Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2020:9444

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
12-11-2020
Datum publicatie
24-11-2020
Zaaknummer
HAA 19-2952
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Gegrond beroep handhaving. Op het perceel wordt geen grondgebonden veehouderiuitgeoefend. Gebruik perceel voor wonen en de bewoning van de bedrijfswoning zijn daardoor in strijd met het bestemmingsplan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Alkmaar

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 19/2952

uitspraak van de meervoudige kamer van 12 november 2020 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Castricum, verweerder

(gemachtigde: mr. A.K. Kuijpers-IJmker).

Procesverloop

Bij besluit van 31 juli 2018, verzonden 7 augustus 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder het verzoek van eiser om handhavend op te treden tegen het zonder omgevingsvergunning realiseren van een interne verbouwing alsmede het met het bestemmingsplan strijdig gebruik van het perceel [perceel] , afgewezen.

Bij besluit van 28 mei 2019, verzonden 3 juni 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 oktober 2020. Eiser is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.E. Conradie en gemachtigde. Ook is verschenen

[naam 1] .

Overwegingen

1. Bij brief van 13 maart 2018 heeft eiser verweerder verzocht handhavend op te treden tegen het zonder omgevingsvergunning realiseren van een interne verbouwing van een schuur tot een semi-verblijfsruimte op het perceel [perceel] (het perceel). Hij heeft ook aangegeven dat het perceel alleen wordt gebruikt voor woondoeleinden. Dit laatste is volgens hem in strijd met de agrarische bestemming.

2. Twee toezichthouders van de gemeente hebben op 24 april 2018 een controle uitgevoerd op het perceel. Daarvan is een verslag van waarneming opgemaakt. Zij hebben geconstateerd dat de gronden bestemd zijn voor de uitoefening van grondgebonden veehouderij, en geen sprake is van een veehouderij. Verder hebben zij overwogen dat de huidige woning niet voldoet aan het begrip bedrijfswoning/dienstwoning in het bestemmingsplan. Tot slot hebben zij overwogen dat geen sprake is van een omgevingsvergunningplichtige functiewijziging of bouwactiviteit. Op basis hiervan heeft verweerder bij het primaire besluit eisers verzoek afgewezen. Verweerder stelt daarin over het gebruik – samengevat – het volgende. Het perceel wordt bewoond door [naam 1] . Zijn agrarisch bedrijf is gevestigd op een ander agrarisch perceel, te weten de [adres] . Op dit adres woont zijn broer [naam 2] , met wie hij samen een melkveehouderij exploiteert. De vennootschap onder firma van beide broers staat ingeschreven op het adres [adres] . Omdat de broers de melkveehouderij samen exploiteren, op het perceel [adres] geen twee bedrijfswoningen aanwezig zijn en het grondareaal van het bedrijf alleen door een smalle weg is gescheiden van het perceel [perceel] , staat laatstgenoemd perceel ten dienste van en is het verbonden met de melkveehouderij. Verweerder ziet om die reden geen grond om de agrarische bestemming om te zetten in een woonbestemming.

3. De commissie bezwaarschriften heeft verweerder – verkort weergegeven – geadviseerd het door eiser gemaakte bezwaar gegrond te verklaren. Verweerder zal volgens deze commissie moeten handhaven of moeten bewerkstelligen dat aan het perceel een bestemming wordt gegeven die in overeenstemming is met het feitelijk gebruik. Naar aanleiding van het advies van de commissie bezwaarschriften heeft verweerder de Agrarische beoordelingscommissie (hierna: Abc) gevraagd advies uit te brengen over het gebruik van het perceel. De Abc heeft op 3 mei 2019 advies uitgebracht. Volgens de Abc is sprake van een juiste planologische invulling met een legitiem agrarisch gebruik.

4. Verweerder heeft in afwijking van het advies van de commissie bezwaarschriften het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Verweerder stelt onder verwijzing naar het advies van de Abc dat het melkveebedrijf is gevestigd op de [adres] en aan de [perceel] . Hoewel er aan de [perceel] op dit moment geen dieren worden gehouden, vinden ook allerlei bedrijfsmatige activiteiten plaats op dat perceel. Het grondareaal is groot genoeg om te kunnen spreken van twee agrarische bedrijven waar twee volwaardige arbeidskrachten werkzaam zijn, hetgeen ook is onderzocht door de Abc. Dat het bedrijf is ingeschreven op de [adres] , doet hieraan niet af. Verweerder stelt verder, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 18 juli 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:2412) dat hij kon afgaan op het verslag van waarnemingen.

5. Eiser heeft beroep ingesteld op gronden die hierna, voor zover voor de beslissing van belang, aan de orde komen.

6.1

Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met een last onder bestuursdwang of onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet zicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

6.2

De eerste vraag die beantwoord moet worden, is of sprake is van een overtreding. Partijen verschillen in dit verband van mening of het gebruik van het perceel in overeenstemming met het bestemmingsplan is of niet. Anders dan verweerder lijkt te betogen, gaat het daarbij om het huidige, feitelijke gebruik in plaats van mogelijk toekomstig gebruik van het perceel.

6.3

Ter plaatse van het perceel geldt het bestemmingsplan “Buitengebied Castricum”. Op het perceel rusten de enkelbestemming “Agrarisch met waarden” en de dubbelbestemming “Waarde – Archeologie 2”. Het gebied waarin het perceel is gelegen heeft de gebiedsaanduiding “schuilstallen”. Aan het perceel is een bouwvlak toegekend. Op grond van artikel 5.1.1 onder a en b van de bestemmingsplanregels zijn de voor “Agrarisch met waarden” aangewezen gronden – voor zover hier van belang – bestemd voor (a) de uitoefening van een grondgebonden veehouderij en (b) maximaal één bedrijfswoning per bouwvlak. Op grond van artikel 1.59 van de bestemmingsplanvoorschriften wordt onder grondgebonden agrarisch bedrijf verstaan “Een agrarische bedrijfsvoering die hoofdzakelijk niet in gebouwen plaatsvindt, waarbij het gebruik van agrarische gronden noodzakelijk is voor het functioneren van het bedrijf.” Tussen partijen staat vast dat op het perceel geen vee gehouden wordt. Ter zitting heeft [naam 1] verklaard dat hij in de schuur kleinere machines repareert en dat er soms workshops worden gegeven. Deze activiteiten zijn naar het oordeel van de rechtbank niet van dien aard dat gesproken kan worden van de uitoefening van een grondgebonden veehouderij. Sterker nog, uit het verslag van waarnemingen blijkt dat de toezichthouders hebben geconstateerd dat op het perceel geen veehouderij of ander bedrijf wordt uitgevoerd. Ter zitting heeft de gemachtigde van verweerder verklaard dat het verslag anders gelezen moet worden, maar niet overtuigend kunnen uitleggen hoe. In het bijzonder betrekt de rechtbank daarbij dat de gemachtigde van verweerder in haar e-mail van 28 februari 2019 heeft geschreven: “De commissie bezwaarschriften heeft zijn bezwaar gegrond verklaard en ons geadviseerd om of te handhaven of de bestemming om te zetten naar woondoeleinden. Beide willen wij eigenlijk niet. Wij denken dat het toch mogelijk zou moeten zijn de tweede agrariër, de tweede vennoot op dit perceel ( [perceel] ) zou moeten kunnen wonen.” Hieruit volgt naar het oordeel van de rechtbank vooral het ontbreken van de wens te handhaven. Dat is in strijd met de beginselplicht tot handhaven (zie 6.1). Het voorgaande brengt met zich mee dat verweerder niet gevolgd kan worden in zijn stelling dat het perceel conform de bestemming wordt gebruikt.

6.4

Verweerder heeft op zitting erop gewezen dat op het perceel een agrariër woont. Dat moge zo zijn, maar het enkele feit dat op een perceel met een agrarische bestemming iemand woont die een agrarisch beroep uitoefent, betekent nog niet dat op het perceel een grondgebonden veehouderij is gevestigd. Hierbij merkt de rechtbank op dat in planologische zin geen binding bestaat tussen het agrarisch bouwvlak aan de [perceel] enerzijds en het agrarisch bouwvlak aan de [adres] anderzijds. Ook het betoog van verweerder dat [naam 1] en zijn broer hun vennootschap onder firma zouden kunnen splitsen en er niets aan in de weg staat dat [naam 1] vervolgens een eenmanszaak op het perceel [perceel] vestigt, kan verweerder niet baten. Bij de vraag of een perceel gebruikt wordt in strijd met de daarop rustende bestemming gaat het om het feitelijke gebruik, niet om een theoretisch toekomstige situatie. Bovendien zal de enkele vestiging van een eenmanszaak op het perceel niet zonder meer betekenen dat het perceel feitelijk in overeenstemming met de bestemming wordt gebruikt. Ook dan zal gekeken moeten worden naar het gebruik dat op het perceel plaatsvindt.

6.5

De conclusie dat op het perceel geen grondgebonden veehouderij wordt uitgeoefend, brengt mee dat het gebruik van het perceel voor wonen (waaronder ook bijvoorbeeld het gebruik van de schuren voor woondoeleinden) en de bewoning van de bedrijfswoning in strijd zijn met het bestemmingsplan. Immers volgt uit artikel 5 in combinatie met artikel 1.27 van het bestemmingsplan dat het bestemmingsplan enkel bewoning toestaat van een bedrijfswoning indien huisvesting daar gelet op de bestemming van het gebouw of terrein - dus voor het agrarische gebruik - noodzakelijk is. Het voorgaande betekent dat verweerder in beginsel verplicht is tot handhaving over te gaan.

6.6

Niet is gebleken dat sprake is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan verweerder handhaving achterwege zou kunnen laten. Vast is komen te staan dat verweerder niet welwillend staat tegenover handhaving. In de brief van 23 november 2018 van verweerder aan de Commissie Bezwaarschriften schrijft verweerder dat agrariërs de verzorgers van het landschap zijn en zoveel mogelijk beschermd moeten worden. Ook uit voornoemde e-mail van 28 februari 2019 blijkt dat verweerder niet wil handhaven en ook niet de bestemming wil omzetten naar woondoeleinden. Ter zitting heeft de gemachtigde van verweerder verklaard dat de huidige situatie volgens haar de meest wenselijke is. Deze omstandigheden leveren echter geen bijzondere omstandigheden op die maken dat verweerder van handhaving af kon zien. Indien verweerder van mening is dat [naam 1] op het perceel moet kunnen blijven wonen, dan is het aan verweerder om te onderzoeken hoe dit gebruik van het perceel kan worden gelegaliseerd. Afwijzing van eisers handhavingsverzoek op basis van de huidige motivering, is daartoe niet de juiste weg.

6.7

Verder slaagt ook de beroepsgrond dat verweerder niet heeft gemotiveerd op grond van welke bepalingen de interne verbouwing volgens hem vergunningsvrij kon worden gerealiseerd.

6.8

De rechtbank komt tot de slotsom dat het bestreden besluit onzorgvuldig is voorbereid en gebrekkig is gemotiveerd. Daarmee is het besluit genomen in strijd met de regels uit artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en artikel 3:46 van de Awb. Het beroep is gegrond en het bestreden besluit wordt vernietigd. Verweerder zal met inachtneming van deze uitspraak opnieuw op het bezwaar moeten beslissen.

7. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.

8. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Eiser maakt aanspraak op de reis- en verblijfkosten die hij heeft moeten maken om het onderzoek ter zitting bij te wonen. De rechtbank zal daarvoor een vergoeding toekennen van € 14,50 (reiskosten openbaar vervoer). Daarnaast maakt eiser aanspraak op een bedrag van € 82,50 aan verletkosten (uurtarief). Eiser is zelfstandig ondernemer. De rechtbank constateert dat dit bedrag valt onder artikel 2 van het Besluit proceskosten bestuursrecht en acht dit bedrag niet onredelijk. Verweerder zal dit ook aan eiser moeten vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    draagt verweerder op binnen 6 weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 174,- aan eiser te vergoeden;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van in totaal € 97,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. T.J.H. Verstappen, voorzitter, mr. S.A. Steinhauser en mr. J.J. Maarleveld, leden, in aanwezigheid van mr. F. Vermeij, griffier. De uitspraak is in het openbaar gedaan op 12 november 2020.

griffier voorzitter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.