Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2020:9585

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
20-11-2020
Datum publicatie
04-12-2020
Zaaknummer
AWB - 19 _ 3295
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

IB. Navorderingsaanslagen. Beroepen gegrond. Immateriele schadevvergoeding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2020/3039
Viditax (FutD), 07-12-2020
NTFR 2020/3618
FutD 2020-3712
V-N 2021/6.2.2
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank noord-holland

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummers: HAA 19/3295 tot en met HAA 19/3297

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 november 2020 in de zaak tussen

[X] , wonende te [Z] , eiser

(gemachtigde: J.A. Klaver),

en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Amsterdam, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiser over het jaar 2012 een navorderingsaanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 21.799. Bij afzonderlijke beschikking heeft hij € 92 aan belastingrente in rekening gebracht. (HAA 19/3295)

Verweerder heeft aan eiser over het jaar 2013 een navorderingsaanslag IB/PVV opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 20.100. Bij afzonderlijke beschikking heeft hij € 80 aan belastingrente in rekening gebracht. (HAA 19/3296)

Verweerder heeft aan eiser over het jaar 2014 een navorderingsaanslag IB/PVV opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 20.336. Bij afzonderlijke beschikking heeft hij € 90 aan belastingrente in rekening gebracht. (HAA 19/3297)

Verweerder heeft bij één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar de navorderingsaanslagen en de daarbij gegeven beschikkingen inzake belastingrente gehandhaafd.

Eiser heeft daartegen bij één geschrift beroepen ingesteld.

Verweerder heeft verweerschriften ingediend.

Verweerder heeft een beroep gedaan op art. 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) met betrekking tot één van de door hem ingediende bijlagen. Deze bijlage is door hem in geschoonde vorm ingediend. De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij geen beslissing zal nemen op dit verzoek, omdat partijen ter zitting bij de rechtbank op 2 juni 2020 zijn overeengekomen dat ten aanzien van deze geanonimiseerde stukken in alle lopende en toekomstige procedures kan worden afgezien van de 8:29-procedure omdat het hen bekend is dat de belangenafweging ten aanzien van deze stukken, hen beiden genoegzaam bekend, zodanig uitvalt dat de rechtbank geheimhouding gerechtvaardigd acht. De rechtbank verwijst onder meer naar de beslissingen van de geheimhoudingskamer van 22 januari 2020 (ECLI:NL:RBNHO:2020:880) en/of 19 december 2019 (ECLI:NL:RBNHO:2019:11083). Verder verwijst de rechtbank naar het proces-verbaal van de zitting van 2 juni 2020 (ECLI:NL:RBNHO:2020:4982).

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 oktober 2020 te Haarlem.

Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. [A] en mr. [B] .

Overwegingen

Feiten

1. Eiser is gehuwd en heeft twee minderjarige kinderen, die zijn geboren op [#] en [#] Zij staan allen ingeschreven op hetzelfde adres.

Geschil
2. In geschil is of de navorderingsaanslagen en beschikkingen inzake belastingrente terecht en naar de juiste bedragen zijn vastgesteld. Het geschil concentreert zich op de vraag of en, zo ja, in hoeverre verweerder terecht de door eiser in aftrek gebrachte specifieke zorgkosten van aftrek heeft uitgesloten.

3. Eiser stelt dat hij jaarlijks terugkerende kosten maakt voor een bedplassende zoon en dochter alsmede een natriumbeperkt dieet en een hypercholesterolemie-dieet voor hemzelf en zijn echtgenote. De huisarts wil hierover geen verklaringen afleggen. Eiser betoogt dat hij ter onderbouwing van deze kosten op grond van de vrije bewijsleer kan volstaan met de uitgebreide medische dossiers van hemzelf, zijn echtgenote en zijn kinderen. Daaruit blijken bezoeken aan de nefroloog en de aanwezigheid van diabetes. Dat ondersteunt volgens eiser dat sprake is van diëten. Verder wijst eiser erop dat de kinderen niet meer in de leeftijd zijn waarop bedplassen als normaal kan worden aangemerkt en dat bedplassen onder kinderen van allochtone afkomst meer voorkomt dan onder autochtone kinderen. Ten slotte verwijst eiser in algemene zin naar de afsprakenlijsten in de dossiers.

4. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de persoonsgebonden aftrek in de uitspraken op bezwaar op de juiste bedragen is vastgesteld. Meer in het bijzonder wijst hij erop dat op grond van artikel 37, eerste lid, van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001 (URIB 2001; tekst 2012-2014) voor de aftrek van dieetkosten vereist is dat de diëten op voorschrift van een arts of diëtist zijn. Met betrekking tot de extra uitgaven voor kleding en beddengoed wegens bedplassende kinderen betoogt hij dat geen stukken zijn overgelegd waaruit blijkt dat is voldaan aan de voorwaarden van artikel 6.17, eerste lid, aanhef en letter g, van de Wet inkomstenbelasting 2001 (Wet IB 2001; tekst 2012-2014) en van 38 van de URIB 2001. Hij betwist dat bedplassen onder kinderen van allochtone komaf meer voor zou komen. Voorts betoogt hij dat indien bij de kinderen op deze leeftijd nog sprake zou zijn van bedplassen in die mate dat dat als ziekte aangemerkt zou moeten worden, dat toch uit artsenbezoeken zou moeten blijken. Voor aftrek van andere zorgkosten bestaat volgens verweerder, ondanks de vrije bewijsleer, geen aanleiding.

Beoordeling van het geschil

Uitgaven voor extra kleding en beddengoed

5. Op grond van artikel 6.17, eerste lid, aanhef en letter g, van de Wet IB 2001 behoren tot de uitgaven voor specifieke zorgkosten de uitgaven die wegens ziekte of invaliditeit zijn gedaan voor extra kleding en beddengoed alsmede daarmee samenhangende extra uitgaven, volgens bij ministeriële regeling te stellen regels.

6. Artikel 38 van de URIB 2001 bepaalt:

“1. Uitgaven voor extra kleding en beddengoed alsmede daarmee samenhangende extra uitgaven als bedoeld in artikel 6.17, eerste lid, onderdeel g, van de wet worden in aanmerking genomen voor een bedrag van € 310 dan wel, indien blijkt dat die uitgaven € 620 te boven gaan, voor een bedrag van € 775, indien:

a. de genoemde uitgaven voortvloeien uit ziekte of invaliditeit van een persoon als bedoeld in artikel 6.16 van de wet die tot het huishouden van de belastingplichtige behoort; en

b. de ziekte of invaliditeit ten minste een jaar heeft geduurd of vermoedelijk zal duren.

2. Ingeval aan de in het eerste lid gestelde voorwaarden niet gedurende het gehele kalenderjaar is voldaan, wordt dat lid naar tijdsgelang toegepast.”

7. Om in aanmerking te komen voor het lage bedrag van € 310 is – anders dan bij het zogenoemde ‘hoge’ forfait – slechts gering bewijs vereist. Om te voldoen aan de voorwaarde uit artikel 38, eerste lid, letter a, van de URIB 2001 volstaat dat de belanghebbende aannemelijk maakt dat sprake is van ziekte of invaliditeit die extra uitgaven voor kleding en beddengoed met zich brengt (vgl. de uitspraak van Gerechtshof Amsterdam van 24 oktober 2017, ECLI:NL:GHAMS:2017:4310, r.o. 4.5.2). Eiser betoogt op zich terecht dat hierbij de vrije bewijsleer van toepassing is: eiser is vrij in de keuze van de bewijsmiddelen die hij nuttig acht om aan de op hem rustende bewijslast te voldoen.

8. De bewijsmiddelen waarop eiser zijn keuze heeft laten vallen, zijn naar het oordeel van de rechtbank echter onvoldoende om aannemelijk te achten dat sprake is van ziekte of invaliditeit die extra uitgaven voor kleding en beddengoed met zich brengt. Dat bedplassen onder kinderen van allochtone komaf meer voor zou komen dan onder kinderen van autochtone komaf, is naar het oordeel van de rechtbank niet een feit van algemene bekendheid en ook anderszins niet aannemelijk geworden. Ander bewijs heeft eiser niet geleverd.

Dieetkosten

9. De vrije bewijsleer komt niet volledig tot gelding waar het gaat om de aftrek van dieetkosten als bedoeld in artikel 6.17, eerste lid, letter f, van de Wet IB 2001. Op grond van artikel 6.17, zevende en achtste lid, van de Wet IB 2001, gelezen in verbinding met artikel 37, vijfde lid, van de URIB 2001, moet het voorschrift van de medicus of diëtist namelijk aan specifieke inhoudelijke vereisten voldoen. Aangezien zonder de overlegging van het voorschrift niet kan worden beoordeeld of aan die vereisten is voldaan, zal het bewijs op dit punt in de praktijk alleen geleverd kunnen worden door overlegging van het voorschrift en dus niet met behulp van andere bewijsmiddelen. Eiser heeft een zodanig voorschrift niet overgelegd. Reeds daarom faalt zijn betoog voor zover het betrekking heeft op de aftrek van dieetkosten.

Slotsom

10. Gelet op het vorenoverwogene dienen de beroepen ongegrond te worden verklaard.

Verzoek om vergoeding van immateriële schade

11. Eiser heeft verzocht om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn.

12. Bij de beoordeling van de vraag of de redelijke termijn is overschreden moet worden aangesloten bij de uitgangspunten als neergelegd in het arrest van de Hoge Raad van 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252. Voor een uitspraak in eerste aanleg heeft te gelden dat deze niet binnen een redelijke termijn geschiedt indien de rechtbank niet binnen twee jaar nadat die termijn is aangevangen uitspraak doet, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. De termijn vangt als regel aan op het moment waarop verweerder het bezwaarschrift ontvangt. Indien de redelijke termijn is overschreden, dient als uitgangspunt voor de schadevergoeding een tarief te worden gehanteerd van € 500 per half jaar dat die termijn is overschreden, waarbij ter bepaling van de totale vergoeding de geconstateerde overschrijding naar boven wordt afgerond. Voor de behandeling van een bezwaar is een termijn van zes maanden redelijk en voor de behandeling van een beroep een termijn van anderhalf jaar.

13. De berechting van deze zaken is aangevangen met de ontvangst van het bezwaarschrift door verweerder op 15 november 2017 en geëindigd met de uitspraak van de rechtbank op 20 november 2020. De voor de procedure in eerste aanleg in aanmerking te nemen termijn bedraagt derhalve afgerond zevenendertig maanden. Van bijzondere omstandigheden die een langere termijn dan twee jaar rechtvaardigen, is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake. De redelijke termijn is daarom overschreden met afgerond dertien maanden. Daarmee correspondeert een vergoeding van immateriële schade van € 1.500. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat de onderhavige zaken in hoofdzaak betrekking hebben op hetzelfde onderwerp, zodat slechts eenmaal het tarief van € 500 per half jaar is gehanteerd.

14. De overschrijding met afgerond dertien maanden is geheel toe te rekenen aan de bezwaarfase, die is voltooid toen verweerder met dagtekening 6 juni 2019 uitspraak op bezwaar deed.

15. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, zal de rechtbank verweerder veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding van € 1.500.

Proceskosten

16. Naar het oordeel van de rechtbank bestaat in deze zaken aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 525 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 525 en een wegingsfactor 0,5 nu de proceskostenvergoeding uitsluitend wordt toegekend vanwege de immateriële schadevergoeding, vgl. het arrest van de Hoge Raad van 20 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:660, r.o. 2.3.2).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart de beroepen ongegrond;

- veroordeelt verweerder tot vergoeding van de immateriële schade van eiser tot een bedrag van € 1.000;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 525; en

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 47 aan eiser te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C. Maas, rechter, in aanwezigheid van E.H. Mazel, griffier. De uitspraak is gedaan op 20 november 2020. Als gevolg van maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312,

1000 BH Amsterdam.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.