Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2020:9380

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
22-09-2020
Datum publicatie
15-11-2020
Zaaknummer
15/871428-16 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 90 dagen waarvan 54 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van één jaar en een taakstraf van 130 uren wegens het medeplegen van verduistering in dienstbetrekking en witwassen. Vordering BP hoofdelijk toegewezen tot een bedrag van € 21.200,-.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Team Straf, locatie Haarlem

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/871428-16 (P)

Uitspraakdatum: 22 september 2020

Tegenspraak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van

8 september 2020 in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1980 te [geboorteplaats] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres]

.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie

mr. N.M. Lemmers en van hetgeen verdachte en zijn raadsman mr. H. Blaauw, advocaat te Haarlem, naar voren hebben gebracht.

1 Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

primair:

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 15 mei 2016 tot en met 03 augustus 2016 (te weten op of omstreeks 15 mei 2016 en/of op of omstreeks 23 juni 2016 en/of op of omstreeks 1 augustus 2016), te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer,

(telkens) tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

(telkens) met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen,

een grote hoeveelheid (respectievelijk 160, 160 en 180) (Apple) I-Phones (met een geschatte waarde van in totaal ongeveer 264.580 euro), in elk geval (telkens) enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer] en/of [slachtoffer 2] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededaders;

subsidiair:

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 15 mei 2016 tot en met 3 augustus 2016, (te weten op of omstreeks 15 mei 2016 en/of op of omstreeks 23 juni 2016 en/of op of omstreeks 1 augustus 2016) te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer,

(telkens) tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

(telkens) opzettelijk een grote hoeveelheid (respectievelijk 160 stuks en/of 160 stuks en/of 180 stuks) (Apple) I-phones (met een geschatte waarde van in totaal ongeveer 264.580 euro), in elk geval (telkens) enig goed, dat geheel of ten dele toebehoorde aan [slachtoffer] en/of [slachtoffer 2] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededaders,

en welk(e) goed(eren) verdachte en/of zijn mededader(s), (telkens) uit hoofde van zijn/hun persoonlijke dienstbetrekking, te weten als (heftruck)chauffeur, althans medewerker, van [bedrijfsnaam] en/of [slachtoffer] , in elk geval anders dan door misdrijf, onder zich hadden, (telkens) wederrechtelijk zich heeft/hebben toegeëigend;

2.

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 15 mei 2016 tot en met 10 augustus 2016 te Amsterdam, althans in Nederland,

een voorwerp, te weten een (contant) geldbedrag van ongeveer 8.800 euro, althans enig geldbedrag, heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen en/of omgezet, en/of van een voorwerp, te weten voornoemd (contant) geldbedrag, gebruik heeft gemaakt, en/of van een contant geldbedrag van ongeveer 8.800 euro, en/of van enig geldbedrag, de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of verhuld, en/of heeft verborgen/verhuld wie de rechthebbende op dit geldbedrag was en/of wie dit geldbedrag voorhanden had, terwijl hij wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden dat bovenomschreven voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf.

2 Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3 Beoordeling van het bewijs

3.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de onder 1 primair en 2 ten laste gelegde feiten.

3.2.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit dat verdachte van feit 1 primair moet worden vrijgesproken en dat verdachte ten aanzien van feit 2 moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

3.3.

Oordeel van de rechtbank

3.3.1

Vrijspraak feit 1 primair

De rechtbank is met de raadsman van oordeel dat verdachte moet worden vrijgesproken van het onder 1 primair ten laste gelegde feit.

De rechtbank overweegt hiertoe dat geen sprake is van ‘wegnemen’ als bedoeld in artikel 311 van het Wetboek van Strafrecht (Sr), omdat medeverdachte [medeverdachte] de iPhones telkens als chauffeur in dienstbetrekking rechtmatig onder zich had gekregen.

3.3.2

Bewijsmiddelen

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van de onder 1 subsidiair en 2 ten laste gelegde feiten op grond van de bewijsmiddelen die in de bijlage bij dit vonnis zijn vervat.

3.4.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder 1 subsidiair en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat

1.

subsidiair:

hij op tijdstippen in de periode van 15 mei 2016 tot en met 3 augustus 2016 (te weten op 15 mei 2016, op 23 juni 2016 en op 1 augustus 2016) te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer,

telkens tezamen en in vereniging met een ander,

telkens opzettelijk een grote hoeveelheid (respectievelijk 160, 160 en 180) Apple iPhones, toebehorende aan [slachtoffer] en/of [slachtoffer 2] ,

en welke goederen verdachte en zijn mededader, telkens uit hoofde van de persoonlijke dienstbetrekking van zijn mededader, te weten als chauffeur van [bedrijfsnaam] , onder zich hadden, telkens wederrechtelijk zich hebben toegeëigend;

2.

hij op 10 augustus 2016 te Amsterdam, een contant geldbedrag van 8.800 euro voorhanden heeft gehad, terwijl hij wist dat dit geldbedrag middellijk afkomstig was uit enig misdrijf.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

Hetgeen aan verdachte onder feiten 1. subsidiair en 2. meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4 Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten

4.1.

Beroep op kwalificatie-uitsluitingsgrond feit 2

De raadsman heeft aangevoerd dat verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging omdat de kwalificatie-uitsluitingsgrond van toepassing is, zoals door de Hoge Raad genoemd in het arrest van 2 juli 2013 (ECLI:NL:HR:2013:150). Het contante geld dat bij verdachte is aangetroffen, is afkomstig van de verkoop van de door verdachte verduisterde telefoons. Het geld is dus onmiddellijk uit eigen misdrijf afkomstig. Voorts is geen sprake van een verhullingshandeling, verdachte heeft het geld gewoon bewaard in een jasje en in een potje bestemd voor vakantiegeld. Nu het geld afkomstig is van eigen misdrijf, staat dit aan de kwalificatie van het bewezenverklaarde witwassen in de weg. Verdachte moet daarom volgens de raadsman worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

4.2.

Oordeel van de rechtbank

Uit vaste jurisprudentie ter zake van witwassen volgt dat in het geval dat witwassen betrekking heeft op voorwerpen afkomstig uit eigen misdrijf, er in beginsel sprake dient te zijn van een handeling die erop is gericht om de crimineel verkregen voorwerpen veilig te stellen. In dergelijke gevallen moet sprake zijn van een gedraging die meer omvat dan het enkele verwerven of voorhanden hebben en die een op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van die door eigen misdrijf verkregen gelden/voorwerpen gericht karakter heeft.

Die regel gaat niet op in gevallen waarin sprake is van voorwerpen die ‘middellijk’ afkomstig zijn uit een door de verdachte zelf begaan misdrijf, doordat direct uit misdrijf afkomstige voorwerpen nadien zijn omgezet in andere voorwerpen. Daarvan is in dit geval sprake. Verdachte heeft de direct uit misdrijf afkomstige voorwerpen, te weten de telefoons, nadien omgezet in geld. Het geldbedrag is dus middellijk afkomstig uit een door verdachte begaan misdrijf. Het verweer van de raadsman wordt dan ook verworpen.

4.3.

Kwalificatie van de feiten

Het bewezenverklaarde levert op:

feit 1 subsidiair:

medeplegen van verduistering door hem die het goed uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking onder zich heeft, meermalen gepleegd;

feit 2:

witwassen.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is derhalve strafbaar.

5 Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is derhalve strafbaar.

6 Motivering van de sanctie

6.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 90 dagen, waarvan 54 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 1 jaar, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht en tot een taakstraf van 180 uur, bij niet verrichten te vervangen door 90 dagen hechtenis.

6.2.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht de eis van de officier van justitie te volgen en daarbij de taakstraf nog iets te matigen. Verdachte heeft veel langer dan zijn medeverdachte in voorarrest gezeten en heeft van die tijd 28 dagen in alle beperkingen moeten doorbrengen.

6.3.

Oordeel van de rechtbank

In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich samen met medeverdachte [medeverdachte] meerdere malen schuldig gemaakt aan verduistering in dienstbetrekking. Zij hebben waardevolle iPhones verduisterd die de medeverdachte moest vervoeren in het kader van zijn functie als vrachtwagenchauffeur. De totale geschatte waarde van de iPhones bedraagt € 264.580,--.

Dit zijn ernstige feiten, die beredeneerd zijn voorbereid en uitgevoerd en waardoor de gedupeerden veel schade hebben opgelopen.

Verdachte heeft de verduisterde iPhones telkens doorverkocht en hij hield een deel van de opbrengst. Op deze wijze heeft verdachte in totaal een bedrag van € 8.800,-- witgewassen. Door dergelijke witwaspraktijken wordt het plegen van criminele activiteiten in stand gehouden en indirect ook bevorderd, want door de criminele gelden een (schijnbaar) legale herkomst te verschaffen, is het genereren van illegale winsten lucratief. Het reguliere handels- en betalingsverkeer wordt daarmee ondermijnd en de maatschappij wordt veel schade toegebracht. De rechtbank rekent verdachte dit aan.

De officier van justitie heeft in haar strafeis in hoge mate rekening gehouden met een ernstige overschrijding van de redelijke termijn. De inhoudelijke behandeling van de zaak heeft pas vier jaar na de aanhouding van verdachte plaatsgevonden. Voorts heeft de officier van justitie bij haar eis meegewogen dat verdachte geen relevante documentatie heeft en ook na het plegen van de feiten niet meer met justitie in aanraking is geweest. De officier van justitie heeft daarom, in plaats van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 15 maanden, een deels voorwaardelijke gevangenisstraf en een taakstraf geëist.

De rechtbank neemt de eis van de officier van justitie tot uitgangspunt en zal, naast de hiervoor genoemde omstandigheden, rekening houden met het feit dat verdachte 29 dagen langer dan zijn medeverdachte in voorarrest heeft doorgebracht en daarvan 28 dagen in alle beperkingen heeft gezeten. De rechtbank zal de gevorderde taakstraf daarom matigen tot 130 uur, met de bedoeling verdachte en de medeverdachte zo gelijk mogelijk te bestraffen.

7 Vordering benadeelde partij [slachtoffer]

De benadeelde partij [slachtoffer] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 30.000,-- ingediend tegen verdachte wegens materiële schade die zij als gevolg van het onder 1 subsidiair ten laste gelegde zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag. De gestelde schade bestaat uit de door de verzekering niet vergoede schade van verduisterde telefoons op 15 mei en 23 juni 2016.

De rechtbank is van oordeel dat deze schade rechtstreeks voortvloeit uit het onder

1 subsidiair bewezen verklaarde feit. Ter terechtzitting heeft de officier van justitie medegedeeld dat zij het onder verdachte in beslag genomen geldbedrag van € 8.800,--, waarvan verdachte afstand heeft gedaan, reeds aan de benadeelde partij heeft overgemaakt. De vordering zal daarom worden toegewezen tot een bedrag van € 21.200,--, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 23 juni 2016 tot aan de dag der algehele voldoening. De vordering zal voor het overige worden afgewezen, nu dit gedeelte van de vordering reeds is voldaan.

De rechtbank zal bepalen dat indien een medeverdachte dit bedrag geheel of gedeeltelijk heeft betaald, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.

De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat de officier van justitie heeft toegezegd dat het onder medeverdachte [medeverdachte] in beslag genomen geldbedrag van € 58.058,--, waarvan de medeverdachte afstand heeft gedaan, zal worden gebruikt voor het voldoen van deze gehele vordering.

schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank ziet geen aanleiding om de schadevergoedingsmaatregel op te leggen, nu de officier van justitie heeft toegezegd dat het toegewezen bedrag zal worden voldaan door middel van het onder medeverdachte [medeverdachte] in beslag genomen geldbedrag.

8 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 47, 57, 322 en 420bis Sr.

9 Beslissing

De rechtbank:

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte onder feit 1. primair is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte de onder 1 subsidiair en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4. weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.

Bepaalt dat de bewezen verklaarde feiten de hierboven onder 4. vermelde strafbare feiten opleveren.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 90 dagen met bevel dat van deze straf een gedeelte, groot 54 dagen niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat verdachte voor het einde van de op één jaar bepaalde proeftijd zich aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Veroordeelt verdachte tot het verrichten van 130 uren taakstraf die bestaat uit het verrichten van onbetaalde arbeid, bij het niet of niet naar behoren verrichten daarvan te vervangen door 65 dagen hechtenis.

Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [slachtoffer] geleden schade tot een bedrag van € 21.200,--, bestaande uit materiële schade, en veroordeelt verdachte tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 23 juni 2016 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [slachtoffer] voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.

Bepaalt dat indien genoemd bedrag geheel of gedeeltelijk door een medeverdachte is betaald, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.

Veroordeelt verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.

Wijst af het meer of anders gevorderde.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. W.J. van Andel, voorzitter,

mr. E.M. ten Bos en mr. M. Ramondt, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier mr. L.L. de Vries,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 22 september 2020.