Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2020:9696

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
19-11-2020
Datum publicatie
24-11-2020
Zaaknummer
20/5736
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Mondelinge uitspraak
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Omgevingsvergunning verleend voor omvormen 7,6 ha bosperceel tot duingrasland. Beroep ongegrond en verzoek vovo afgewezen. Verweerder heeft mogen afgaan op het uitgebrachte advies.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
OGR-Updates.nl 2020-0267
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummers: HAA 20/573520/5736


proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van 12 november 2020 op het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

Stichting Duinbes, te Groet, eiseres

(gemachtigden: mr. A.M.T. Wezel en mr.drs. P.D.W. Tan),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Bergen, verweerder

(gemachtigde: mr. J. Hooff).

Tevens heeft als derde-partij aan het geding deelgenomen:

Staatsbosbeheer

(gemachtigde mr. G. Durville).

Procesverloop

Bij besluit van 3 juni 2020 (het primaire besluit) heeft verweerder aan Staatsbosbeheer een omgevingsvergunning verleend voor het omvormen van 7,6 hectare dennenbos tot grasduinlandschap in dat deel van de Schoorlse Duinen dat wordt aangeduid als het dr. Van Steijnbos, waarbij bomen zullen worden gekapt en stobben zullen worden gerooid.

Bij besluit van 28 oktober 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Zij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 november 2020. Namens eiseres zijn verschenen [naam 1] , secretaris van Stichting Duinbes, samen met haar echtgenoot, bijgestaan door voornoemde gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Namens derde-partij is verschenen [naam 2] , projectleider van Staatbosbeheer, bijgestaan door genoemde gemachtigde.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om voorlopige voorziening af;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres ten bedrage van € 1050,-;

- draagt verweerder op eiseres het door haar betaalde griffierecht van € 354,- te vergoeden.

Overwegingen

1. Na afloop van de zitting is de voorzieningenrechter tot de conclusie gekomen dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak. De voorzieningenrechter doet daarom op grond van artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet alleen uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening, maar ook op het beroep.

2.1

De vergunningaanvraag van Staatsbosbeheer dateert van 2 april 2020. In de aanvraag staat als projectomschrijving het volgende vermeldt:

In het kader van N2000-herstelmaatregelem voor de Schoorlse Duinen zal Staatsbosbeheer 7,6 hectare zwarte dennenbos in de kustzone omvormen naar duingrasland conform N2000-beheerplan Schoorlse Duinen. Er wordt 7,6 hectare van het Dr. van Steijnbos gekapt en gedeeltelijk gerooid om verloren duingrasland te herstellen.

2.2

Verweerder heeft de gevraagde vergunning verleend. Daarbij heeft verweerder – kort samengevat – overwogen dat Bureau Natuurlijke Zaken als adviseur is aangezocht en dat Bureau Natuurlijke Zaken op 20 mei 2020 een positief advies heeft uitgebracht. Volgens Bureau Natuurlijke Zaken is aangetoond dat het project een positief effect zal hebben op Europees beschermde habitattypen waarvoor Nederland een grote verantwoordelijkheid heeft en dat de beschreven werkwijze voldoet aan de doelstelling om o.a. het oppervlakte van habitattype ‘Grijze Duinen’ uit te breiden, zoals is beschreven in het provinciaal vastgestelde Natura 2000 beheerplan.

3. Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak.

4.1

Gelet op hetgeen daarover is opgenomen in het advies van de commissie van advies voor de bezwaarschriften van de gemeente Bergen en in het beroepsschrift is de voorzieningenrechter met eiseres van oordeel dat verweerder tekort is geschoten in de verplichting om eiseres in de bezwaarfase te horen (artikel 7:2 Awb). Alles overziend had van verweerder een inschikkelijker houding jegens eiseres verlangd mogen worden. Daarbij neemt de voorzieningenrechter in aanmerking dat eiseres werd vertegenwoordigd door mr. Wezel, dat mr. Wezel voorafgaande aan de hoorzitting, en dus tijdig, aan verweerder kenbaar heeft gemaakt dat zij vanwege haar coronaklachten niet in staat was om de geplande hoorzitting bij te wonen en dat toen ook al duidelijk was dat niemand anders de hoorzitting namens eiseres zou bijwonen om het standpunt van eisers nader toe te lichten. Onder die omstandigheden valt niet in te zien waarom verweerder de hoorzitting niet voor enige tijd heeft uitgesteld. Omdat verweerder dit heeft nagelaten is de voorzieningenrechter van oordeel dat verweerder de hoorplicht heeft geschonden

4.2

De vraag rijst of verweerder door deze schending wezenlijk is benadeeld. Gelet op hetgeen namens eiseres in de nu ter beoordeling voorliggende procedures naar voren heeft gebracht ziet de voorzieningenrechter daarvoor onvoldoende aanknopingspunten. De voorzieningenrechter zal de geconstateerde schending daarom passeren met toepassing van het bepaalde in artikel 6:22 van de Awb.

5. De tweede ter beoordeling voorliggende kwestie betreft de vraag of verweerder zich, gelet op zijn vergewisplicht, bij het verlenen van de gevraagde omgevingsvergunning heeft mogen baseren op het aan de besluitvorming ten grondslag gelegde rapport van Bureau Natuurlijke Zaken. Deze vraag beantwoordt de voorzieningenrechter bevestigend.

5.1

Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State volgt dat een bestuursorgaan in beginsel mag afgaan op een advies van een onafhankelijke deskundige, nadat is nagegaan of het advies op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten.

5.2

De voorzieningenrechter kan voorshands bezwaarlijk tot de conclusie komen dat niet aan dit criterium is voldaan. Dat, zoals eiseres heeft betoogd, Bureau Natuurlijke Zaken de rapportages van Staatsbosbeheer voornamelijk heeft beoordeeld op basis van literatuur en eigen expertise, zonder eigen feitenonderzoek, maakt op zichzelf nog niet dat het advies onzorgvuldig tot stand is gekomen.

Inhoudelijk stelt eiseres zich op het standpunt dat Bureau Natuurlijke Zaken de leeftijd van de bomen en daarmee de monumentale en cultuurhistorische waarde van het bos heeft miskend en dat het advies daarom op een onjuiste grondslag is gebaseerd. Wat verder ook zij van de leeftijd van de bomen, naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft Bureau Natuurlijke Zaken op begrijpelijke en concludente wijze beargumenteerd dat ten aanzien van het bos geen sprake is van een (grote) cultuurhistorische of monumentale waarde. Hetgeen eiseres daartegen naar voren heeft gebracht is voor de voorzieningenrechter onvoldoende om tot een ander oordeel te komen. De voorzieningenrechter respecteert zonder meer dat eiseres een andere belevingswaarde heeft bij het bos, maar dat acht de voorzieningenrechter op zichzelf niet voldoende om de conclusies volgend uit het advies van Bureau Natuurlijke Zaken te ontkrachten.

6.
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is het beroep ongegrond en is er daarom geen ruimte voor het treffen van een voorlopige voorziening.

7. Omdat de voorzieningenrechter wel heeft vastgesteld dat sprake is van schending van de hoorplicht, ziet de voorzieningenrechter wel aanleiding voor een proceskostenveroordeling, maar alleen voor wat betreft het ingestelde beroep.

8. De voorzieningenrechter zal om dezelfde reden bepalen dat verweerder eiseres het door haar in beroep betaalde griffierecht vergoedt.

Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 12 november 2020 door

mr.drs. J.H.A.C. Everaerts, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. E. Degen, griffier.

Griffier

voorzieningenrechter

Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Bijlage:

Artikel 2.2 van de Wabo luidt, voor zover van belang, als volgt:

1. Voor zover ingevolge een bepaling in een provinciale of gemeentelijke verordening een vergunning of ontheffing is vereist om:

g. houtopstand te vellen of te doen vellen,

Het ter plaatse geldende bestemmingsplan is het bestemmingsplan Duingebied van de gemeente Bergen.

Niet in geschil is dat op de gronden van belang de bestemming ‘Natuur’ rust.

Ter plaatse van de bestemming ‘Natuur’ geldt het volgende:

6.3

Omgevingsvergunning voor het uitvoeren een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden

6.3.1

Aanlegverbod zonder omgevingsvergunning

Het is verboden op of in de gronden met de bestemming Natuur zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerk zijnde, aan te leggen, of de volgende werkzaamheden uit te voeren:

• d. het aanbrengen, verwijderen, kappen of rooien van bomen of andere opgaande beplanting alsmede het verwijderen van oevervegetaties.

6.3.3

Voorwaarde voor een omgevingsvergunning

De werken of werkzaamheden als bedoeld in lid 6.3.1 zijn slechts toelaatbaar, indien:

• a. daardoor de natuur-, cultuur en landschapswaarden niet onevenredig worden of kunnen worden aangetast;

• b. uit een advies van de deskundige op het gebied van natuur, cultuur en landschap blijkt dat voldaan wordt aan het bepaalde in lid 6.3.3 onder a.

Daarnaast geldt de Apv. Daarin is opgenomen:

Artikel 4:10 Begripsbepalingen

1.In deze afdeling wordt verstaan onder:

a.boom: Een houtachtig, opgaand gewas met een omtrek van de stam van minimaal 63 cm (ca. 20 cm diameter) op 1,3 meter hoogte boven het maaiveld. In geval van meerstammigheid geldt de omtrek van de dikste stam;

b.houtopstand:

-één of meer bomen of boomvormers,

-een houtwal,

-een beplanting van bosplantsoen,

-vlak- en lijnvormige landschapselementen waar bomen en struiken onderdeel van uitmaken;

c.bebouwde kom: de bebouwde kom van de gemeente, vastgesteld ingevolge artikel 1, vijfde lid, van de Boswet;

d.monumentale boom: Boom die als zodanig vermeld staat op de, overeenkomstig artikel 4:11d, door het college van burgemeester en wethouders vastgestelde lijst van monumentale bomen;

e.vellen: Rooien; kappen; verplanten; het snoeien van meer dan 25 procent van de kroon of het wortelgestel, met inbegrip van kandelaberen, knotten of andere vormsnoei, alsmede het verrichten van handelingen, zowel boven- als ondergronds, die de dood of ernstige beschadiging of ernstige ontsiering van de boom ten gevolge kunnen hebben;

f.vergunning: een omgevingsvergunning.

Artikel 4:11 Omgevingsvergunning voor het vellen van houtopstanden

1.Het is verboden zonder vergunning van het college van burgemeester en wethouders houtopstand te vellen of te doen vellen.

2.Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor:

a.het knotten van populieren en wilgen als wegbeplantingen en éénrijige beplantingen op of langs landbouwgronden;

b.fruitbomen en windschermen om boomgaarden;

Artikel 4:11b Weigeringsgronden

Het college van burgemeester en wethouders kan een vergunning weigeren, dan wel aan de vergunning voorschriften of beperkingen verbinden, in het belang van:

-ecologische waarden;

-landschappelijke / stedenbouwkundige waarden;

-cultuurhistorische waarden;

-waarden voor recreatie en leefbaarheid;

-waarden van dorpsschoon;

-beeldbepalende waarden.

Artikel 4:11e Lijst van monumentale bomen

1.Het college van burgemeester en wethouders kan een lijst van monumentale bomen vaststellen.

2.Deze lijst omvat ten minste de soort, de standplaats, de eigendomsgegevens en de reden voor plaatsing op de lijst.

3.Het is verboden zonder vergunning van het college van burgemeester en wethouders houtopstand te vellen of te doen vellen die voorkomt op de lijst onder lid 1.

4.Een vergunning voor het vellen van een monumentale boom wordt slechts verleend indien:

a.instandhouding niet langer verantwoord is ter voorkoming van letsel of schade;

b.een zwaarwegend belang opweegt tegen duurzaam behoud van de beschermde opstand.