Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2020:9592

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
17-11-2020
Datum publicatie
18-11-2020
Zaaknummer
15/206261-20
Rechtsgebieden
Strafprocesrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft samen met een medeverdachte op 1 januari 2020 een vuurwerkbom op de pui van een pannenkoekenrestaurant bevestigd en tot ontploffing gebracht.

Hierbij is hijzelf gewond en zijn medeverdachte zeer ernstig gewond geraakt. Tevens was er veel schade bij het pannenkoekenrestaurant.

Daarnaast was verdachte in bezit van een imitatievuurwapen.

Verdachte is veroordeeld tot de maximale werkstraf van 200 uur, waarvan 120 uur voorwaardelijk, proeftijd 2 jaar, met algemene en bijzondere voorwaarden.

Tevens is verdachte veroordeeld tot een schadevergoeding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Familie & Jeugd

Locatie Haarlem

Meervoudige kamer jeugdstrafzaken

Parketnummer: 15/206261-20

Uitspraakdatum: 17 november 2020

Tegenspraak

Vonnis

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting met gesloten deuren van 3 november 2020 in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] te [plaats] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres

[adres] .

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie

mr. A. van Loon en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. H. Polat, advocaat te Haarlem, naar voren hebben gebracht.

1 Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.
hij op of omstreeks 1 januari 2020 te [plaats] , tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een ontploffing teweeg heeft gebracht door een vuurwerkbom, althans een explosief aan/op/bij een ruit/deur/pui van een bedrijfspand ( [pannenkoekenrestaurant] , gelegen aan [adres] ) te bevestigen/plakken/plaatsen en/of (vervolgens) (open) vuur in aanraking te brengen met die vuurwerkbom/dat explosief en/of deze aan te steken en/of tot ontbranding te brengen, waardoor deze tot ontploffing is gekomen en/of de ruit is gebroken/verbroken, en daarvan gemeen gevaar voor dat bedrijfspand, in elk geval gemeen gevaar voor goederen te duchten was;

2.
hij op of omstreeks 1 januari 2020 te [plaats] een wapen van categorie I, onder 7° van de Wet wapens en munitie, te weten een door de Minister van Justitie en Veiligheid aangewezen voorwerp dat een ernstige bedreiging van personen kon vormen en/of dat zodanig op een wapen geleek dat deze voor bedreiging of afdreiging geschikt was, namelijk een nabootsing van een pistool (te weten van het merk Colt, type 1911 voorhanden gehad.

2 Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3 Bewijs

3.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten.

3.2.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

3.3.

Redengevende feiten en omstandigheden

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten op grond van de volgende bewijsmiddelen, waarbij de rechtbank – nu verdachte deze feiten heeft bekend en door of namens hem geen vrijspraak is bepleit – zal volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen, te weten:

Feit 1:

  • -

    de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting afgelegd;

  • -

    het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van aangifte (met fotobijlage) van [naam] namens [pannenkoekenrestaurant] van 1 januari 2020 (dossierpagina’s 62 - 68);

  • -

    het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van forensisch onderzoek plaats delict (met fotobijlage) van 24 februari 2020 (dossierpagina’s 85 - 124).

Feit 2:

  • -

    de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting afgelegd;

  • -

    het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van forensisch onderzoek plaats delict van 24 februari 2020 (dossierpagina’s 86 onderaan en 87 bovenaan);

  • -

    het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van bevindingen (met fotobijlage) van 24 juni 2020 (dossierpagina’s 253 - 256).

3.4.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat

1.
hij op 1 januari 2020 te [plaats] , tezamen en in vereniging met een ander, een ontploffing teweeg heeft gebracht door een vuurwerkbom aan/op een pui van een bedrijfspand, [pannenkoekenrestaurant] , gelegen aan [adres] , te bevestigen en vervolgens deze aan te steken en tot ontbranding te brengen, waardoor deze tot ontploffing is gekomen en de ruit is gebroken en waarvan gemeen gevaar voor goederen waaronder dat bedrijfspand te duchten was;

2.
hij op 1 januari 2020 te [plaats] een wapen van categorie I, onder 7° van de Wet wapens en munitie, te weten een door de Minister van Justitie en Veiligheid aangewezen voorwerp dat een ernstige bedreiging van personen kan vormen en dat zodanig op een wapen gelijkt dat deze voor bedreiging of afdreiging geschikt is, namelijk een nabootsing van een pistool, te weten van het merk Colt, type 1911, voorhanden heeft gehad.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

Hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4 Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten

Het bewezenverklaarde levert op:

Feit 1: medeplegen van opzettelijk een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is;

Feit 2: handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is dus strafbaar.

5 Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dus strafbaar.

6 Motivering van de sancties

6.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een jeugddetentie voor de duur van 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, en een werkstraf voor de duur van 70 uur, te vervangen door 35 dagen jeugddetentie met aftrek van het voorarrest.

Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd om als bijzondere voorwaarden aan het voorwaardelijk strafdeel te verbinden dat verdachte:

  • -

    zal meewerken aan begeleiding door de jeugdreclassering;

  • -

    zal meewerken aan behandeling bij de Opvoedpoli of een soortgelijke instantie;

  • -

    een structurele dagbesteding heeft in de vorm van onderwijs/stage/werk;

  • -

    op geen enkele wijze contact zal hebben met [naam 1] , [naam 3] , [naam 3] , [naam 4] en [naam 5] ;

  • -

    aanstaande Oud en Nieuw (2020-2021) zal verblijven op het adres van zijn opa en oma.

6.2.

Standpunt van de verdachte/de verdediging

De verdediging heeft aangegeven dat verdachte spijt heeft. Verdachte wilde al snel eerlijk verklaren, maar op advies van zijn raadsman heeft hij zich aanvankelijk beroepen op zijn zwijgrecht. Verdachte neemt nu zijn verantwoordelijkheid en wil zijn excuses aanbieden aan de mensen van het pannenkoekenhuis. De raadsman verzoekt bij de strafmaat rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Bij het plegen van het strafbare feit is verdachte gewond en de medeverdachte zelfs zwaar gewond geraakt. De nasleep heeft ook voor verdachte een grote impact gehad. Na het incident zijn verdachte en zijn familie geconfronteerd met stevige wraakacties vanuit de medeverdachte. Verdachte heeft geen strafblad en is niet meer met de politie in aanraking gekomen, ook niet nadat zijn moeder door een (wraak)incident zwaar gewond was geraakt. Daarnaast heeft hij zich gehouden aan de schorsingsvoorwaarden en heeft hij, ondanks een heftige periode, zijn MAVO-diploma behaald. Verder deelt de raadsman het standpunt van de Raad voor de Kinderbescherming dat een jeugddetentie niet passend is. De raadsman stelt zich, gelet op de rapportages, op het standpunt dat een geheel voorwaardelijke werkstraf met aftrek van het voorarrest passend is, met alle voorwaarden die door de Raad voor de Kinderbescherming, Jeugdreclassering en de officier van justitie zijn genoemd. Subsidiair bepleit de raadsman een deels (on)voorwaardelijke werkstraf.

6.3.

Oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de sancties die aan verdachte moeten worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Allereerst heeft de rechtbank de ernst van de feiten in aanmerking genomen.

Verdachte heeft, tezamen met een ander, tijdens Oud en Nieuw een ontploffing teweeggebracht door een zelfgemaakte vuurwerkbom aan de pui van [pannenkoekenrestaurant] te bevestigen en deze aan te steken. Verdachte wilde op deze manier wraak nemen op [pannenkoekenrestaurant] vanwege een zakelijk geschil. Door de ontploffing is forse schade ontstaan aan het pand van [pannenkoekenrestaurant] . Daarnaast veroorzaken dergelijke feiten angst en onrust, allereerst bij de direct betrokkenen, zoals de eigenaar en werknemers van [pannenkoekenrestaurant] , maar ook daarbuiten, bij mensen die ervan horen of erover lezen.

Het moge duidelijk zijn dat dit volstrekt onacceptabel is en de rechtbank rekent verdachte dit feit dan ook zwaar aan.

Daarnaast heeft verdachte een nabootsing van een pistool, van het merk Colt, voorhanden gehad. Het voorhanden hebben van een imitatievuurwapen brengt een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van personen met zich en vormt een inbreuk op de rechtsorde. Er kan immers mee gedreigd worden.

Verder heeft de rechtbank met betrekking tot de persoon van verdachte in het bijzonder gelet op:

- het op naam van verdachte staand Uittreksel Justitiële Documentatie, gedateerd 19 oktober 2020, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld;

- het psychologisch Pro Justitia rapport, gedateerd 1 mei 2020, van gezondheidszorg-psycholoog/orthopedagoog [gezondheidszorg-psycholoog/orthopedagoog] , en

- het uitgebreid advies van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad), gedateerd 28 oktober 2020.

Het psychologisch rapport houdt onder meer het volgende in:

Bij betrokkene is sprake van een acute stressstoornis. Deze is opgetreden door en na het ten laste gelegde, als gevolg van de gebeurtenissen in die nacht voor betrokkene. Ten tijde van het ten laste gelede was hiervan geen sprake, omdat de acute stressstoornis hierna en juist hierdoor is ontstaan. Het ten laste gelegde kan betrokkene volledig toegerekend worden.
Gelet op betrokkene's reactie en uitspraken over zijn aandeel en de grote (gevoelens van) schuld die hij hierdoor aanvankelijk heeft ervaren, acht de deskundige het gevaar van herhaling van een gelijksoortig delict laag.
Uit het onderzoek zijn verschillende risicofactoren naar voren gekomen, zoals verhoogde impulsiviteiten - in lichte mate - middelengebruik, maar ook een veelheid aan beschermende factoren. De belangrijkste daarvan zijn een adequaat pedagogisch milieu bij de grootouders en een - deels - adequaat opvoedingsklimaat bij moeder. Daarbij heeft betrokkene een positieve relatie met deze drie volwassenen en met zijn vader en is er al geruime tijd passende hulp. Tevens beschikt hij over een hoge mate van ‘sociale competentie’ en is hij het afgelopen halfjaar meer gericht op school en zijn toekomst. Geadviseerd wordt het huidige hulpaanbod van 'De Opvoedpoli' te continueren. Gelet op de ernstig verstoorde relatie met de medeverdachte zou het zeer wenselijk zijn als er - mettertijd - een traject ‘Perspectief Herstelbemiddeling’ in gang zou worden gezet. Als juridisch kader wordt gedacht aan een voorwaardelijke straf, met als voorwaarden verder mee te werken aan het voorgestelde hulpaanbod en de overige aanwijzingen van de jeugdreclassering op te volgen.

Met de conclusie van dit rapport kan de rechtbank zich verenigen.

Het advies van de Raad houdt onder meer het volgende in.

De Opvoedpoli heeft bij [verdachte] als werk/behandeldiagnose een verstoorde persoonlijkheidsontwikkeling in het B cluster, een anti-sociale en oppositionele gedragsstoornis, vastgesteld. Er is sprake van een loyaliteitsconflict door de verstoorde relatie tussen ouders en [verdachte] doet in zijn gedrag dingen als zoeken naar grenzen vanwege zijn wantrouwen naar volwassenen toe. Vanuit de Opvoedpoli is aangegeven dat deze procesdiagnostiek voldoende is om de verdere behandeling van [verdachte] vorm te geven en dit zal een doorlopend proces blijven. De Raad heeft er vertrouwen in dat deze behandeling aansluit bij de problematiek van [verdachte] en dat deze behandeling over een langere periode ingezet kan worden.

De Raad is van mening dat een onvoorwaardelijk strafdeel niet passend is. Naast de heftigheid van de verwondingen van zijn medeverdachte, zijn er de bedreigingen en aanslagen waarbij de moeder van [verdachte] gewond is geraakt. [verdachte] kan vanwege zijn eigen veiligheid niet meer bij zijn moeder wonen.

[verdachte] heeft zich aan de schorsingsvoorwaarden gehouden, heeft uiteindelijk zijn verantwoordelijkheid genomen en wil zijn excuses aanbieden aan het pannenkoekenrestaurant. Positief is dat [verdachte] zijn diploma heeft behaald, werkt, naar de sportschool gaat, open staat voor behandeling en de relatie met zijn moeder is verbeterd.

De Raad vindt een voorwaardelijke jeugddetentie niet passend, omdat dit in pedagogisch opzicht niet in het belang van [verdachte] is.

De Raad adviseert een geheel voorwaardelijke werkstraf op te leggen, onder de algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit en onder de bijzondere voorwaarden dat hij zich laat behandelen door de Opvoedpoli of een soortgelijke instantie en er sprake blijft van structurele dagbesteding in de vorm van onderwijs en werk/stage, waarbij de Jeugd- & Gezinsbeschermers te Haarlem opdracht wordt gegeven toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden.

De vertegenwoordigster van de Raad heeft ter zitting aangegeven dat verdachte een positieve lijn heeft ingezet. Het recidiverisico is bepaald op ‘midden’, maar gaat steeds meer naar ‘laag’. De Raad wil niet te zwaar insteken, vandaar het advies van een voorwaardelijke werkstraf. Een jeugddetentie kan teveel stress veroorzaken. Vanuit pedagogisch opzicht heeft een onvoorwaardelijke werkstraf geen meerwaarde, maar vanuit het oogpunt van de maatschappij en de ernst van het feit zou een onvoorwaardelijke werkstraf wel passend kunnen zijn.

De vertegenwoordiger van de jeugdreclassering heeft ter zitting aangegeven dat verdachte een goed contact heeft met de jeugdreclassering. Er is veel aandacht besteed aan de dagbesteding. Verdachte heeft zijn diploma behaald en in de vakantie heeft hij een leuke baan gevonden, waarmee hij wil doorgaan. Verdachte woont, vanwege zijn veiligheid, bij zijn opa en oma.

De rechtbank heeft daarnaast oog gehad voor de omstandigheid dat de medeverdachte bij de ontploffing op 1 januari 2020 zwaargewond is geraakt en er na 1 januari nog diverse incidenten hebben plaatsgevonden die mogelijk hun oorzaak vinden in die ontploffing en waarbij de moeder van verdachte gewond is geraakt, maar neemt dit in het kader van de strafoplegging in deze zaak slechts in beperkte mate mee, hoe heftig dit alles ook is geweest voor verdachte.

Alles afwegende is de rechtbank, met de Raad maar anders dan de officier van justitie, van oordeel dat jeugddetentie in het geval van verdachte niet passend is. Ten voordele van verdachte heeft de rechtbank daarbij in aanmerking genomen dat verdachte door zijn uiteindelijke bekentenis en houding ter terechtzitting ervan blijk heeft gegeven het laakbare van zijn handelen in te zien. Ook de door de Raad en de jeugdreclassering geconstateerde positieve ontwikkelingen maken dat een jeugddetentie naar het oordeel van de rechtbank niet passend is.

Een maximale werkstraf acht de rechtbank wel passend. Daarvan zal een deel voorwaardelijk worden opgelegd met een proeftijd van twee jaren. Aan het voorwaardelijk deel van de op te leggen straf zullen bijzondere voorwaarden worden verbonden. De rechtbank acht verplichte begeleiding door de jeugdreclassering, een behandeling bij de Opvoedpoli of een soortgelijke instantie, en een zinvolle dagbesteding in de vorm van onderwijs/stage/werk noodzakelijk. Ook acht de rechtbank een contactverbod met [naam 1] , [naam 2] , [naam 3] , [naam 4] en [naam 5] in verband met andere lopende onderzoeken noodzakelijk. Ten slotte zal als bijzondere voorwaarde worden opgenomen dat verdachte op 31 december 2020 van 16.00 uur tot 1 januari 2021 te 16.00 uur op het adres van zijn opa en oma verblijft.

7 Vordering benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij, [pannenkoekenrestaurant] , heeft een vordering tot schadevergoeding van € 15.662,95 ingediend tegen verdachte wegens materiële schade die zij als gevolg van het onder 1 ten laste gelegde feit zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag. De gestelde schade bestaat uit een “nachtplaatsing gevel” van € 3.012,95, “dagomzet 1 januari 2020” van ongeveer € 9.000,-, “personele inzet nacht” van € 450,-, een “boksbal gang” van € 2.200,- en “verfschade” van € 1.000,-.

7.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de nachtplaatsing van de gevel toegewezen kan worden zonder de btw, dus tot een bedrag van € 2.490,04, de personeelskosten geheel kunnen worden toegewezen en de dagomzet van 1 januari 2020 geschat dient te worden op

€ 5.000,-. De overige schadeposten dienen niet-ontvankelijk te worden verklaard. De officier van justitie komt dus tot een toe te wijzen bedrag van in totaal € 7.940,04.

De officier van justitie heeft gevorderd niet de hoofdelijkheidsclausule toe te passen, maar verdachte voor zijn eigen deel te veroordelen voor de schadevergoeding. De officier van justitie heeft dan ook geconcludeerd dat de vordering ten aanzien van verdachte dient te worden toegewezen tot een bedrag van € 3.970,02, vermeerderd met de wettelijke rente en daarbij de schadevergoedingsmaatregel toe te passen.

7.2.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft bepleit dat de werkelijke schade moet worden vergoed. De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de nachtplaatsing van de gevel kan worden toegewezen tot een bedrag van € 2.490,04 en dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, puur en alleen vanwege het ontbreken van een onderbouwing. Voor de geleden schade van de dagomzet is ongeveer € 9.000,- opgevoerd. Benadeelde partij zou daarvan netto ongeveer € 3.000,- overhouden. Er is echter geen enkele onderbouwing van dit bedrag in het geding gebracht. Er is daarnaast ook geen factuur voor de personeelskosten in het geding gebracht. Indien de rechtbank een schatting wil maken, verzoekt de verdediging de btw niet mee te rekenen.

7.3.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat de schade tot een bedrag van € 5.940,04 rechtstreeks voortvloeit uit het onder 1 bewezen verklaarde feit. De vordering zal derhalve in zoverre worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 1 januari 2020 tot aan de dag der algehele voldoening. Dit bedrag is als volgt opgebouwd:

Nachtplaatsing gevel exclusief btw € 2.490,04, personeelskosten € 450,- en een geschatte dagwinst van € 3.000,-. De rechtbank overweegt hierbij dat de benadeelde partij de personeelskosten ter zitting voldoende heeft toegelicht en ook de geschatte dagomzet van 1 januari 2020, mondeling voldoende heeft onderbouwd. Het is bovendien evident dat de (nachtelijke) extra inzet van personeel noodzakelijk was en kosten met zich brengt en dat de gedwongen sluiting van het pannenkoekenrestaurant op 1 januari een aanzienlijke inkomstenderving met zich brengt. De gevorderde bedragen zijn ook redelijk. Het enkele verweer dat de vordering niet kan worden toegewezen omdat ter onderbouwing geen schriftelijke bescheiden zijn overgelegd, is daartegenover onvoldoende. De rechtbank zal de personeelskosten bepalen op € 450,- en de misgelopen winst op de bewuste nieuwjaarsdag schatten op € 3.000,-, en zal de vordering tot deze bedragen toewijzen.

Daarbij zal de rechtbank bepalen dat indien de medeverdachte dit bedrag geheel of gedeeltelijk heeft betaald, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd. Het is niet in het belang van de benadeelde partij om verdachte te veroordelen tot betaling van slechts de helft van de geleden schade, in plaats van hoofdelijk voor het geheel.

Daarnaast dient verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken. De tot op heden door de benadeelde partij gemaakte kosten worden vastgesteld op nihil.

De rechtbank is van oordeel dat de overige schadeposten niet zijn onderbouwd en dat de benadeelde partij daarom voor het overige niet in de vordering kan worden ontvangen.

De benadeelde partij kan de delen van de vordering, die tot niet-ontvankelijkheid zullen leiden, desgewenst bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank ziet als gevolg van verdachtes onder 1 bewezen verklaarde handelen (kort gezegd: het tot ontploffing brengen van een vuurwerkbom) aanleiding ter zake van de vordering van de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen.

8 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

36f, 47, 77a, 77g, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg en 157 van het Wetboek van Strafrecht.

13 en 55 van de Wet wapens en munitie.

9 Beslissing

De rechtbank:

Verklaart bewezen dat verdachte de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4 weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.

Bepaalt dat de onder 1 en 2 bewezen verklaarde feiten de hierboven onder 4. vermelde strafbare feiten opleveren.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot het verrichten van TWEEHONDERD (200) UREN taakstraf in de vorm van een werkstraf, bij het niet of niet naar behoren verrichten daarvan te vervangen door EENHONDERD (100) DAGEN jeugddetentie, met bevel dat een gedeelte groot EENHONDERDENTWINTIG (120) UREN, bij niet of niet naar behoren verrichten daarvan te vervangen door ZESTIG (60) DAGEN jeugddetentie, niet ten uitvoer zal worden gelegd en stelt daarbij een proeftijd vast van twee jaren.

Stelt als algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

Stelt als bijzondere voorwaarden dat verdachte:

  • -

    zal meewerken aan begeleiding door de jeugdreclassering;

  • -

    zal meewerken aan behandeling bij de Opvoedpoli of een soortgelijke instantie;

  • -

    een zinvolle dagbesteding heeft in de vorm van onderwijs en werk/stage;

  • -

    op geen enkele wijze - direct of indirect - contact zal opnemen, zoeken of hebben met [naam 1] , [naam 2] , [naam 3] , [naam 4] en [naam 5] zolang de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht;

  • -

    op 31 december 2020 van 16.00 uur tot 1 januari 2021 16.00 uur op het adres van zijn opa en oma verblijft.

Geeft opdracht aan de Jeugd- & Gezinsbeschermers, gevestigd te Haarlem, tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Stelt verder als voorwaarden dat de veroordeelde is gehouden om, ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking te verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aan te bieden en medewerking te verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met het vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen en het zich melden bij de reclasseringsinstelling zo vaak en zolang als de reclasseringsinstelling dit noodzakelijk acht.

Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de ten uitvoer te leggen taakstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht en met dien verstande dat voor elke dag die verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht twee uren taakstraf, subsidiair één dag jeugddetentie, in mindering worden gebracht.

De werkstraf dient binnen een termijn van negen maanden na het onherroepelijk worden van het vonnis te zijn voltooid.

Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij, [pannenkoekenrestaurant] , geleden schade tot een bedrag van € 5.940,04, bestaande uit materiële schade, en veroordeelt verdachte tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 1 januari 2020 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [pannenkoekenrestaurant] , voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.

Bepaalt dat indien genoemd bedrag geheel of gedeeltelijk door de medeverdachte is betaald, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.

Veroordeelt verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.

Legt verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [pannenkoekenrestaurant] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van

€ 5.940,04, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 1 januari 2020 tot aan de dag der algehele voldoening, bij niet betaling te vervangen door 0 dagen gijzeling.

Bepaalt dat voor zover dit bedrag of een gedeelte daarvan reeds door of namens de medeverdachte aan de benadeelde partij en/of de Staat is betaald, verdachte in zoverre van die verplichting zal zijn ontslagen.

Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.

Heft op het reeds geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. R. van der Heijden, voorzitter,

mr. E.C.M. van Mierlo en mr. D.G.M. van den Hoogen, rechters, allen tevens kinderrechter,

in tegenwoordigheid van de griffier W. van den Bergh,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 17 november 2020.

mr. D.G.M. van den Hoogen en de griffier zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.