Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2020:9276

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
04-08-2020
Datum publicatie
12-11-2020
Zaaknummer
AWB - 19 _ 3067
Rechtsgebieden
Bestuursprocesrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

. 8:57 Awb. Niet ontvankelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 19/3067

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 augustus 2020 in de zaak tussen

[eiser] en mevrouw [eiseres] , te [woonplaats 1] , eisers

(gemachtigde: mr.drs. R.T.M. Lagerweij),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Haarlem, Middelen en Services, verweerder

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: [derde partij] te [woonplaats 2] .

(gemachtigde: mr. J.J.M. van Lint),

Procesverloop

Bij besluit van 2 augustus 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder aan derde-partij geweigerd een omgevingsvergunning te verlenen, voor het splitsen van een woonruimte in drie appartementen op het perceel [perceel] (het perceel).

Derde-partij heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 9 mei 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van derde-partij gegrond verklaard en het primaire besluit herroepen. Verweerder heeft de omgevingsvergunning voor het splitsen van de woonruimte alsnog verleend.

Eisers hebben bij brief met dagtekening 10 juli 2019, ter griffie ontvangen op 10 juli 2019, tegen de uitspraak op bezwaar van verweerder van 9 mei 2019 beroep ingesteld.

Partijen hebben toestemming gegeven voor het doen van een uitspraak zonder zitting. Op grond van artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft de rechtbank bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft.

Het onderzoek is vervolgens gesloten.

Overwegingen

1. Verweerder heeft bij besluit van 2 augustus 2018 (het primaire besluit) aan derde-partij geweigerd het splitsen van de woning aan [perceel] te legaliseren, omdat onvoldoende parkeercapaciteit aanwezig is en dus niet wordt voldaan aan artikel 2.5.30, eerste lid, van de Bouwverordening. Bij besluit van 9 mei 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van derde-partij gegrond verklaard, het primaire besluit herroepen, en de gevraagde omgevingsvergunning alsnog verleend. Eisers zijn hiertegen vervolgens in beroep gekomen.

2. Voor het indienen van een beroepschrift geldt op grond van artikel 6:7 van de Awb een termijn van zes weken. Deze termijn begint op grond van artikel 6:8, eerste lid, van de Awb op de dag na de dag waarop het besluit op de wettelijk voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. Dat is in dit soort gevallen de dag na de dag waarop het besluit is toegezonden. De datum van publicatie is voor de aanvang van de bezwaar- of beroepstermijn niet relevant. Een beroepschrift is op grond van artikel 6:9, eerste lid, van de Awb tijdig ingediend wanneer het voor het einde van de termijn is ontvangen. De beroepstermijn is van openbare orde. Dat betekent dat bij een termijnoverschrijding niet-ontvankelijkverklaring moet volgen. Dit is volgens artikel 6:11 van de Awb alleen anders indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener van het beroepschrift in verzuim is geweest oftewel indien de termijnoverschrijding verschoonbaar is.

3. Vast staat dat verweerder de alsnog na heroverweging verleende omgevingsvergunning op de voorgeschreven wijze bekend heeft gemaakt op 9 mei 2019, door verzending per post, zodat de termijn voor het indienen van een beroepschrift op 10 mei 2019 is aangevangen en eindigde op 20 juni 2019.

4. Vast staat voorts dat eisers op 10 juli 2019 in beroep zijn gekomen. Eisers hebben de termijn voor het indienen van een beroepschrift daarmee overschreden. Ten aanzien van het antwoord op de vraag of deze termijnoverschrijding verschoonbaar is overweegt de rechtbank als volgt. Daarbij stelt de rechtbank voorop dat naar vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (zie onder meer de uitspraak van 25 april 2007, ECLI:NL:RVS:2007:BA3737) het niet noodzakelijk is om een op aanvraag genomen besluit toe te sturen aan derden. De alsnog verleende omgevingsvergunning betreft een besluit als bedoeld in artikel 7:11, tweede lid, van de Awb, maakt daarom weliswaar onderdeel uit van de beslissing op bezwaar, maar betreft – ook al is het eerst na heroverweging genomen - een op aanvraag genomen besluit. Zulk een besluit dient op grond van artikel 3:41, eerste lid, van de Awb te worden bekend gemaakt door toezending aan de aanvrager, waarbij deze toezending de bekendmaking vormt die ingevolge artikel 6:8, eerste lid, van de Awb bepalend is voor de aanvang van de termijn. Voor de bekendmaking van dit besluit is niet vereist dit aan derden te verzenden, nu zij niet de aanvrager zijn van dit besluit en zij evenmin behoren tot de in artikel 3:41, eerste lid, van de Awb bedoelde belanghebbenden. Het besluit is immers niet tot hen gericht.

5. Uit artikel 3:9, eerste lid van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) vloeit voort dat verweerder wel gehouden is zo spoedig mogelijk na de bekendmaking van het besluit daarvan mededeling te doen, in dit geval via publicatie in een of meer huis-aan-huisbladen. Vast staat dat van de verlening van de omgevingsvergunning eerst pas op 11 juli 2019 door openbare publicatie mededeling is gedaan. Dat deze publicatie buiten de voor eisers geldende beroepstermijn heeft plaatsgevonden kan eisers evenwel in het kader van de vraag of het te laat indienen van het beroepschrift verschoonbaar is, niet baten. Als vaststaand moet immers worden aangenomen dat eisers bij e-mail van 8 mei 2019, afkomstig van mr. [naam] , zijnde de secretaris van de adviescommissie voor bezwaarschriften op het gebied van ruimtelijke ordening en overige zaken, op de hoogte zijn gebracht van het bestreden besluit, en derhalve vanaf dat moment kennis droegen van de alsnog in bezwaar verleende omgevingsvergunning. Eisers hebben een en ander ook in een e-mail van 4 juni 2019, gericht aan [naam] , bevestigd, daar waar zij laten weten het bestreden besluit te hebben gelezen. Eisers hadden daarom reeds in dit stadium nog binnen de beroepstermijn – voor zover nodig pro forma – tijdig in beroep kunnen komen. Indien daarover bij hen onduidelijkheid heeft bestaan, had het op hun weg gelegen om bij verweerder te informeren of de beroepstermijn inmiddels al een aanvang had genomen. Door dit achterwege te laten, hebben zij bewust het risico genomen dat zij te laat in beroep zouden komen. Een en ander valt binnen hun risicosfeer, te meer omdat zij zich ook toen reeds lieten bijstaan door een rechtsbijstandverzekeraar. De rechtbank komt dan ook tot de conclusie dat de termijnoverschrijding niet verschoonbaar is.

6. Het beroep is daarom kennelijk niet-ontvankelijk.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. J.H.A.C. Everaerts, rechter, in aanwezigheid van mr. L. van Broekhoven, griffier.

Deze uitspraak is gedaan op 4 augustus 2020. Als gevolg van maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.