Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2020:9252

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
18-08-2020
Datum publicatie
09-12-2020
Zaaknummer
8472734 AO VERZ 20-65
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Beschikking
Inhoudsindicatie

Werkgever verplicht tot betaling aanzegvergoeding. Geen bewijs dat (schriftelijk) is aangezegd. Geen verrekening met door werkgever op grond van studiekostenbeding betaalde opleidingskosten, wel met door werknemer veroorzaakte verkeersboetes.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2020-1522
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Insolventie

locatie Haarlem

Zaaknr./rolnr.: 8472734 AO VERZ 20-65

Uitspraakdatum: 18 augustus 2020

Beschikking in de zaak van:

[werknemer] ,

wonende te [woonplaats]

verzoekende partij

verder te noemen: [werknemer]

gemachtigde: mr. J.B.A.M.E. Leushuis

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Hexapoda Ongediertegestrijding B.V.,

gevestigd te Velserbroek

verwerende partij

verder te noemen: Hexapoda

1 Het procesverloop

1.1.

Van de volgende processtukken is kennisgenomen:

- verzoekschrift met producties, ontvangen op 24 april 2020;

- antwoord brief van 16 april 2020;

- reactie op verweer tevens vermeerdering van verzoek;

- antwoorden en bevindingen laatste stuk advocaat Leushuis van 5 juni 2020;

- reactie op verweer inhoudende ‘Antwoorden en bevindingen’.

1.2.

Vanwege het coronavirus heeft in deze zaak geen mondelinge behandeling plaatsgevonden. Na indiening van het verzoek- en verweerschrift is schriftelijk voortgeprocedeerd.

1.3.

De datum voor de uitspraak van deze beschikking is bepaald op heden.

2 De feiten

2.1.

[werknemer] , geboren [in 1963] , is op 1 december 2018 in dienst getreden bij Hexapoda. De laatste functie die [werknemer] fulltime vervulde is die van servicemedewerker, met een salaris van € 1.900,00 bruto per maand exclusief vakantietoeslag. De arbeidsovereenkomst is aangegaan voor bepaalde tijd en van rechtswege geëindigd op 28 juni 2019.

2.2.

Hexapoda is een onderneming die zich bezig houdt met de preventie en bestrijding van ongedierte.

2.3.

Na afloop van de eerste arbeidsovereenkomst is een tweede arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd tussen partijen gesloten, met een looptijd van 28 juni 2019 tot en met 29 februari 2020.

2.4.

In artikel 1 van die arbeidsovereenkomst is – voor zover relevant – het volgende opgenomen:

‘(…). De arbeidsovereenkomst eindigt van rechtswege zonder dat daartoe opzegging / aanzegging vereist is op 28 februari 2020’.

2.5.

In artikel 14 van die arbeidsovereenkomst is het volgende opgenomen:

‘Wanneer de werknemer tijdens zijn dienstverband cursussen moet volgen voor de uitvoering van zijn functie, worden deze volledig vergoed door de werkgever, het is echter wel zo dat deze cursussen wanneer de werknemer binnen een jaar na de startdatum van de cursus zijn contract niet verlengd wordt, ontslag neemt of ontslag krijgt, hij de volledige cursus terug moet betalen, wanneer hij echter binnen twee jaar zijn contract niet verlengd wordt, ontslag neemt of ontslag krijgt moet hij 75% terug betalen en wanneer hij binnen drie jaren zijn contract niet verlengd wordt, ontslag neemt of ontslag krijgt moet hij 50% terug betalen, na drie jaar niets meer.

De cursussen V.C.A.• & Bestrijdingtechnicus dierplaag en hourrotverwekkende schimmelbestrijding zijn verplichte cursussen, deze moet de werknemer dan ook volgen en binnen 1 jaar na het in dienst treden bij Hexapoda als medewerker buitendienst, de diploma's/ certificaat behaald hebben, anders is Hexapoda bevoegd het dienstverband te beëindigen. Wanneer de certificaten niet gebaald worden door verweidbaar falen van de medewerker worden de kosten verhaald op de medewerker.’

2.6.

Hexapoda heeft een brief gedateerd op 21 januari 2020 in het geding gebracht waarin het volgende is opgenomen:

Geachte [werknemer] ,

De tijd gaat erg snel en je tweede arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd is bijna ten einde.

Schrik niet, want wij willen verder met jou en rond 28 / 29 februari maken we een afspraak voor de nieuwe overeenkomst te tekenen, deze is exact hetzelfde als de voorgaande twee, behalve de termijn zal langer zijn.

Wanneer de derde termijn om is gaan we praten over een overeenkomst voor onbepaalde tijd (vast dienstverband)

2.7.

Op of omstreeks 3 maart 2020 heeft Hexapoda een nieuwe concept-arbeidsovereenkomst met een looptijd van 21 maanden, ingaande op 29 februari 2020 en van rechtswege eindigend op 29 november 2021, met [werknemer] doorgesproken.

2.8.

[werknemer] is niet akkoord gegaan met de concept-arbeidsovereenkomst waardoor geen derde arbeidsovereenkomst tot stand is gekomen.

3 Het (gewijzigde) verzoek

3.1.

[werknemer] verzoekt om Hexapoda, zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te veroordelen tot:

a. betaling van een vergoeding van € 1.900,00 (bruto) wegens het niet nakomen van de aanzegverplichting zoals bedoeld in artikel 7:668 lid 3;

b. betaling van het salaris ad € 175,38 (bruto) over de maand maart 2020;

c. betaling van de vakantietoelage ad.€ 1.406,68 (bruto)

d. betaling van de nog negen resterende vakantiedagen ad € 789,12 (bruto) over 2019 en 2020

e. betaling van de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW van maximaal 50% over de vergoedingen onder sub a t/m d tot de dag der algehele voldoening wegens vertraging in de betaling;

f. betaling van de buitengerechtelijke kosten ad € 250,00

g. betaling van de wettelijke rente over het onder sub a tot en met e genoemde bedragen vanaf het moment van het opeisbaar worden van de bedragen tot het moment van de algehele voldoening;

h. verstrekking van een deugdelijke salarisspecificatie waarin de betalingen van sub a t/m e zijn verwerkt, op straffe van een dwangsom ter hoogte van € 100,00,­ per dag of gedeelte van een dag, met een maximum van € 5.000,00.- voor elke dag na 2 dagen na de datum van de beschikking dat verweerster niet voldoet aan de beschikking;

i. betaling van de kosten van de procedure, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 dagen na betekening van de te wijzen beschikking en eveneens te vermeerderen met de nakosten.

3.2.

Aan dit verzoek legt [werknemer] ten grondslag – kort gezegd – dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen is aangegaan voor bepaalde tijd en is geëindigd op 29 februari 2020, en dat Hexapoda heeft verzuimd om hem uiterlijk een maand voor afloop van het contract te informeren over het al dan niet voortzetten van de arbeidsovereenkomst. Hexapoda is daarom op grond van artikel 7:668 lid 3 van het Burgerlijk Wetboek (BW) een vergoeding van € 1.900,00 bruto verschuldigd, gelijk aan één bruto maandsalaris, te vermeerderen met de wettelijke verhoging en rente daarover.

3.3.

Daarnaast dient Hexapoda te worden veroordeeld tot betaling van de eindafrekening, bestaande uit het salaris over (de gewerkte dagen in) de maand maart 2020, negen openstaande vakantiedagen over 2019 en 2020 en de pro rata vakantietoeslag (te vermeerderen met de wettelijke verhoging en rente) en tot verstrekking van de bijbehorende salarisspecificatie. Hexapoda heeft betaling hiervan ten onrechte achterwege gelaten. Tot slot wordt verzocht Hexapoda te veroordelen tot vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten en de kosten van dit geding.

4 Het verweer

4.1.

Hexapoda verweert zich en stelt dat de verzoeken moeten worden afgewezen.

4.2.

Hexapoda voert daartoe – samengevat – het volgende aan. Hexapoda heeft wel degelijk aan de aanzegverlichting voldaan. Weken van te voren is zowel mondeling als schriftelijk aan [werknemer] te kennen gegeven dat de arbeidsovereenkomst zou worden verlengd.

In de brief van 21 januari 2020 is dit schriftelijk aan [werknemer] bevestigd. Deze brief is per reguliere post aan [werknemer] verstuurd en een kopie is in het personeelslaatje van [werknemer] gedaan. Bovendien heeft [werknemer] het recht op een aanzegvergoeding teniet gedaan doordat hij het aanbod tot verlenging van de hand heeft gewezen. Daardoor heeft hij er immers zelf voor gekozen weg te gaan.

4.3.

Ten aanzien van de eindafrekening is Hexapoda niets meer aan [werknemer] verschuldigd. Op de eindafrekening zijn bedragen ingehouden die [werknemer] nog aan Hexapoda moet (terug-)betalen. Het gaat om reinigingskosten van de door [werknemer] ingeleverde bedrijfsauto (€ 35,09), opleidingskosten (€ 2.460,-) en verkeersboetes (€ 432,-). Na inhouding van deze bedragen resteert een bedrag van € 1.839,06 dat [werknemer] nog aan Hexapoda verschuldigd is. De salarisspecificatie van de eindafrekening is op 17 maart 2020 al aan [werknemer] gemaild, zodat ook dit verzoek moet worden afgewezen.

5 De beoordeling

Aanzegverplichting (verzoek a)

5.1.

Het gaat in deze zaak allereerst om de vraag of Hexapoda moet worden veroordeeld tot betaling van een vergoeding wegens het niet nakomen van de aanzegverplichting van artikel 7:668 lid 1, onderdeel a, BW.

5.2.

[werknemer] heeft het verzoek tijdig ingediend, omdat het is ontvangen binnen drie maanden na de dag waarop de verplichting op grond van artikel 7:668 lid 1 BW is ontstaan.

5.3.

Op grond van artikel 7:668 lid 1, onderdeel a, BW moet Hexapoda [werknemer] uiterlijk een maand voordat een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd (met een looptijd langer dan zes maanden) van rechtswege eindigt, schriftelijk informeren over het al dan niet voortzetten van de arbeidsovereenkomst. Uit artikel 7:668 lid 3 BW volgt dat de werkgever aan de werknemer een vergoeding verschuldigd is gelijk aan het bedrag van het loon voor één maand, indien de werkgever deze verplichting niet is nagekomen.

5.4.

De kantonrechter stelt voorop dat de wet nadrukkelijk verlangt dat de werkgever de werknemer schriftelijk informeert. Ten aanzien van het schriftelijkheidsvereiste van de aanzegverplichting blijkt uit de wetsgeschiedenis (vide de MvA Kamerstukken I 2013/14, 33818, C, p.79) onder meer het volgende:

‘Om de positie van de werknemer te versterken, wordt met dit wetsvoorstel geregeld dat de mondelinge toezegging van de werkgever op dit punt wordt geformaliseerd via een schriftelijke aanzegplicht. Zo wordt voorkomen dat een werkgever weliswaar aan een werknemer toezegt om de arbeidsovereenkomst voor te zetten, maar deze toezegging vervolgens niet nakomt. Zonder deze aanzegplicht kan het ook voorkomen dat een werkgever zo lang mogelijk wacht met de mededeling dat er geen vervolgcontract zal worden aangeboden. (…..).’

5.6.

Het is aan de werkgever om te stellen en, bij betwisting door de werknemer, te bewijzen dat de schriftelijke aanzegging de werknemer tijdig heeft bereikt. In de wetsgeschiedenis van artikel 7:668 BW is ten aanzien van deze bewijslastverdeling het volgende opgemerkt (Nota naar aanleiding van het verslag, Kamerstuk II 2013/2014, 33818, nr. 7, p. 36):

‘(….). Ten aanzien van de bewijslast (verdeling) geldt het volgende. Aangezien de werknemer zich zal moeten beroepen op het niet (tijdig) aangezegd zijn, zal hij dit wel eerst moeten stellen. Vervolgens zal de werkgever, aangezien op hem de plicht rust om aan te zeggen, moeten bewijzen dat hij dat ook daadwerkelijk en tijdig gedaan heeft. Aangezien de aanzegging schriftelijk dient plaats te vinden, doet een werkgever er wijs aan om de aanzegging aangetekend te versturen.’

5.8.

In de door Hexapoda overgelegde brief van 21 januari 2020 is weliswaar een aanzegging opgenomen, maar daarmee staat de (tijdige) ontvangst van deze brief door [werknemer] niet vast. Hoewel door Hexapoda is gesteld dat de brief per reguliere post aan [werknemer] is verzonden en in het personeelslaadje is gelegd, waarbij is gezien dat de brief daar door [werknemer] uit is gepakt, heeft [werknemer] de ontvangst van deze brief en daarmee de aanzegging, stellig betwist.

5.9.

Uit het bepaalde in artikel 3:37 lid 3 BW volgt dat een tot een bepaalde persoon gerichte verklaring die persoon moet hebben bereikt om haar werking te hebben (de zogenaamde ontvangsttheorie). Het is dan ook aan Hexapoda te stellen en, indien nodig, te bewijzen, dat de brief van 21 januari 2020 [werknemer] (tijdig) heeft bereikt. Nu door Hexapoda is erkend dat zij de brief niet aangetekend heeft verzonden, en zij daarmee geen bewijs van verzending kan overleggen, staat de ontvangst van de brief door [werknemer] niet vast. Waar door Hexapoda ten aanzien van de ontvangst van de aanzegbrief verder geen concreet bewijsaanbod is gedaan, moet er gelet op de betwisting door [werknemer] , in rechte van worden uitgegaan dat [werknemer] de brief van 21 januari 2020 niet (tijdig) heeft ontvangen.

5.10.

Op grond van het voorgaande oordeelt de kantonrechter dat niet is komen vast te staan dat Hexapoda [werknemer] tijdig (dat wil zeggen: uiterlijk één maand voor het aflopen van het contract voor bepaalde tijd) schriftelijk heeft geïnformeerd over het al dan niet voortzetten van de arbeidsovereenkomst.

5.11.

Het verweer van Hexapoda, dat de aanzegverplichting is komen te vervallen doordat [werknemer] het aanbod tot verlenging niet heeft geaccepteerd en hij er dus zelf voor heeft gekozen weg te gaan, treft geen doel. De omstandigheid dat een aanbod tot verlenging van de arbeidsovereenkomst niet wordt geaccepteerd door een werknemer, ontslaat de werkgever niet van zijn verplichting om uiterlijk een maand voor het aflopen van het contract, schriftelijk kenbaar te maken of (en zo ja, onder welke voorwaarden) hij de arbeidsovereenkomst wil voortzetten.

5.12.

Hexapoda heeft voorts nog verwezen naar artikel 1 van de arbeidsovereenkomst, waarin is bepaald dat de arbeidsovereenkomst van rechtswege eindigt zonder dat daartoe opzegging/aanzegging vereist is. Voor zover Hexapoda daarmee wil zeggen dat er geen aanzegverplichting geldt, slaagt dat verweer niet. De bepaling waarin de aanzegverplichting is neergelegd (artikel 7:668 BW) is van dwingend recht. Dat betekent dat het niet mogelijk is hiervan af te wijken. Een afspraak waarin de aanzegverplichting wordt uitgesloten, heeft daardoor geen gelding.

5.13.

De conclusie van het voorgaande is dat Hexapoda op grond van artikel 7:668 lid 3 BW de aanzegvergoeding verschuldigd is ter hoogte van één maandsalaris. Dat betekent dat Hexapoda zal worden veroordeeld tot betaling van een bedrag aan loon voor één maand, te weten € 1.900,00 (bruto).

Eindafrekening (verzoeken b, c en d)

5.14.

[werknemer] heeft aanspraak gemaakt op uitbetaling van de eindafrekening (bestaande uit loon over de in maart 2020 gewerkte dagen, openstaande vakantiedagen en opgebouwde vakantietoeslag), zoals is opgenomen in de door Hexapoda als bijlage E overgelegde salarisspecificatie.

5.15.

Aangezien deze salarisspecificatie door Hexapoda zelf is opgesteld, en [werknemer] de juistheid daarvan niet heeft betwist, gaat de kantonrechter ervan uit dat partijen het erover eens zijn dat [werknemer] aanspraak heeft op de hierin opgenomen bedragen. Het verzoek van [werknemer] om Hexapoda te veroordelen tot uitbetaling van de in de specificatie genoemde bedragen is daardoor in beginsel toewijsbaar.

5.16.

Hexapoda heeft echter aangevoerd dat zij niet tot uitbetaling verplicht is omdat zij op bedoelde bedragen in mindering heeft gebracht bedragen die [werknemer] nog aan Hexapoda verschuldigd zou zijn terzake opleidingskosten, verkeersboetes en reinigingskosten van de auto. Hexapoda doet hiermee in feite een beroep op verrekening.

5.17.

Verrekening is in beginsel toegestaan, mits is voldaan aan de in artikel 6:127, lid 2 BW genoemde voorwaarden. Volgens die bepaling heeft een schuldenaar (in dit geval Hexapoda) de bevoegdheid tot verrekening wanneer hij een prestatie te vorderen heeft die

beantwoordt aan zijn schuld jegens diezelfde wederpartij (in dit geval [werknemer] ) en hij bevoegd is zowel tot betaling van de schuld als tot het afdwingen van de betaling

van de vordering. De kantonrechter zal hierna beoordelen of Hexapoda ten aanzien van de gevorderde kostenposten terecht een beroep op verrekening heeft gedaan.

Opleidingskosten

5.17.

Volgens Hexapoda dient [werknemer] ingevolge artikel 14 van de arbeidsovereenkomst de opleidingskosten ad € 2.460,- terug te betalen, nu is voldaan aan de daarin opgenomen voorwaarde dat het contract niet is verlengd.

5.18.

De kantonrechter neemt als uitgangspunt dat het een werkgever in beginsel is toegestaan met een werknemer afspraken te maken over een eventuele terugbetaling van studiekosten, die aanvankelijk door de werkgever zijn voldaan. Deze bevoegdheid is echter niet onbeperkt. Zij wordt begrensd door wettelijke bepalingen, door de eisen van goed werkgeverschap en de norm van art. 6:248 BW. Richtinggevend hierbij is het arrest van de Hoge Raad van 10 juni 1983, RvdW 1983, 122 (Muller/Van Opzeeland). In dit arrest heeft de Hoge Raad geoordeeld dat het systeem van de wet zich niet zonder meer verzet tegen een terugbetalingsregeling van studiekosten, wanneer het gaat om een regeling die:

a. de tijdspanne vaststelt gedurende welke de werkgever geacht wordt baat te hebben van de door de werknemer tijdens diens studiewerkzaamheden verworven kennis en vaardigheden;

b. bepaalt dat de werknemer, indien de dienstbetrekking eindigt, het loon over die periode aan de werkgever zou moeten terugbetalen, en

c. deze terugbetalingsverplichting vermindert naar evenredigheid van het voortduren van de dienstbetrekking gedurende de onder a. bedoelde tijdspanne.

5.19.

De kantonrechter oordeelt dat het studiekostenbeding dat in artikel 14 van de arbeidsovereenkomst is opgenomen aan de door de Hoge Raad geformuleerde (hoofd-)voorwaarden voldoet en daarom in zoverre kon worden overeengekomen. De Hoge Raad heeft in zijn arrest echter ook een aantal aanvullende voorwaarden gesteld, zoals de voorwaarde dat de terugbetalingsregeling met haar (financiële) consequenties duidelijk moet zijn geweest voor de werknemer. Dit brengt naar het oordeel van de kantonrechter tenminste met zich dat de werknemer uiterlijk ten tijde van het overeenkomen van de afspraken over (mogelijke terugbetaling van) opleidingskosten, deugdelijk moet zijn geïnformeerd over de hoogte van die kosten.

5.20.

[werknemer] heeft aangevoerd dat de opleidingskosten vooraf niet met hem zijn overeengekomen. De kantonrechter stelt vast dat in artikel 14 van de arbeidsovereenkomst weliswaar de te volgen cursussen zijn benoemd, maar dat de bijbehorende kosten niet zijn vermeld. Ook anderszins is gesteld noch gebleken dat [werknemer] er bij het aangaan van de arbeidsovereenkomst (schriftelijk) door Hexapoda op heeft gewezen hoe hoog de opleidingskosten zouden zijn. Nu deze kosten in verhouding tot het salaris van [werknemer] aanzienlijk zijn, en Hexapoda met [werknemer] een contract voor bepaalde tijd is overeengekomen (waardoor de kans dat moet worden terugbetaald groter is) geldt eens te meer dat van een goed werkgever verwacht mag worden dat hij de werknemer vóór het aangaan van de afspraken de gevolgen daarvan, waaronder het financiële risico, duidelijk voorhoudt en vervolgens verifieert of daarover met de werknemer overeenstemming is bereikt. Verder is relevant dat (tussen partijen niet in geschil is dat) [werknemer] verplicht was de opleidingen te volgen om de overeengekomen functie bij Hexapoda te mogen (en kunnen) uitoefenen. In een dergelijk geval past meer terughoudendheid voor het aannemen van een terugbetalingsregeling dan wanneer het een opleiding betreft die de werknemer op eigen verzoek en ten behoeve van zijn eigen ontwikkeling, heeft gevolgd.

5.21.

De kantonrechter is op basis van het voorgaande van oordeel dat Hexapoda hier niet met succes jegens [werknemer] een beroep kan doen op de in artikel 14 vervatte terugbetalingsverplichting. Dat heeft tot gevolg dat Hexapoda de opleidingskosten ten onrechte heeft verrekend met de eindafrekening.

Verkeersboetes

5.22.

Hexapoda heeft gesteld dat de verkeersboetes die door hem in mindering zijn gebracht op de eindafrekening (€ 399,- voor een overtreding op 16 januari 2020, aangeduid als ‘BOET 2’ en € 33,- voor een overtreding op 20 december 2019, aangeduid als ‘BOET 1’) zijn te herleiden naar [werknemer] , omdat die toen bestuurder van de auto (met kenteken [kenteken] ) was.

5.23.

De kantonrechter stelt voorop dat door [werknemer] niet is betwist dat hij de boetes tijdens zijn werkzaamheden heeft veroorzaakt. De kantonrechter dient er dus vanuit gegaan dat dit het geval is geweest.

5.24.

In artikel 7:661 lid 1 BW is bepaald, voor zover hier van belang, dat de werknemer die bij de uitvoering van de arbeidsovereenkomst schade toebrengt aan de werkgever, jegens de werkgever aansprakelijk is voor die schade, tenzij deze het gevolg is van zijn opzet of bewuste roekeloosheid. Uit de omstandigheden van het geval kan, mede gelet op de aard van de overeenkomst, anders voortvloeien dan in de vorige zin is bepaald, zo vervolgt genoemd artikellid.

De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 13 juni 2008 (ECLI:NL:HR:2008:BC8791) met toepassing van deze tweede volzin van artikel 7:661 lid 1 BW een uitzondering op de eerste volzin van dit artikel toegelaten, voor zover het gaat om administratieve sancties die op grond van artikel 5 van de Wet Administratiefrechtelijke Handhaving Verkeersvoorschriften (WAHV) aan de werkgever worden opgelegd voor verkeersovertredingen waaraan de werknemer zich heeft schuldig gemaakt. Die uitzondering houdt in dat (uitsluitend) in gevallen waarin aan de werkgever een boete is opgelegd voor een verkeersovertreding veroorzaakt door de werknemer, de werkgever de mogelijkheid heeft de boete op de werknemer te verhalen, zonder dat deze boete het gevolg hoeft te zijn van opzet of bewuste roekeloosheid van de werknemer.

5.25.

Het voorgaande betekent dat aan Hexapoda opgelegde boetes voor verkeersovertredingen van [werknemer] als bestuurder, in beginsel op [werknemer] verhaald mogen worden. Goed werkgeverschap brengt echter met zich dat de werkgever de werknemer wel tijdig op de hoogte dient te stellen van de bekeuring die hij heeft verkregen om de werknemer (via een machtiging) in de gelegenheid te stellen bezwaar of beroep tegen de bekeuring in te stellen.

5.26.

Zoals door [werknemer] is gesteld en door Hexapoda niet is betwist, zijn de bekeuringen niet tijdig (vóór verstrijken van de beroepstermijn) aan [werknemer] verstrekt door Hexapoda.

Daarmee heeft Hexapoda in strijd met de beginselen van het goed werkgeverschap gehandeld. Dit leidt er naar het oordeel van de kantonrechter echter niet toe dat de bekeuringen voor rekening van Hexapoda dienen te blijven. Ten eerste is het een feit van algemene bekendheid dat de kans dat een bekeuring in beroep teniet wordt gedaan, zeer gering is. Ten tweede heeft [werknemer] geen enkel argument aangevoerd waarom de bekeuringen ten onrechte zouden zijn opgelegd en waarom een beroep daartegen succesvol zou zijn geweest. Gelet hierop is de kantonrechter van oordeel dat de verkeersboetes ‘BOET 1’ en ‘BOET 2’, in lijn met de door de Hoge Raad geformuleerde hoofdregel, op [werknemer] verhaald kunnen worden.

5.27.

Het (subsidiaire) verweer van [werknemer] dat Hexapoda niet zonder voorafgaande aankondiging en niet zonder zijn toestemming mocht verrekenen, wordt door de kantonrechter gepasseerd. Anders dan [werknemer] kennelijk meent, is voor een geldige verrekening geen instemming van de wederpartij vereist. Wel schrijft artikel 6:127 lid 1 BW voor dat de schuldenaar aan zijn schuldeiser een verklaring uitbrengt dat hij zijn schuld met een vordering verrekent. Deze verklaring is echter vormvrij en de salarisspecificatie (bijgevoegd als bijlage E in de processtukken) waarin de verrekening door Hexapoda is weergegeven, kan als zo’n verrekeningsverklaring worden beschouwd. Daarmee is [werknemer] tijdig (namelijk ruim binnen de verjaringstermijn van vijf jaar van de vordering) op de hoogte gesteld van het feit dat Hexapoda ging verrekenen. De conclusie van het voorgaande is dat het beroep van Hexapoda op verrekening van een bedrag van € 432,- aan verkeersboetes, slaagt.

Reinigingskosten

5.28.

Volgens Hexapoda was de auto zo vies dat hij met een speciaal programma schoongemaakt moest worden, hetgeen € 35,09 heeft gekost. Door Hexapoda is niet duidelijk gemaakt op grond waarvan deze kosten voor rekening van [werknemer] dienen te komen. Als zou worden aangenomen dat [werknemer] jegens Hexapoda (toerekenbaar) tekort is geschoten, dan geldt op grond van artikel 6:86 BW dat verhaal van de schade pas aan de orde is nadat [werknemer] in de gelegenheid is gesteld de tekortkoming te herstellen. [werknemer] heeft aangevoerd dat dit niet is gebeurd, hetgeen door Hexapoda is erkend.

Gelet hierop is de kantonrechter van oordeel dat de reinigingskosten niet op [werknemer] verhaald kunnen worden. Dat betekent dat deze kosten ten onrechte zijn verrekend door Hexapoda.

5.29.

Op basis van het voorgaande komt de kantonrechter tot het oordeel dat Hexapoda wordt veroordeeld tot betaling van het gevorderde onder b, c en d van het petitum, met dien verstande dat Hexapoda een bedrag van € 432,- ten behoeve van verkeersboetes mag verrekenen met het aan [werknemer] toe te wijzen bedrag.

Wettelijke verhoging en wettelijke rente (verzoek e en g)

5.30.

De wettelijke verhoging en wettelijke rente worden toegewezen zoals verzocht, omdat Hexapoda (toerekenbaar) te laat is met betalen.

De wettelijke verhoging over de aanzegvergoeding wordt echter afgewezen, omdat deze slechts verschuldigd is over loon en derhalve niet over de aanzegvergoeding.

Buitengerechtelijke kosten (verzoek f)

5.31.

[werknemer] maakt aanspraak op een bedrag van € 250,- aan buitengerechtelijke incassokosten. De kantonrechter stelt vast dat het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit) van toepassing is nu het verzuim op/na 1 juli 2012 is ingetreden. Voor de verschuldigdheid van buitengerechtelijke incassokosten dient te worden gesteld en onderbouwd dat daadwerkelijk incassowerkzaamheden zijn verricht. [werknemer] heeft in dit verband verwezen naar de brieven en e-mailberichten die zijn geschreven om er ‘buiten rechte’ tussen partijen uit te komen. De kantonrechter stelt vast dat [werknemer] voldoende heeft gesteld dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. Nu Hexapoda bovendien niet heeft betwist dat de verzochte kosten daadwerkelijk zijn gemaakt, zullen deze worden toegewezen zoals verzocht.

Salarisspecificatie (verzoek h)

5.32.

Het verzoek om Hexapoda te veroordelen een salarisspecificatie te verstrekken waarin de in deze beschikking toe te wijzen bedragen zijn verwerkt, wordt toegewezen. De kantonrechter ziet geen aanleiding daaraan een dwangsom te verbinden.

Proceskosten (verzoek i)

5.33.

De proceskosten komen voor rekening van Hexapoda, omdat zij grotendeels ongelijk krijgt. Het salaris gemachtigde wordt in lijn met aanbeveling 3.1 van de ‘Aanbeveling schikking en proceskosten’ conform het tarief dat geldt voor kantonzaken in kort geding, vastgesteld op € 720,00.

6 De beslissing

De kantonrechter:

6.1.

veroordeelt Hexapoda tot betaling aan [werknemer] van een aanzegvergoeding van € 1.900,00 (bruto), te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf de dag van opeisbaarheid tot aan de dag van de gehele betaling;

6.2.

veroordeelt Hexapoda tot betaling aan [werknemer] van een bedrag van € 1.762,16 bruto aan achterstallig loon over maart 2020, openstaande vakantiedagen en opgebouwde vakantietoeslag, te vermeerderen met de wettelijke verhoging van 20% ex artikel 7:625 BW en de wettelijke rente vanaf de dag van opeisbaarheid tot de dag van de gehele betaling, waarop door Hexapoda in mindering mag worden gebracht een bedrag van € 342,00 terzake verkeersboetes;

6.3.

veroordeelt Hexapoda tot betaling aan [werknemer] van een bedrag van € 250,00 aan buitengerechtelijke incassokosten;

6.4.

veroordeelt Hexapoda tot verstrekking aan [werknemer] van een salarisspecificatie, waarin de betalingen zoals toegewezen onder 6.1 en 6.2 zijn verwerkt;

6.5.

veroordeelt Hexapoda tot betaling van de proceskosten, die de kantonrechter aan de kant van [werknemer] tot en met vandaag vaststelt op € 803,00 te weten:

griffierecht € 83,00

salaris gemachtigde € 720,00;

6.6.

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

6.7.

wijst af hetgeen meer of anders is verzocht.

Deze beschikking is gegeven door mr. D.P. Ruitinga, kantonrechter, en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.

De griffier De kantonrechter