aangegeven dat de vader voor de scheiding veel aan het werk was en nauwelijks thuis is geweest.

6 De beoordeling

6.1.

Op grond van artikel 1:265g lid 1 BW kan de kinderrechter op verzoek van de GI voor de duur van de ondertoezichtstelling onder meer een zorg- of omgangsregeling wijzigen voor zover dit in het belang van de minderjarige noodzakelijk is.

6.2.

Het is de kinderrechter gebleken dat al langere tijd geen uitvoering wordt gegeven aan de zorgregeling van 14 februari 2018. De afgelopen periode hebben er wel enkele begeleide omgangsmomenten plaatsgevonden. Op dit moment heeft [minderjarige] geen contact met de vader en dat wil hij ook niet. Het ziet er daarmee niet naar uit dat de zorgregeling binnen afzienbare tijd weer zal worden uitgevoerd. Tegelijkertijd dringt de vader daar wel op aan. Voor [minderjarige] is het daarom belangrijk dat er rust en duidelijkheid komt ten aanzien van de omgang. Een zorgregeling van de frequentie en duur zoals de huidige zorgregeling is naar het oordeel van de kinderrechter in elk geval niet in zijn belang.

6.3.

Als algemeen uitgangspunt heeft te gelden dat een kind en zijn ouder(s) recht hebben op omgang met elkaar en dat dit in beginsel in het belang van het kind moet worden geacht. Dit uitgangspunt vloeit zowel voort uit internationale verdragen en nationale wetgeving, als uit inzichten uit de ontwikkelingspsychologie. De kinderrechter dient daarom al het mogelijke te doen om het contact tussen een kind en zijn ouder(s) te bewerkstelligen dan wel te bevorderen. Bij het nemen van beslissingen daarover vormt het belang van het kind de eerste overweging.

6.4.

De vader wil heel graag omgang met [minderjarige] . De moeder vindt het ook belangrijk dat [minderjarige] omgang met zijn vader heeft, maar pleit nu voor rust. [minderjarige] zelf wil op dit moment geen omgang met zijn vader en als hij toch omgang moet hebben, dan wil hij dat alleen begeleid. [minderjarige] is een inmiddels 12-jarige jongen met een sterke eigen wil. Hij is intelligent en erg gehecht aan autonomie en erkenning van zijn authenticiteit. Hij is daarin zeer volhardend. Vanuit zijn persoonlijkheid is het lastig voor [minderjarige] om zijn visie aan te passen of zich in het perspectief van een ander (zoals zijn vader) te verplaatsen. Tot slot ervaart [minderjarige] onveiligheid in het contact met de vader, waarbij mogelijk sprake is van traumata gerelateerd aan gebeurtenissen in het verleden.

6.5.

Diverse professionals hebben zich uitgelaten over de omgang. Zo adviseert [naam] de omgang tussen [minderjarige] en de vader in stand te houden, met als kanttekening dat dit [minderjarige] of de vader niet moet overbelasten. [naam] adviseert intensivering van het contact tussen [minderjarige] en de vader (de kinderrechter begrijpt: ten opzichte van de situatie in april 2020), maar er zal wel een plafondeffect optreden in de contactgroei zolang de ouders de handen niet ineen kunnen slaan. Regiebehandelaar [informant] adviseert de omgang te beperken conform het voorstel van de GI, om [minderjarige] rust te geven. De mogelijkheden om goede omgang tussen vader en zoon te bereiken acht zij op dit moment gering.

6.6.

Het is de kinderrechter duidelijk geworden dat de toename in frequentie van het contact tussen [minderjarige] en de vader in de periode februari – mei 2020 niet goed heeft uitgepakt en dat de herstelgesprekken in juni evenmin het gewenste resultaat hebben opgeleverd. [minderjarige] geeft nu, naast zijn wens om überhaupt geen omgang te hebben, ook duidelijke signalen af dat de hele situatie hem te veel is. De persoonlijke hulpverlening voor [minderjarige] is om die reden ook gestaakt. Daarbij is [minderjarige] net begonnen op de middelbare school en zit hij ingewikkelder in elkaar dan gemiddeld. De kinderrechter is daarom van oordeel dat voor [minderjarige] de druk van de ketel moet en dat het aantal omgangsmomenten in zijn belang sterk terug gebracht moet worden. Tegelijkertijd ziet de kinderrechter in de verslagen van de (fysieke) omgang in de tweede helft van 2019 en de adviezen van [naam] en [naam] voldoende aanknopingspunten om een voor [minderjarige] positieve invulling van omgangsmomenten mogelijk te achten. De kinderrechter zal daarom bepalen dat [minderjarige] ten minste eenmaal per kwartaal begeleide (fysieke) omgang met de vader heeft gedurende drie uur, waarbij de begeleider en de locatie in overleg met [minderjarige] worden bepaald. De GI heeft daarbij de bevoegdheid om meer of langere omgangsmomenten te bepalen, in het kader van het hulpverleningstraject. Verder mag [minderjarige] als hij dat wil buiten de geplande omgangsmomenten contact of omgang met de vader hebben, te maximeren door de GI.

6.7.

Ten aanzien van de invulling van de omgang met [minderjarige] geeft de kinderrechter nog mee dat de vader zich onder de huidige omstandigheden dient te richten op een warme empathische vaderrol in plaats van een corrigerende opvoedrol, om zo meer aan te sluiten bij de emotionele behoeften van [minderjarige] en de instabiele relatie en acceptatie niet onder druk te zetten.

7 De beslissing


De kinderrechter:

7.1.

stelt, met wijziging van de beschikking van deze rechtbank van 14 februari 2018, de volgende verdeling van de zorg- en opvoedingstaken vast:

-de minderjarige [minderjarige], geboren op [geboortedatum] te [plaats] , heeft ten minste éénmaal per kwartaal begeleide (fysieke) omgang met de vader, waarbij de begeleider en de locatie in overleg met de minderjarige worden bepaald;

-de GI heeft de bevoegdheid meer of langere contact- of omgangsmomenten te bepalen;

-het staat de minderjarige vrij buiten de geplande omgangsmomenten contact of omgang met de vader hebben, te maximeren door de GI;

-het staat de vader niet vrij buiten de geplande omgangsmomenten op welke wijze dan ook contact met de minderjarige te zoeken of omgang te hebben, behoudens toestemming van de GI of op initiatief van de minderjarige;

7.2.

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

7.3.

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. G. Drenth, kinderrechter, in tegenwoordigheid van

mr. A. Klaver als griffier en in het openbaar uitgesproken op 28 september 2020.

Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:

- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,

- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof
Amsterdam