Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2020:9310

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
12-11-2020
Datum publicatie
24-11-2020
Zaaknummer
HAA 20/3545
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Beroep niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk. Inmiddels beslist, wel aanleiding voor een proceskostenveroordeling en vergoeding van het griffierecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 20/3545

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 november 2020 in de zaak tussen

[eiseres] , wonende te [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. H.S. Eisenberger),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Velsen, verweerder.

Procesverloop

Bij brief van 20 juli 2020 heeft eiseres bij de rechtbank beroep ingesteld in verband met het niet tijdig nemen van een besluit op haar aanvraag van 4 juni 2020 voor een maatwerkvoorziening op grond van artikel 2.3.5 van de Wmo.

Verweerder heeft op 6 augustus 2020 een verweerschrift ingediend.

Bij besluiten van 14 september 2020 heeft verweerder alsnog beslist op de aanvraag van eiseres.

Bij brief van 7 oktober 2020 heeft eiseres gereageerd.

Overwegingen

  1. Ingevolge artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de rechtbank, totdat partijen zijn uitgenodigd om op een zitting te verschijnen, het onderzoek sluiten indien voortzetting van het onderzoek niet nodig is, omdat zij kennelijk onbevoegd is dan wel het beroep kennelijk niet-ontvankelijk, kennelijk ongegrond of kennelijk gegrond is.

  2. Ingevolge artikel 8:55b, eerste lid, van de Awb doet de rechtbank, indien het beroep is gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit, binnen acht weken nadat het beroepschrift is ontvangen en aan de vereisten van artikel 6:5 van de Awb is voldaan, uitspraak met toepassing van artikel 8:54 van de Awb, tenzij de rechtbank een onderzoek ter zitting noodzakelijk acht.

  3. Ingevolge artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Awb wordt voor de toepassing van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep, het niet tijdig nemen van een besluit met een besluit gelijkgesteld. Tegen het niet tijdig beslissen staat dan ook beroep bij de rechtbank open.

  4. Op grond van artikel 2.3.5., tweede lid, van de Wmo dient te worden beslist binnen twee weken na de aanvraag.

  5. Ingevolge artikel 6:20, derde lid, van de Awb heeft het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit mede betrekking op het alsnog genomen besluit, tenzij dit geheel aan het beroep tegemoet komt. Op grond van het vierde lid van dit artikel wordt het beroep verwezen naar verweerder teneinde het te behandelen als bezwaar tegen het alsnog genomen besluit.

  6. Verweerder heeft op 14 september 2020 alsnog op de aanvraag beslist. Nu eiseres bij brief van 7 oktober 2020 heeft laten weten dat zij het niet eens is met de besluiten van verweerder van 14 september 2020 zal de rechtbank het beroep op grond van artikel 6:20, vierde lid, van de Awb naar verweerder verwijzen ter behandeling als bezwaar.

  7. Omdat verweerder alsnog op de aanvraag heeft beslist, is het procesbelang aan het beroep gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit komen te ontvallen. De rechtbank zal daarom het beroep niet-ontvankelijk verklaren.

  8. Vervolgens moet worden bezien of in de omstandigheid van het geval, en in het bijzonder in de reden voor het vervallen van het procesbelang, grond is gelegen om over te gaan tot een proceskostenveroordeling dan wel vergoeding van griffierecht.

  9. Eiseres heeft op 4 juni 2020 een aanvraag ingediend. Gelet op het voorgaande had verweerder uiterlijk op 17 juni 2020 op het verzoek moeten beslissen. De rechtbank stelt vast dat deze beslistermijn is verstreken. De rechtbank stelt voorts vast dat eiseres verweerder bij brief van 19 juni 2020 heeft meegedeeld dat hij in gebreke is en dat sindsdien twee weken zijn verstreken.

  10. Nu, zoals uit het vorenoverwogene blijkt, het instellen van beroep in verband met het niet tijdig nemen van een beslissing op de aanvraag niet zonder reden was, acht de rechtbank vergoeding van proceskosten en griffierecht door verweerder op zijn plaats. Deze kosten zijn met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht begroot op € 262,50 (1 punt, wegingsfactor 0,5).

  11. Met toepassing van artikel 8:74, tweede lid, Awb zal verweerder het betaalde griffierecht ten bedrage van € 48,- moeten vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep in verband met het niet tijdig nemen van een besluit op de aanvraag niet-ontvankelijk;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van in totaal € 262,50;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 48,- aan eiseres te vergoeden.

Deze uitspraak is vastgesteld door mr. L.M. Kos, rechter, in aanwezigheid van A.C. Karels, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 12 november 2020.

griffier rechter

afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan verzet worden gedaan bij deze rechtbank.

Het verzet dient gedaan te worden door het indienen van een verzetschrift binnen zes weken na de dag van verzending van de uitspraak door de griffier. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord.