Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2020:9270

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
18-11-2020
Datum publicatie
27-11-2020
Zaaknummer
AWB - 20 _ 1074
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verweerder heeft het juiste bedrag aan loonheffingen verrekend, te weten het bedrag dat ook daadwerkelijk is ingehouden. Ook de hoogte van de hypotheekrente aftrek is correct.

Dat eiser nu een bedrag moet betalen, is mede het gevolg van het feit dat de voorlopige aanslag was gebaseerd op een onjuist bedrag aan hypotheekrente, namelijk het bedrag van het jaar ervoor.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 30-11-2020
V-N Vandaag 2020/2941
FutD 2020-3632
NTFR 2020/3609
V-N 2021/4.24.9
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank noord-holland

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 20/1074

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 november 2020 in de zaak tussen

[X] , wonende te [Z] , eiser,

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Particulieren, kantoor Arnhem, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiser voor het jaar 2018 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 39.087.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar de aanslag gehandhaafd.

Eiser heeft daartegen beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 november 2020 te Haarlem.

Eiser is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. [a] en [b] .

Overwegingen

Feiten

1. Eiser was tot 15 december 2015 gehuwd met [c] (de voormalige echtgenote).

2. Op 15 januari 2007 hebben eiser en de voormalige echtgenote gezamenlijk de woning aan de [adres] (de woning) in eigendom verkregen.

3. In hun echtscheidingsconvenant zijn eiser en de voormalige echtgenote onder meer het volgende overeengekomen:

“2.1 Nihilbeding Partijen doen over en weer afstand van hun rechten op alimentatie jegens elkaar omdat de vrouw wordt vrijgesteld van de restschuld op het huis, en op het restbedrag op het doorlopend krediet.

[…]

4.2

Beide partijen zijn overeen gekomen dat er geen sprake is van overdeling.

[…]

7.2

Partijen verklaren te zake van de verdeling na uitvoering van bovenstaande niets meer van elkaar

te vorderen te hebben en verlenen elkaar over en weer te dier zake finale kwijting.”

4. Eiser stond het gehele jaar 2018 samen met de voormalige echtgenote ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres van de woning. Zij waren in 2018 het gehele jaar fiscale partners.

5. De WOZ-waarde van de woning voor het belastingjaar 2018 bedroeg € 256.000. De rente op de hypotheeklening aan ING, waarvan eiser en de voormalige echtgenote gezamenlijk schuldenaar waren, bedroeg in 2018 € 10.496.

6. Eiser genoot in het jaar 2018 loon uit dienstbetrekking van [d] B.V. ( [d] ). Het bruto loon bedroeg € 27.993, waarop € 5.409 aan loonheffingen is ingehouden. Voorts genoot eiser in het jaar 2018 een nawettelijke werkloosheidsuitkering van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV). De uitkering bedroeg € 19.798, waarop € 5.316 aan loonheffingen is ingehouden. Zowel [d] als het UWV heeft bij de inhouding van loonheffingen op het inkomen van eiser de loonheffingskorting toegepast.

7. Met dagtekening 15 januari 2018 heeft verweerder op eigen initiatief een voorlopige aanslag IB/PVV voor het jaar 2018 opgelegd aan eiser. Hij heeft deze voorlopige aanslag gebaseerd op een inschatting van de situatie van eiser in 2017. De voorlopige aanslag is vastgesteld naar een te ontvangen bedrag van € 6.067. De voorlopige aanslag gaat onder meer uit van een saldo inkomsten en aftrekposten eigen woning van € 13.325 en een bedrag van € 12.645 aan ingehouden loonheffingen.

8. Eiser heeft op 25 april 2019 aangifte IB/PVV voor het jaar 2018 gedaan. Hij heeft daarin de hiervoor vermelde inkomens die hij had ontvangen van [d] en het UWV vermeld alsmede de hiervoor vermelde ingehouden bedragen aan loonheffingen. Ter zake van de eigen woning heeft hij een eigenwoningforfait aangegeven van € 1.792 en een aftrekbare rente van € 10.496. Hij heeft de belastbare inkomsten uit eigen woning volledig aan zichzelf toegerekend.

9. Met dagtekening 1 juni 2019 heeft verweerder aan eiser de definitieve aanslag IB/PVV voor het jaar 2018 opgelegd. Verweerder heeft daarin, overeenkomstig eisers aangifte, een saldo inkomsten en aftrekposten eigen woning van € 8.704 in aanmerking genomen en een bedrag van € 10.725 aan loonheffingen verrekend.

Geschil
10. In geschil is of de (definitieve) aanslag naar het juiste bedrag is vastgesteld. Het geschil heeft betrekking op twee punten: de verrekening van loonheffingen en de aftrek van hypotheekrente.

Beoordeling van het geschil

Verrekening van loonheffingen

11. Eiser betoogt dat hij [d] wel heeft verzocht om toepassing van de loonheffingskorting, maar het UWV niet. Buiten hem om heeft het UWV de loonheffingskorting toegepast. Het gaat hier volgens eiser om een fout van het UWV waarvoor hij niet verantwoordelijk kan worden gehouden, zeker niet nu het UWV ervan op de hoogte was dat eiser bij [d] was gaan werken. Het gevolg daarvan is dat vrijwel de volledige teruggaaf die hij eerder op een voorlopige aanslag had ontvangen, wordt teruggevorderd, terwijl zijn inkomen door een verlaging van zijn uitkering drastisch is verminderd. Het zou het UWV – en nu verweerder – sieren als zij een handreiking zouden doen, aldus eiser. Verweerder en het UWV zouden als onderdelen van dezelfde rijksoverheid volgens eiser ook beter met elkaar moeten communiceren.

12. Verweerder stelt zich op het standpunt dat het juiste bedrag aan loonheffingen is verrekend. Het bedrag aan verrekende loonheffingen stemt overeen met de bedragen die volgens de aan verweerder ter beschikking staande informatie zijn ingehouden. Het staat verweerder niet vrij om van de wet af te wijken.

13. Op grond van artikel 15 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) worden de in de belastingwet aangewezen voorheffingen verrekend met de aanslag. In artikel 9.2, eerste lid, aanhef en letter a, van de Wet inkomstenbelasting 2001 wordt de geheven loonbelasting (met uitzondering van de als eindheffing geheven loonbelasting) aangewezen als voorheffing voor de inkomstenbelasting. De loonbelasting wordt geheven door inhouding op het loon (artikel 27, eerste lid, van de Wet op de loonbelasting 1964). Voorzover een premieplichtige van een inhoudingsplichtige loon geniet in de zin van de Wet op de loonbelasting 1964, wordt de premie voor de volksverzekeringen bij wijze van inhouding geheven met overeenkomstige toepassing van de voor de heffing van de loonbelasting geldende regels (artikel 58, tweede lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen).

14. Tussen partijen is niet in geschil dat het UWV en [d] tezamen € 10.725 aan loonheffingen hebben ingehouden op het inkomen van eiser en dat dit bedrag in de definitieve aanslag is verrekend. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder daarmee de belastingwet juist toegepast, aangezien de loonheffingen slechts mogen worden verrekend voor zover zij daadwerkelijk zijn geheven, dat wil zeggen, zijn ingehouden.

15. Het feit dat volgens de toepasselijke regels meer loonheffingen hadden moeten worden ingehouden (hetgeen eiser in wezen heeft betoogd), zou niet tot een andere uitkomst leiden, omdat dat niets verandert aan het bedrag dat in feite is ingehouden, ook al is dat bedrag misschien in strijd met de toepasselijke regels berekend (zie daarover ook de arresten van de Hoge Raad van 28 januari 1981, ECLI:NL:HR:1981:AW9749 en van 20 januari 1999, ECLI:NL:HR:1999:AA2645, r.o. 3.2) en ook al zou er aanleiding geweest zijn voor verweerder om contact op te nemen met het UWV. De rechtbank merkt daarbij op dat een onjuiste inhouding van loonheffingen ook niet tot gevolg zou hebben dat eiser te veel moet betalen: tegenover het bedrag dat eiser op zijn definitieve aanslag IB/PVV moet betalen staat dan namelijk dat op zijn inkomen te weinig loonheffingen zijn ingehouden. Dat compenseert elkaar.

Hypotheekrenteaftrek

16. Eiser stelt dat hij sinds zijn scheiding economisch eigenaar is van de woning. Hij wijst in dit verband op het echtscheidingsconvenant. Hij trekt daarom het volledige bedrag aan rente af in zijn aangiften IB/PVV. In 2016 en 2017 is dit niet gecorrigeerd door verweerder. In 2018 is verweerder echter van mening dat eiser niet alle rente mag aftrekken en dat een deel moet worden afgetrokken door de voormalige echtgenote. Dat is volgens eiser onjuist.

17. Verweerder stelt zich op het standpunt dat het bedrag aan aftrekbare kosten voor de eigen woning in de definitieve aanslag niet tot een te laag bedrag is vastgesteld. Verweerder heeft in de voorlopige aanslag weliswaar een bedrag van € 13.325 in aftrek toegelaten, maar dat bedrag was gebaseerd op de in 2017 betaalde rente. Verweerder was toen nog niet op de hoogte van de in 2018 betaalde rente. Bij de vaststelling van de definitieve aanslag is verweerder uitgegaan van de aangifte van eiser. Van een correctie van de aangifte is dus geen sprake.

18. De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat eiser het volledige door hem aangegeven saldo van inkomsten en aftrekposten ter zake van de eigen woning (€ 10.946 -/- € 1.792 = € 8.704) in aanmerking mag nemen. Uit de definitieve aanslag maakt de rechtbank op dat dit uiteindelijk ook is gebeurd.

19. Dat eiser op de definitieve aanslag een bedrag moest betalen, was mede een gevolg van het feit dat de voorlopige aanslag was gebaseerd op een onjuist bedrag aan hypotheekrente. De rechtbank overweegt hierover als volgt. Op grond van artikel 13, eerste lid, van de AWR kan de inspecteur bij de heffing van de inkomstenbelasting een voorlopige aanslag opleggen tot ten hoogste het bedrag waarop de definitieve aanslag vermoedelijk zal worden vastgesteld. In dit geval heeft verweerder dat vermoedelijke bedrag gebaseerd op de hypotheekrente die eiser in het voorafgaande jaar had betaald. Op het moment dat de voorlopige aanslag werd vastgesteld kon verweerder nog geen rekening houden met de juiste gegevens uit de aangifte van eiser.

20. Artikel 15 van de AWR bepaalt dat voorlopige aanslagen worden verrekend met de definitieve aanslag. Uit het arrest van de Hoge Raad van 17 januari 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF2996 blijkt dat de inspecteur in het algemeen niet ertoe verplicht is bij de vaststelling van een definitieve aanslag IB/PVV een zelfde standpunt in te nemen als ten grondslag ligt aan een ten aanzien van dezelfde belastingplichtige vastgestelde voorlopige aanslag. Dat geldt ook voor het geval van eiser, waarin de voorlopige aanslag is vastgesteld naar een te hoog bedrag aan hypotheekrente.

21. Verweerder heeft dus de inkomsten uit eigen woning in de definitieve aanslag op het juiste bedrag vastgesteld en hij mocht daarbij afwijken van de voorlopige aanslag. Het verschil leidt tot een te betalen bedrag, omdat de voorlopige aanslag met de definitieve aanslag moet worden verrekend. Ook hiervoor geldt dat eiser per saldo niet te veel belasting betaalt: eiser moet op de definitieve aanslag bijbetalen wat hij op de voorlopige aanslag te veel heeft teruggekregen.

Slotsom

22. Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

Proceskosten

23. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C. Maas, rechter, in aanwezigheid van mr. M.C. Anema, griffier. De uitspraak is gedaan op 18 november 2020. Als gevolg van de maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312,

1000 BH Amsterdam.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.