Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2020:953

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
05-02-2020
Datum publicatie
12-02-2020
Zaaknummer
8222407 AO VERZ 19-70
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Mondelinge uitspraak
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Arbeidszaak. Mondelinge uitspraak. Het verzoek van de werkgever en de werknemer om ontbinding van de arbeidsovereenkomst wordt toegewezen. De nevenvordering van de werknemer om de werkgever te veroordelen tot terugbetaling van een bedrag van € 316.000,00 dat de werkgever van de werknemer heeft geleend, wordt niet-ontvankelijk verklaard, omdat deze vordering geen verband houdt met het einde van de arbeidsovereenkomst in de zin van artikel 7:686a lid 3 BW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2020-0172
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Bewind

locatie Zaanstad

Zaaknr./rolnr.: 8222407 \ AO VERZ 19-70

Uitspraakdatum: 5 februari 2020

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak (beschikking) van de kantonrechter in de zaak van:

[verzoeker] , handelend onder de naam Autobedrijf [naam]

gevestigd te Zaandam

verzoeker

verder te noemen: [naam]

gemachtigde: mr. H. Shawky

tegen

[verweerder]

wonende te [woonplaats]

gedaagde

verder te noemen: [verweerder]

gemachtigde: mr. L. Stolk-Hogeterp

1 De gronden van de beslissing

het verzoek

1.1.

Wat vast staat is dat [verweerder] 76 jaar oud is, op 1 januari 2001 in dienst is getreden bij [naam] , dat [verweerder] als boekhouder werkt en dat hij € 900,00 bruto per maand verdient.

1.2.

[naam] verzoekt om ontbinding van de arbeidsovereenkomst tussen partijen, wegens gewichtige redenen. [verweerder] heeft in zijn verweer aangevoerd dat de arbeidsrelatie inmiddels onherstelbaar is verstoord en dat hij die arbeidsrelatie ook niet meer wil voortzetten.

1.3.

Omdat partijen het erover eens dat de arbeidsverhouding verstoord is, en partijen het er ook over eens zijn dat die verstoring onherstelbaar is en herplaatsing niet meer mogelijk is, zal de kantonrechter de arbeidsovereenkomst ontbinden. Gelet op de standpunten van partijen is namelijk op grond van de wet, het Burgerlijk Wetboek (BW), sprake van een redelijke grond voor ontbinding (artikel 7:671b lid 1, onderdeel a, BW, in verbinding met artikel 7:669 lid 3, onderdeel g, BW).

1.4.

Mogelijk heeft [naam] bedoeld om ook ontbinding te vragen wegens verwijtbaar handelen van [verweerder] . Maar daarover hoeft de kantonrechter niet te beslissen. De arbeidsovereenkomst wordt namelijk al ontbonden vanwege een verstoorde arbeidsverhouding. Ontbinding vanwege verwijtbaar gedrag leidt niet tot een ander resultaat of rechtsgevolg.

1.5.

De wettelijke opzegtermijn is een maand (artikel 7:672 lid 3 BW). Daarvan uitgaande zal de arbeidsovereenkomst worden ontbonden met ingang van 1 april 2020 (artikel 7:671b lid 8, onderdeel a, BW).

1.6.

De kantonrechter ziet geen reden om de arbeidsovereenkomst eerder te ontbinden. Dat zou alleen kunnen als de ontbinding van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van [verweerder] (artikel 7:671b lid 8, onderdeel a, BW). Uitsluitend in uitzonderlijke gevallen kan hiervan sprake zijn, als evident is dat het handelen of nalaten van [verweerder] niet alleen verwijtbaar, maar ernstig verwijtbaar is. Dat volgt uit de wet en de rechtspraak (zie de uitspraak van de Hoge Raad van 8 februari 2019, gepubliceerd op www. rechtspraak.nl, onder nummer ECLI:NL:HR:2019:203 (Woondroomzorg)). Ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van een werknemer kan zich bijvoorbeeld voordoen als een werknemer zich schuldig maakt aan diefstal of andere misdrijven.

1.7.

Dat [verweerder] zonder toestemming een bedrag van € 20.000,00 heeft overgeboekt van de rekening van [naam] naar zijn eigen privérekening, is in de bijzondere omstandigheden van deze zaak niet ernstig verwijtbaar. De kantonrechter is het wel eens met [naam] dat [verweerder] deze overboeking niet had moeten doen zonder nadrukkelijke toestemming. Maar die overboeking kan niet los worden gezien van het feit dat vast staat dat [naam] nog leningen aan [verweerder] moet terugbetalen ter hoogte van een bedrag van ongeveer € 316.000,00 en dat partijen hadden afgesproken dat aflossingen konden worden gedaan als de liquiditeit dat toestond. Verder heeft [naam] zelf ook een situatie in het leven geroepen dat discussie kon ontstaan over een overboeking, door de hiervoor genoemde, onduidelijke afspraak te maken en door grote geldbedragen te lenen van één van zijn werknemers, [verweerder] . De overboeking van € 20.000,00 kan gelet op het voorgaande ook niet worden gelijkgesteld met diefstal. Van ernstig verwijtbaar gedrag is dus geen sprake.

1.8.

[naam] heeft op de zitting zijn verzoek vermeerderd met een verzoek tot terugbetaling door [verweerder] van het bedrag van eerdergenoemde overboeking van € 20.000,00. Dat is een wijziging en vermeerdering van eis die kantonrechter niet toestaat. Volgens de wet, artikel 130 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, kan een wijziging en vermeerdering van eis buiten beschouwing worden gelaten, als deze in strijd is met de zogenoemde goede procesorde. Dat is hier het geval. De eiswijziging van [naam] ziet namelijk niet alleen op een heel andere vordering dan het eerst ingediende verzoek, maar heeft ook een heel andere, onduidelijke grondslag. Verder is de wijziging pas op de zitting gedaan, terwijl [naam] al lang wist van het bestaan van zijn vordering en er geen goede reden is gegeven waarom [naam] die vordering niet direct of eerder heeft ingediend. Bovendien wordt [verweerder] door die eiswijziging onredelijk in zijn verweermogelijkheden geschaad.

1.9.

De kantonrechter zal bepalen dat partijen ieder hun eigen proceskosten moeten betalen, omdat de ontbinding niet het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van één van beide partijen.

het tegenverzoek

1.10.

[verweerder] heeft verschillende tegenverzoeken gedaan. Hij verzoekt zelf ook ontbinding van de arbeidsovereenkomst, onder toekenning van een transitievergoeding van € 7.050,00 bruto dan wel een schadevergoeding die daarmee overeenkomt, om terugbetaling van leningen door [naam] tot een bedrag van € 316.600,00, om teruggave van eigendommen, en om [naam] te veroordelen tot betaling van wettelijke verhoging over loon en rente.

1.11.

[verweerder] verzoekt ontbinding wegens gewichtige redenen en wanprestatie, en verwijst daarbij naar artikel 7:686 BW. Ontbinding op basis van die wettelijke bepaling kan alleen als sprake is van ernstige wanprestatie van [naam] . Dat is niet gesteld en ook niet gebleken. De stelling van [verweerder] dat [naam] afspraken over de terugbetaling van leningen niet nakomt, is daarvoor niet genoeg, ook omdat de kantonrechter van oordeel is dat de discussie tussen partijen over die leningen niet in deze zaak kan worden beoordeeld, zoals hierna nog wordt uitgelegd. De kantonrechter moet de rechtsgronden van het verzoek van [verweerder] zo nodig aanvullen. Dat zal de kantonrechter doen, door de arbeidsovereenkomst te ontbinden met ingang van 1 april 2020, op grond van artikel 7:671c lid 1 BW en wegens een verstoorde arbeidsverhouding.

1.12.

Het tegenverzoek van [verweerder] om [naam] te veroordelen tot het terugbetalen van leningen tot een bedrag van € 316.000,00 plus niet betaalde termijnen, wordt niet-ontvankelijk verklaard. Dat betekent dat op die vordering niet in deze zaak wordt beslist. De reden daarvoor is deze procedure, die met een verzoekschrift moet worden gestart, bedoeld is voor zaken die gaan over het einde van de arbeidsovereenkomst (artikel 7:686a lid 2 BW). Andere vorderingen die daarmee verband houden, kunnen daarbij ook worden ingediend, maar dan moet dat verband er wel zijn (artikel 7:686a lid 3 BW). Dat verband ziet de kantonrechter hier niet, in ieder geval onvoldoende. De door [verweerder] aan [naam] verstrekte leningen staan gelet op de stukken, waaronder de schuldbekentenis, de hypothecaire akte en de e-mail van De Wolf van april 2018, los van de arbeidsovereenkomst. Er zijn ook geen stukken waaruit blijkt dat de opeisbaarheid van de leningen is verbonden aan de arbeidsovereenkomst of aan het einde of voortduren daarvan. Er is ook niet gebleken van een afspraak dat [naam] bij het einde van de arbeidsovereenkomst de lening direct en ineens zou moeten terugbetalen. Anders dan [verweerder] stelt, brengt het einde van de arbeidsovereenkomst daarom ook niet automatisch de verplichting mee voor [naam] om die lening meteen terug te betalen. Ook uit de wet volgt dit niet. Op deze leningen, die zijn aangegaan vóór 1 januari 2017, zijn de oude wettelijke regels voor leningen van toepassing (artikel 7A:1796 e.v. BW). Op grond van die regels kan een lening pas na de daarvoor overeengekomen tijd worden opgeëist of kan de rechter de tijd voor terugbetaling bepalen dan wel uitstel van terugbetaling toestaan. De vorderingen met betrekking tot de leningen houden dus onvoldoende verband met het einde van de arbeidsovereenkomst en moeten daarom in een aparte procedure, die moet worden gestart met een dagvaarding, aan de orde worden gesteld. Overigens herhaalt de kantonrechter zijn opmerking op de zitting dat partijen er wellicht goed aan doen om te proberen deze kwestie eerst via mediation op te lossen.

1.13.

Het verzoek om [naam] te veroordelen tot betaling van wettelijke verhoging van loon houdt wel voldoende verband met het einde van de arbeidsovereenkomst. Maar dat verzoek wordt afgewezen, omdat onvoldoende is toegelicht en aangetoond dat er te laat loon is betaald, en zo ja wanneer en in welke mate. Datzelfde geldt voor de wettelijke rente.

1.14.

De vordering tot teruggave van eigendommen en computerbestanden houdt ook voldoende verband met het einde van de arbeidsovereenkomst en kan worden toegewezen. [naam] heeft namelijk op de zitting erkend dat de genoemde eigendommen en computerbestanden van [verweerder] zijn, dat die zich in het bedrijf van [naam] bevinden, en dat deze aan [verweerder] moeten worden teruggegeven. [naam] zal worden veroordeeld om die zaken binnen vier weken na deze uitspraak terug te geven, op straffe van een dwangsom van € 100,00 per dag en een maximum van € 10.000,00.

1.15.

De vordering om [naam] te veroordelen tot betaling van een transitievergoeding van
€ 7.050,00 bruto dan wel een schadevergoeding die daarmee overeenkomt, wordt afgewezen.

[naam] heeft gesteld dat [verweerder] gelet op de wet geen recht heeft op een transitievergoeding. Ook hier moet de kantonrechter de rechtsgronden zo nodig aanvullen, maar dan van het verweer van [naam] . In dat kader overweegt de kantonrechter dat uit de wet volgt dat de transitievergoeding niet verschuldigd is indien het eindigen of niet voortzetten van de arbeidsovereenkomst geschiedt in verband met of na het bereiken van de AOW-leeftijd (artikel 7:673 lid 7, onderdeel b, BW). Dat is hier het geval, omdat de arbeidsovereenkomst wordt ontbonden na de AOW-leeftijd van [verweerder] . Hij heeft dus geen recht op een transitievergoeding en dus ook niet op een schadevergoeding die daarmee overeenkomt. Overigens is in rechtspraak geoordeeld dat deze wettelijke regel geen verboden leeftijdsdiscriminatie oplevert (zie de uitspraak van de Hoge Raad van 24 april 2018, gepubliceerd op www. rechtspraak.nl, onder nummer ECLI:NL:HR:2018:651 (Stichting Diakonessenhuis)).

1.16.

Nu partijen over en weer op punten in het ongelijk zijn gesteld, is de kantonrechter van oordeel dat het redelijk is dat partijen ieder de eigen proceskosten dragen.

2 De beslissing

De kantonrechter:

het verzoek

2.1.

ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen partijen met ingang van 1 april 2020;

2.2.

bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten betaalt;

het tegenverzoek

2.3.

ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen partijen met ingang van 1 april 2020;

2.4.

veroordeelt [naam] tot teruggave van de eigendommen en computerbestanden, zoals genoemd in productie 8 bij het verweerschrift, binnen vier weken na deze uitspraak, op straffe van een dwangsom van € 100,00 per dag voor elke dag dat [naam] daarmee in gebreke blijft, met een maximum van € 10.000,00;

2.5.

verklaart de vordering van [verweerder] om [naam] te veroordelen tot terugbetaling van leningen niet-ontvankelijk;

2.6.

wijst het verzoek voor het overige af;

2.7.

bepaalt dat partijen ieder de eigen proceskosten dragen;

2.8.

verklaart de veroordeling onder 2.4 van deze uitspraak uitvoerbaar bij voorraad.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P.J. Jansen en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.

De griffier De kantonrechter